Algemene Begrippen Flashcards Preview

Organisatiekunde > Algemene Begrippen > Flashcards

Flashcards in Algemene Begrippen Deck (133):
1

Noem voorbeelden van planningen op functioneel gebied.

Inkoopplanning
Marketingplanning
Productieplanning
Personeelsplanning
Financiëleplanning

2

Organisatiekunde als vakgebied heeft een sterk interdisciplinair karakter.
Wat houdt Interdisciplinariteit in?

Het begrip interdisciplinariteit betekent letterlijk 'tussen de disciplines'.
Niet beperkt tot de alleen eigen discipline maar een tussenpositie.

Perspectieven van verschillende wetenschappen combineren.

3

Wat is een Organisatie?

Organisatie = een samenwerkingsverband van mensen, middelen en kennis om een doel te bereiken.




4

Wanneer ontstond organisatiekunde?

Het vak organisatiekunde wordt voor het eerst gedoceerd(Mondeling geleerd) in de VS na 1850.

Tussen 1960 en 1970 is de organisatiekunde zoals we die nu kennen in Nederland ontstaan.

De achterliggende drijfveer was het complexer en groter worden van organisaties.

5

Wat betekend multidisciplinariteit?

Multidisciplinair = bevat veel kennis die afkomstig zijn uit andere wetenschappen.

Bij een multidisciplinaire activiteit wordt kennis vanuit meerdere disciplines gecombineerd ingezet om de activiteit te voltooien.

6

Wat doet de besturing?

Het richting geven aan processen die in een organisatie plaatsvinden.

7

Noem alle bekende management en benaderingstheorieën op met jaartal, naam en oprichter

1760 en 1830. - Industrial Revolution - Machiavelli, Adam Smith
+/- 1900 - Scientific Management - Frederick Taylor (Ford)
+/- 1900 - General Management theory - Henry Fayol
+/- 1940 - Bureaucratie - Max Weber
+/- 1945 - Human Relations Theory - Elton Mayo (Hawthorne)
+/- 1950 - Revisionisme (Neo Human Relations approach) - Likert, Maslow, Herzberg, McGregor
+/- 1950 - Systeembenadering - Boulding
+/- 1965 - Contingentiebenadering - Lawrence & Lorsch

8

Noem enkele hoofdpunten uit Frederick Taylor (Taylorisme) zijn ontwikkelde theorie over het bestuur en beheer van
organisaties (Scientific Management).

1. Een wetenschappelijke analyse van werkzaamheden en het uitvoeren van
bewegingsstudies.
2. Een vergaande taakverdeling en training van de arbeiders, waarbij elke handeling en
beweging precies is voorgeschreven; hierdoor krijgt de arbeid een hoge routine,
waardoor weer hogere productienormen gehaald kunnen worden.
3. Een hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en arbeiders
4. De bedrijfsleiders zijn verantwoordelijke voor het analyseren van en het zoeken naar
werkmethoden en het scheppen van productievoorwaarden; voorheen werd dit naar de
uitvoering geschoven.
5. De juiste man op de juiste plaats door zorgvuldige selectie.
6. Het invoeren van prestatiebeloning met als doel te komen tot lagere productiekosten.

9

Wat waren de gevolgen van Taylorisme?

- Het bestuur en beheer van productieafdelingen over de hele industriële wereld
verbeterde.
- Planningstechnieken werden meer ontwikkeld en toegepast.

10

Noem de functies uit het achtbazenstelsel.

1. Tijd en kosten
2. Werkinstructies
3. Bewerkingen en hun volgorde
4. Werkvoorbereiding en uitgifte
5. Onderhoud
6. Kwaliteitscontrole
7. Technische leiding
8. Personeelsbeheer

11

Wat is een functionaris?


iemand die aangesteld is voor een bepaalde soort werk / iemand die een functie vervult.

Evt. Medewerker die een omschreven functie uitoefent waarvan de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn afgesproken en (doorgaans) schriftelijk gedocumenteerd.

12

Wat wordt er in een economische kringloop bedoeld met input en output?

• Input:
- Mensen (kennis en ervaring)
- Middelen (machines en grondstoffen).

