2.4 - Regulatie bloeddruk Flashcards Preview

1B1 > 2.4 - Regulatie bloeddruk > Flashcards

Flashcards in 2.4 - Regulatie bloeddruk Deck (42)
Loading flashcards...
1
Q

noradrenerge synaps

A

aminozuur trypsine opgenomen in presynaptisch neuron > trypsine hydroxylase vormt hieruit DOPA > L-dopa decarboxylase vormt hieruit dopamine > dopamine beta-hydroxylase vormt hieruit NA > in blaasjes > depolarisatie > NA vrijgemaakt > bindt aan adrenerge receptoren

2
Q

hoe wordt NA opgeruimd uit synaptische spleet

A

NA transporter neemt groot deel op en wordt door andere transporter in blaasjes gebracht > recycling (itt Ach)

3
Q

farmaca die werken op noradrenerge synaps

A
  • tetrodotoxine
  • reserpine
  • guanethidine
  • NA reuptake blokkers
  • alpha en beta receptor agonisten en antagonisten
4
Q

bij welke systemen wordt NA gebruikt

A
  • sympathisch adrenerg: hart, gladde spieren, synapsen

- sympathisch: bijniermerg

5
Q

welke soorten adrenerge receptoren zijn er

welke neurotransmitters van hoge naar lage affiniteit

A
alpha 1 en 2
NA - adrenaline - isoprenaline
beta 1 
isoprenaline - adrenaline - NA
beta 2 
isoprenaline - adrenaline en NA heel laag
6
Q

waar grijpen de alpha en beta agonisten op

A

postsynaptisch op het effectorgaan

7
Q

farmacologische effecten alpha 1 adrenoceptor agonisten

A
  • vasoconstrictie > verhoging perifere vaatweerstand > verhoging bloeddruk
  • mydriasis: verwijding pupil
  • sluiting van urineblaas sphincter
8
Q

waar zitten niet veel alphareceptoren

A

kransslagaders niet veel alpha, want anders

bijniermerg > adrenaline > kransslagaders trekken samen > hart weinig bloed > weinig prestatie

9
Q

therapeutisch gebruik alpha 1 adrenoceptor agonisten

A
  • lokale bloeding
  • verkoudheid: slijmvliezen in neus zwellen door vaatverwijding, deze kan je vernauwen > slijmvliezen slinken
  • inductie mydriasis
  • verlenging werking lokale aneasthetica door vasoconstructieve eigenschappen: constrictie kleine bloedvaten > anaesthtica blijven langer op plek
  • shock door verhoging BD
10
Q

farmacologische effecten alpha 2 adrenoceptor agonisten

A
  • presynaptisch! verminderde transmitterafgifte: NA stimuleert alpha 2 receptor, zo remt het zijn eigen afgifte > alles blijft onder controle
  • vasoconstrictie (minder belangrijk dan alpha 1)
  • pancreas: verminderde insuline afgifte
11
Q

farmacologische effecten beta 1 adrenoceptor agonisten

A

verhoging:

  • HF, beta 1 veel tot expressie in SA-knoop
  • hartcontractiliteit
  • geleiding in het hart
  • renine afgifte in juxtaglomulaire cellen nier > verhoging BD
12
Q

therapeutisch gebruik beta 1 adrenoceptor agonisten

A

hart weer op gang brengen

  • hartstilstand
  • tijdelijke hartblok
13
Q

farmacologische effecten beta 2 adrenoceptor agonisten

A
  • vaatverwijding (niet in alle weefsels gelijk)
  • verlaging perifere weerstand
  • verslapping bronchi
  • verslapping baarmoeder
  • verhoging glycogenolyse in spieren en lever
  • verhoging glucagonafgifte)
    (laatste 2: energie vrijmaken)
14
Q

beta 2 adrenoceptor vooral in …

A

skeletspieren > vaatverwijding > meer bloed naar spieren

15
Q

therapeutisch gebruik beta 2 adrenoceptor agonisten

A
  • astma

- dreigende vroeggeboorte

16
Q

famacologische effecten alpha 1 adrenoceptor antagonisten

A
  • vasodilatatie
  • verlaging perifere weerstand
  • verlaging bloeddruk
  • relaxatie prostaat
  • opening urineblaas sphincter
17
Q

therapeutisch gebruik alpha 1 adrenoceptor antagonisten

A
  • hypertensie
  • prostaat hypertrofie
  • phaeochromocytoom
  • perifeer vaatlijden
  • impotentie
18
Q

farmacologische effecten alpha 2 adrenoceptor antagonisten

A
  • verhoging transmitter afgifte
  • verhoging insuline afgifte
  • geen effect op vaatvernauwing, want presynaptisch
19
Q

farmacologische effecten beta 1 adrenoceptor antagonisten

A
- verlaging/vertraging
hartslag
hartcontractiliteit
hartgeleiding
renine afgifte
20
Q

therapeutisch gebruik beta 1 adrenoceptor antagonisten

A
  • hartritmestoornissen
  • secundaire preventie hartinfarct
  • angina pectoris
  • hypertensie
  • migraine profylaxe (?)
  • angsttremoren
  • glaucoom
21
Q

therapeutisch gebruik alpha en beta adrenoceptor antagonist (labetalol)

A
  • phaeochromocytoom

- hypertensieve crisis

22
Q

tetrodotoxine

A

remt actiepotentiaal

23
Q

reserpine

A

remt transport van NA terug in blaasjes > depletie van NA

24
Q

guanethidine

A

remt afgifte NA uit blaasjes in synaptische spleet

25
Q

2 NA reuptake blokkers

A

cocaine, tricyclische antidepressiva

26
Q

wat doen NA reuptake blokkers

A

remmen heropname NA > centrale en perifere effecten

27
Q

alpha 1 agonisten

A

adrenaline
noradrenaline
fenylephrine

28
Q

alpha 2 agonisten

A

adrenaline
noradrenaline
clonidiine

29
Q

alpha 1 en 2 agonisten

A
  • amfetamine-achtige stoffen: als vast transmitter opgenomen in reuptake > minder adrenaline opgenomen en verdrijft adrenaline uit blaasjes
  • tyramine
  • efedrine
30
Q

beta 1 agonisten

A

adrenaline
noradrenaline
isoprenaline
dobutamine

31
Q

beta 2 agonisten

A

adrenaline
isoprenaline
salbutamol

32
Q

salmbutamol wordt gebruikt bij

A

astma

33
Q

beta 1 en 2 agonisten

A

tyramine en efedrine

34
Q

alpha 1 en 2 antagonisten

A

fentolamine

phenoxybenzamine

35
Q

alpha 1 antagonisten

A

prazosine

doxazosine

36
Q

alpha 2 antagonisten

A

yohimbine

37
Q

fentolamine gebruikt bij

A

hypertensieve crisis

38
Q

phenoxybenzamine gebruikt bij

A

ernstige hypertensie

preparatief bijniertumor: voorkomen enorme adrenaline afgifte en dus hypertensieve crisis

39
Q

yohimbine gebruikt bij

A

erectiestoornissen

40
Q

beta 1 en 2 antagonisten

A

propranolol

pindolol

41
Q

beta 1 antagonisten

A

atenolol

metoprolol

42
Q

alpha 1, beta 1, beta 2 antagonisten

A

labetalol

carvedilol