• Output:
- Producten en diensten voor de afnemers

De managers begeleiden de inputfactoren (mensen en middelen). Deze factoren moeten in combinatie
gebracht worden, zodat de output (producten/diensten) zo goed mogelijk gerealiseerd worden, wat
uiteindelijk winst oplevert.

13

Wat is de taak van een manager?

De taak van een manager is de mensen en middelen met elkaar te laten integreren, zodat de doelstellingen
volop gerealiseerd kunnen worden.

14

Hoe zag henri fayol de managementtaken?
General Management Theory

1. Beleidsvorming (analyseren, doelstellingen en plannen maken).
2. Uitvoering (doen uitvoeren, beheersen en bijsturen).
3. Structurering (een organisatiestructuur ontwerpen).

Beleidsvorming: Keuring en Epping hebben het over externe afstemming, constituerende beslissingen;
het scheppen van een kader waarbinnen de daadwerkelijke uitvoering kan plaatsvinden. Hier gaat het
om de analyse van doelstellingen en strategieën vast te stellen, en om de doelstelling waar te maken.
Uitvoering: Hier gaat het om de interne afstemming, het opgang brengen en sturen van de dagelijkse
actie; dirigerende activiteiten en beslissingen- het geven van opdrachten voor het uitvoeren van
handelingen.
Structurering: verdelen van functies, toekennen van bevoegdheden en verantwoordelijkheden
vaststellen van de communicatiestructuur.

15

Wat wordt er onder missie bedoelt met een werkterein?

+ Welke 2 termen zijn hier van toepassing?

Welke klanten worden bediend en met welke producten wordt voorzien in de
behoeften van die klanten.

- Business scope: De bestaande product-markt-behoeften combinaties (pmb-combinatie)
- Business definition: Laat zien met welke pmb-combinaties de bestaande business kan worden
uitgebreid.

16

Wat betekend pmb?

Product-markt-behoeften

17

Wat is een strategisch ondernemingsplan?

Strategie: de route die de onderneming moet volgen om haar doelstellingen te realiseren.

- Planfase: de gekozen strategie wordt verder uitgewerkt (heeft betrekking op alle functionele
onderdelen (inkoop, productie, marketing, personeel, financiën).
- Uitvoering: zal op gezette tijden controle plaatsvinden om te bezien of de geformuleerde
doelstellingen bereikt worden.

18

Wat wordt er bedoeld met planning en wat voor planningen zijn er?

Planning: het beslissen wat er in de toekomst moet gebeuren; anticiperen op de externe en interne
ontwikkelingen. Soorten planningen:
- Naar niveau (concern, werkmaatschappij en afdeling)
- Naar tijdshorizon (kort, middellang en lang)
- Naar mate van detail (strategisch of tactisch)
- Naar functioneel gebied (inkoop-, marketing-, productie-, personeel- en financiële planning).

19

Waar staat S W O T voor in SWOT-Analyse?

Strenghts (sterkten),
Weaknesses (zwakten),
Opportunities (kansen)
Threats (bedreigingen)

20

Wat is de eerste stap in strategisch management?

De situatieanalyse is de 1e
stap in het proces van strategisch management. Hierin wordt aangegeven:
Het bestaande strategische profiel, werkterrein van de onderneming, segmenten en
producten.

21

Wat is micro, macro, meso?

Micro = Intern
Macro = extern – maatschappij
Meso = extern – bedrijfstak (direct om de organisatie heen).

22

BCG- Model - Leg uit

BCG-model
De sterkte- en zwakteanalyse (intern = micro) kan betrekking hebben op financiële prestaties en op niet
financiële prestaties, Porter heeft om de sterke- en zwakteanalyse uit te voeren een checklist gemaakt.
Ook kan er gebruik gemaakt worden van het BCG- model (Boston Consulting Group) = model om eigen
positie te kwalificeren. M.b.v. kan je de positie van de verschillende producten zien. Ook geeft het BCG-
model de positie waarvan de product- en marktcombinaties naar twee soorten namelijk:
- Het relatieve marktaandeel
- De marktgroei (percentage waarmee de markt jaarlijks groeit, van het product)
Het BCG matrix bestaat uit:
- Question marks
- Cash cows
- Dogs
- Stars
(H.2. Blz 54 figuur 2.5)
De kansen- bedreigenanalyse (extern = macro en meso)
Omgeving van de organisatie met betrekking op macro- en mesofactoren/ontwikkelingen. Hieruit
vloeren kansen en bedreigingen. De aspecten die onderzocht worden kan aan de hand van het business
definition van Abell gezien worden.
Macroanalyse gaat het om DE PEST factoren die kansen en bedreigingen creëren.
Demografische factoren; veranderingen in de omvang en de structuur van de bevolking en
veranderingen inde bevolkingsconcentraties.
Economische factoren: Ontwikkelingen die invloed hebben op de koopkracht.
Politiek-juridische factoren: politieke houding t.o.v. organisaties.
Ecologische factoren: ontwikkelingen die te maken hebben met natuur en milieu.
Sociaal- culturele factoren: veranderingen vanuit de samenleving of in (kleinere) groepen daarbinnen.
Technologische factoren: technologische veranderingen en vernieuwingen op verschillende terreinen.
Deze leiden tot nieuwe producten en processen.
(H.2. blz 55. Figuur 2.6)
Mesoanalyse (extern): deelnemers in de bedrijfskolom en de publieksgroepen. Die als samenhang
worden gezien (actiegroepen, consumenten, co ncurrenten etc.)

23

Wat wordt er bedoeld met een strategische kloof?

Kloof tussen gewenst resultaat en uitkomst van het huidige beleid. Komt door veranderingen in de markt als gevolg van veranderingen in micro- en macro-omgeving van de onderneming.

Bij handhaving van de huidige strategie zal deze niet meer in staat zijn de gewenste ondernemingsdoelstellingen te realiseren.

24

Noem opties om een strategische kloof te overbruggen. - Van Porter -

Mogelijke strategieën om het beleid aan te passen: D.m.v. concurrentiestrategieën van Porter;
Onderscheiden van de concurrentie door differentieel voordeel behalen.
• Coastleadership: producten tegen een zo laag mogelijke verkoopprijs aanbieden, om zo groot
mogelijk marktaandeel te bereiken.
• Differentiation/ Differantiatie: onderscheiden van de concurrentie op één/meer punten die de
markt belangrijk vindt; (gebruiksgemak, styling, kwaliteit).
• Focus: met deze strategie houdt de onderneming zich vooral bezig met kleine segmenten in de
markt (= niches) die uitkunnen groeien tot boeiende segmenten. De onderneming heeft
hierdoor bijna geen frees van grotere concurrentie. Gezien de concurrentie zich vaak niet/
nauwelijks interesseren in de kleine segmenten.

25

Noem opties om een strategische kloof te overbruggen. - Van Ansoff -

De groeistrategieën van Ansoff bieden 3 opties voor het overbruggen van de strategische kloof:

• Marktpenetratie; de markt waarop men zich richt wordt intensiever bewerkt (Bijv. acties).
• Marktontwikkeling; bestaande producten nieuwe markten bewerken bijv; exporteren
• Productontwikkeling; nieuwe producten in bestaande markten bewerken
• Diversificatie; nieuw product op een nieuwe markt.

26

Wat wordt er bedoeld met integratie?

We spreken van integratie als 2 of meer geledingen in een bedrijfskolom samengaan, waardoor er dus een markt verdwijnt.

27

Noem 3 vormen van integratie.

• Verticale achterwaartse integratie; overname van een schakel in de bedrijfskolom die verder af
ligt van de consument.

• Verticale voorwaartse integratie; de onderneming neemt een schakel in de bedrijfskolom over
die dichter bij de consument ligt.

• Horizontale integratie; een onderneming neemt een brancheonderneming over

28

Wat wordt er bedoeld met differentatie?

Hiermee probeert de onderneming zich te onderscheiden van de concurrentie op een of meer punten die de markt belangrijk vindt. Zoals gebruiksgemak, styling en kwaliteit

Of: afstoten van activiteiten. Terug gaan naar de kernactiviteiten en daar betere
concurrentiepositie verwerven.

29

Wat is een marktleider, marktuitdager en een marktvolger?

• Marktleider; probeert zijn leiderspositie te behouden
• Marktuitdager; ambitie om marktleider te worden
• Marktvolgers; imitatiestrategie ‘me- too strategie’, omdat aanvallen geen zin heeft.

30

Wat wordt er met het vormgeven van een organisatiestructuur bedoeld?

Bij het vormgeven van de organisatiestructuur
spelen drie elementen een rol:

- De manier waarop de functies/takenworden verdeeld.
- De manier waarop de beslissingsbevoegdheden worden verdeeld.
- De manier waarop de coördinatie gestalte krijgt en er dus gecommuniceerd wordt.

31

Noem een uitspraak van Chandler (1962).

Structure follows strategy

32

Wat is een persoonlijke ondernemingsvorm?

Bij persoonlijke ondernemingsvormen zijn de deelnemers zijn geheel aansprakelijk voor de schulden en verplichtingen van de onderneming.

- eenmanszaak:
weinig vermogensverkrijging, familie, bank. Berust op 1 persoon.
De eigenaar is hoofdelijk aansprakelijk.
Eigenaar ontvangt de totale winst waarover inkomstenbelasting moet worden betaald.

- VOF, vennootschap onder firma.
Groter vermogen bijeengebracht dan bij eenmans zaak, door meer personen.
Er is arbeidsverdeling mogelijk.
Elk van de vennoten is hoofdelijk aansprakelijk.

33

Welke variabelen stijgen in een hoge economische groei?

Arbeidsproductiviteit, inflatie en import.

34

Wat wordt er bedoelt met BBP?

Het bruto binnenlands product (bbp) is de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten gedurende een bepaalde periode (meestal een jaar).

35

De dagelijkse leiding van een naamloze vennootschap berust bij de ...

Prioriteitsaandelen

36

Wat zijn prioreitsaandelen?

Prioriteitsaandelen zijn aandelen die stemrecht hebben in de vergadering van prioriteitsaandeelhouders. Aan deze vergadering, veelal prioriteit genoemd, komt de beslisbevoegdheid toe ten aanzien van één of meer onderwerpen die in de statuten (grondregels) worden vermeld. Aan prioriteitsaandelen komt meestal maar een beperkt winstrecht toe.

Prioriteitsaandelen hebben daarnaast gewoon vergaderrecht en stemrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders.

Evt:Op deze aandelen wordt voorrang gegeven aan gewone aandeelhouders bij de betaling van het dividend 

37

Wat is oligopolie?

Een oligopolie (uit de Griekse woorden oligos 'weinig' en polein 'verkopen') is een situatie waarin een economisch product of dienst door slechts een paar grote aanbieders wordt aangeboden.

Is er niet één (monoplie), maar zijn er enkele aanbieders van een bepaald product of dienst, dan spreekt men van een oligopolie.

38

Wat is het verschil tussen heterogeen oligopolies en homogeen oligopolie.

De meest voorkomende oligopolies zijn heterogeen; dit zijn meestal, in de perceptie van de doelgroep, sterk aan elkaar verwante substituten. Is dit niet het geval, zijn de substituten exact hetzelfde, dan is de oligopolie homogeen.

39

Wat is een matrixorganisatie?

Een matrixorganisatie is een organisatiestructuur, die vaak in grote organisaties wordt toegepast, waarbij de deelnemers aan meerdere personen rapporteren.
In een matrixorganisatie zitten vaak alle medewerkers die hetzelfde soort werk doen in één afdeling. Als voorbeeld, alle tekenaars maken deel uit van de tekenkamer-unit en rapporteren aan het hoofd van deze afdeling. Dezelfde tekenaars zijn aan verschillende projectteams toegewezen en rapporteren ook aan de projectleiders.

40

Wat is zijn statuten?

Statuten zijn bepalingen en grondregels die ten grondslag liggen aan een organisatie. Destatuten moeten bij een notaris worden vastgelegd. De notaris stelt een oprichtingsakte op met daarin de statuten. Vervolgens worden de statuten gedeponeerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

41

Wat wordt er bedoeld met Monopolistische concurrentie?

Monopolistische concurrentie is een marktvorm die zowel een kenmerk heeft van een monopolie als van volledige mededinging. Bij monopolistische concurrentie zijn er namelijk veel aanbieders (als bij volledige mededinging), terwijl deze aanbieders via marketing hun product enigszins heterogeen maken waardoor merktrouw van de consument kan ontstaan. Veel ruimte voor prijsbeleid is er niet op de markt van monopolistische concurrentie want de klant kan relatief gemakkelijk overstappen naar een concurrent.

42

Wat wordt er bedoeld met monopolie?

Marktvorm waarbij één ondernemer de enige aanbieder van een product of dienst is.

De prijs ervan wordt dan niet door marktwerking bepaald, maar vastgesteld door de enige aanbieder, die dan veel winst kan maken, of door de overheid.

In een zuiver monopolie is er geen enkel alternatief.

43

Wat is monopsonie?

In de economie is een monopsonie een markt waar slechts één koper, de monopsonist. Er zijn echter wel meerdere verkopers. Het is dus symmetrisch aan een monopolie, waar er maar één verkoper is voor meerdere kopers.
Voorbeeld: De Overheid

44

Wat is een lijnorganisatie?

De lijnorganisatie is de klassieke organisatievorm. Het is een puur hiërarchische organisatie waarbij leiding via de lijn gegeven wordt: je krijgt leiding van degene boven je en geeft leiding aan degene onder je in het organisatieschema.

45

Wat betekend Interdisciplinair?

Bijv. Interdisciplinair vak: Samenwerkend tussen verschillende disciplines.

46

Wat is het verschil tussen Multidisciplinair, interdisciplinair, Transdisciplinair?

1. Bij multidisciplinair onderzoek wordt kennis uit verschillende disciplines gecombineerd.

2. Bij interdisciplinair onderzoek wordt niet vastgehouden aan de eigen discipline of het eigen vakgebied, maar wordt een tussenpositie gecreëerd. Soms is dat door de perspectieven van andere wetenschappen te combineren.

3. Transdisciplinair onderzoek kan worden beschouwd als ultieme vorm van interdisciplinair onderzoek. Concepten, methoden en axioma's uit verschillende disciplines worden volledig geïntegreerd.

47

Noem 3 Polen van het businessdefinitiemodel van Abell (1980).

Wie - De afnemersgroepen
Wat - De behoeften
Hoe - De technologie ( niet letterlijk ) wordt mee bedoeld: op welke manier

48

Wat is het model van Abell?

Het model van Abell wordt vaak toegepast om het werkterrein van een onderneming te analyseren. Met welke technologieën en producten is een onderneming actief op een markt en op welke doelgroep speelt ze in? De Abell analyse is een handig hulpmiddel bij het afbakenen van de markt.

Het model van Abell geeft een duidelijke marktafbakening van de huidige activiteiten van een organisatie. Daarnaast kan het gebruikt worden om het toekomstige strategisch beleid van een onderneming af te stemmen op veranderingen in de markt.

49

Welke vier opties zitten er in de groeistrategieën van Ansoff?

Marktpenetratie
Productieontwikkeling
Marktontwikkeling
Diversificatie

50

Wat wordt er bedoeld met marktpenetratie in de groeistrategieën van Ansoff?

Bestaande Markten -

Met marktpenetratie wordt ervoor gekozen de markt waarop de onderneming zich richt met de bestaande producten intensiever te gaan bewerken.

Bijv: Acties, 3 halen 2 betalen. Of door andere toepassingsmogelijkheden.
Melk(eigen product) ook met cornflakes.

Door klanten van concurrenties naar zich toe te brengen en niet gebruikers gebruikers ook laten gebruiken.

51

Wat wordt er bedoeld met marktontwikkeling in de groeistrategieën van Ansoff?

Nieuwe Markten -

De onderneming besluit met haar bestaand producten nieuwe markten te gaan bewerken. (Dit kan door bijv. Te gaan exporteren).

52

Wat wordt er bedoeld met productieontwikkeling in de groeistrategieën van Ansoff?

Bestaande Markten -

Het bewerken van de bestaande markten met nieuwe of het bewerken van producten.

Het kan gaan om innovaties maar ook om verbeteringen van het huidige.

53

Wat wordt er bedoeld met diversificatie in de groeistrategieën van Ansoff?

Nieuwe Markten-

Hiermee begeeft de onderneming zich met een voor haar volledig nieuw product op een volledig nieuwe markt.

Het is een risicovolle strategie. Omdat er geen ervaring is met de nieuwe product-marktcombinatie.

54

Wat wordt er bedoeld met G-F-M-P Indelingen?

G-Indeling - Regio ( Van een bepaald gebied)

M-Indeling - Markt ( Van een bepaalde markt)

P-Indeling - Product ( Medewerkers van verschillende disciplines bij elkaar gezet om de marktbewerking van een product of productgroep te verzorgen)

F-Indeling - Functie ( Hierbij worden bijv. Alle inkopers bij elkaar geplaatst, inkoop, productie, marketing, personeel).

55

Wat is taakroulatie (Job rotation)?

Taakroulatie is als werknemers op gezette tijden elkaars functie overnemen.

In kleine organisaties zal dit vaak vanzelfsprekendheid zijn.

56

Wat is taakverruiming? (Job enlargement)

- Horizontaal uitgebreid
Hij krijgt er meer andere taken bij van hetzelfde niveau.

Hierdoor wordt hij minder specialistisch en krijgt hij een breder blikveld en meer verantwoordelijkheid.

57

Wat is taakverruiming? ( Job enrichment)

- Verticaal uitgebreid

In taakverrijking worden er taken toegevoegd op hoger niveau. Dat betekend meestal een meer beleidsmatig karakter. Met taakverruiming is er meestal een grotere vrijheid van handelen en meer verantwoordelijkheid.

58

Wat betekent decentralisatie in een organisatie?

Als beslissingsbevoegdheid wordt verspreid over meerdere personen of groepen dan wordt er gesproken over decentralisatie.

59

Wat is een Machineorganisatie? (Mintzberg)

Voorbeeld: autofabriek of mcdonald’s

dominant organisatiedeel = technostructuur
primair coördinatiemechanisme = standaardisatie van werkprocessen

veel regels en procedures
grote afdelingen
stabiele omgeving
oudere organisaties
Professionele

60

Wat is een ondernemersorganisatie? (Mintzberg)

Voorbeeld: kledingzaak

dominant organisatieonderdeel = strategische top
primair coördinatiemechanisme = direct toezicht

Vaak jonge/kleine organisaties
weinig/geen afdelingen

61

Wat is een professionele organisatie? (Mintzberg)

Voorbeeld: ziekenhuizen of hogescholen

dominant organisatiedeel = operationele kern
primair coördinatiemechanisme = standaardisatie van kennis en vaardigheden

Zelfstandige, hoog opgeleide uitvoerende kern
coördinatie op basis van bekwaamheid
Decentralisatie

62

Wat is een gediversifieerde organisatie? (Mintzberg)

Voorbeeld: Philips
dominant organisatiedeel = middenkader
primair coördinatiemechanisme = standaardisatie van output

bestaat uit meerdere relatief zelfstandige organisaties
vaak oude, grote organisaties
verschillende producten, uiteenlopende markten

63

Wat is een innovatieve organisatie? (Mintzberg)

Voorbeeld: Reclamebureau

dominant organisatiedeel = ondersteunende staf
primair coördinatiemechanisme = onderlinge afstemming

sterk wisselende samenstellingen
selectieve decentralisatie

64

Noem de basisdelen van Mintzberg.

Basisdelen van mintzberg:

- strategische top - direct toezicht
- middenkader - standaardisatie van resultaat
- technostructuur - standaardisatie van werkprocessen
- ondersteunende staf - onderlinge afstemming
- operationele kern - standaardisatie van kennis en vaardigheden

65

Wat is het verschil tussen een homogeen en een heterogeen product.

Homogene producten zijn producten die overeenkomstig zijn op alle vlakken.

Het tegenovergestelde hiervan is heterogeen.
Hierbij kunnen de eigenschappen wel anders zijn.

66

Wat is een voordeel van een lijnorganisatie?

Het is een eenvoudig en duidelijk model. Iedereen weet wie zijn baas is en er zijn nauwelijks tegenstrijdige opdrachten.

67

Wat is een nadeel van een lijnorganisatie?

De dreiging dat de organisatie onbuigzaam wordt.
Te lange communicatielijnen.
Vertraging tot besluitvorming.

68

Wat is een voordeel van een lijn-staforganisatie?

Het eenheid van bevel, de manager kan door de specialistische deskundigheid (staf) gefundeerde beslissingen nemen. Er komt hierdoor meer tijd vrij voor onderwerpen op strategische aard.

69

Wat is een nadeel van een lijn-staforganisatie?

De lijnfunctionaris kan te afhankelijk worden van de staf. Ook is de staf vooral theoretisch bezig en heeft dus te weinig gevoel van de praktijk.

70

Wat is het verschil tussen een profit en nonprofit organisatie.

Profitorganisaties: Gericht op winst maken (Philips)
Non-Profitorganisaties: Eventuele winst mag niet worden uitgekeerd aan de aandeelhouders/eigenaren(ziekenhuis, ministerie, scholen).

71

Wat zijn bedrijven?

Ondernemingen die gericht zijn op het verkopen van producten en/of diensten.

72

Wat houd de rechtspersoonlijkheid in bij een Organisatie?

Rechtspersoonlijkheid betekent dat een onderneming of organisatie zelfstandig schulden en bezittingen heeft, en dus een eigen boekhoudkundig afgescheiden vermogen heeft. De aansprakelijk van de eigenaren gaat niet verder dan de waarde van de aandelen van de onderneming/organisatie.

73

Wat is het verschil tussen een BV en een NV.

Besloten vennootschap: Aandelen staan op naam genoteerd en kunnen niet (zomaar) verhandeld worden.
Naamloze vennootschap: Aandelen staan niet op naam genoteerd en kunnen vrij verhandeld worden. Hierdoor kan er meer kapitaal aangetrokken worden voor bijvoorbeeld grote investeringen

74

Wat zijn organisaties zonder rechtspersoonlijkheid?

Eenmanszaak, vof, commanditaire vennootschap

75

Waaruit bestaat de General Management Theory?

POCCC

Prévoir (vooruitzien = plannen)
Organiser (organiseren)
Commander (opdracht geven)
Coordonner (afstemmen, coördineren)
Contrôler (controleren)

76

Wat is Bureaucratie?

Bureaucratie is een organisatiestructuur die zich kenmerkt door veel regels, gestandaardiseerde processen, procedures en voorschriften, nauwgezette taakverdeling en verantwoordelijkheid, duidelijke hiërarchie en zakelijke, bijna onpersoonlijke interacties tussen medewerkers.pVolgens Max Weber was een dergelijke structuur onmisbaar in grote organisaties om zo alle werkzaamheden en taken gestructureerd te laten uitvoeren door het groot aantal medewerkers. Bovendien vindt selectie en promotie alleen plaats op basis van technische kwalificaties.

77

Wat is de Wet op ondernemingsraden?

De Wet op de ondernemingsraden (WOR) is een Nederlandse wet die vastgesteld is in 1950.

Het doel van de WOR is de medezeggenschap voor werknemers en ambtenaren regelen binnen grotere ondernemingen. De belangrijkste elementen uit de wet zijn:

Ieder bedrijf van ten minste 50 werknemers moet een ondernemingsraad instellen

78

Wat wordt er bedoeld met contingentiebenadering?

Deze theorie gaat ervan uit dat geen standaardorganisatiestructuren en managementopvattingen kunnen bestaan. Ze zijn altijd situatiegebonden.

79

Wat is een octrooi?

Een octrooi of patent is een exclusief (uitsluitend) recht tot het industrieel maken of verkopen van een product of anderszins het exploiteren van een uitvinding.

Een octrooi kan door de rechthebbende worden gebruikt als een monopolie op een bepaald stuk techniek.

80

Wat wordt er bedoeld met Structureringen.

Het gaat bij structureringen om de verdeling van functies, de toekenning van bevoegdheden, en verantwoordelijkheden en de vaststelling van de communicatiestructuur.

81

Wat wordt er bedoeld met Dirigeren?

Dagelijkse actie.

Het geven van opdrachten voor uit te voeren handelingen. Daarbij hoort ook het controleren en zo nodig bijsturen. Sturende, coördinerende en-of begeleidende werkzaamheden van een leidinggevende..

82

Wat is het verschil tussen doel en doelstelling?

Doel = vrij breed genomen
Doelstelling = een SMART geformuleerde concrete doelstelling.

83

Waar staat de afkorting SMART voor?

Specifiek: duidelijk en concreet
Meetbaar: aantal/prijs/tijd
Acceptabel: Meerwaarde en draagvlak
Realistisch: Haalbaar en uitvoerbaar
Tijdsgebonden: Vastgesteld termijn

84

Waaruit bestaat het 7s model?

Strategy
Structure
Systems
Staff
Skills
Style
Shared values

85

Wat word er bedoeld met een DGA?

Directeur/Groot aandeelhouder

86

Wat is een vennoot?

Een partner, maat, compagnon of vennoot is een medewerker van een bedrijf die tevens mede-eigenaar is.

87

Wat is een ambtenaar?

Een ambtenaar is een persoon die is aangewezen om in openbare dienst werkzaam te zijn in een door de overheid beheerde dienst. Iemand wordt dan ook vaak benoemd als ambtenaar, wanneer hij of zij werkt voor een overheidsinstantie

88

Wat is een VOF?

Een VOF (vennootschap onder firma) is een rechtsvorm waarmee gemakkelijk meerdere ondernemers een gezamenlijk bedrijf kunnen starten. De VOF is geen rechtspersoon: alle vennoten zijn hoofdelijk aansprakelijk.

89

Wat is een commanditaire vennootschap?

Een commanditaire vennootschap heeft een beherende vennoot en een stille vennoot. De beherende vennoot heeft de leiding over het bedrijf.
De stille vennoot staat financieel bij. De stille vennoot is eigenlijk een soort aandeelhouder die geld inbrengt en profiteert van financiële resultaten.

Zo kunt u als beherende vennoot een bedrijf oprichten als u zelf te weinig kapitaal heeft.

90

Wat is een Dividend?

Dividend staat in het latijns dividere wat betekend verdelen. Een dividend is de winstuitkering van een onderneming aan de aandeelhouders.

De onderming heeft de keus de winst te houden of uit te keren aan de aandeelhouders.

91

Wat is een rendement?

De opbrengst van iets in verhouding tot de kosten.

Als je 10 procent winst hebt gehaald dat heb je 10 procent rendement.

92

Wat wordt er bedoeld een open systeem?

Een organisatie is een open systeem, iedere organisatie heeft contact met de buitenwereld en wordt beïnvloed door verschillende externe aspecten uit hun omgeving?

93

Wat wordt er bedoeld met een subsysteem?

In een organisatie kan een subsysteem een eigen afdeling zijn zoals inkoop, productie of verkoop.

94

Wat wordt er bedoeld met een aspectsysteem?

Dit is een systeem waarvan de processen door meerdere subsystemen lopen, denk bijvoorbeeld aan een klantenservice.

95

Welke rechtsvormen zijn zonder rechtspersoonlijkheid?

Eenmanszaak
Vennootschap onder firma
Commanditaire vennootschap

96

Welke rechtsvormen hebben een rechtspersoonlijkheid?

Besloten vennootschap
Naamloze vennootschap
De vereniging
De coöperatie
De stichting
De Onderlinge waarborgmaatschappij

97

Wat is een rechtspersoon? (Context: Organisatie)

Een rechtpersoon is een organisatie die zelfstandig aan het rechtsverkeer deelneemt en als zodanig eigen rechten en plichten heeft.

98

Wat wordt er bedoeld met een beursgenoteerde vennootschap?

Dat wil zeggen dat haar aandelen op de beurs worden verhandeld.

99

Wat zijn redenen voor samenwerking tussen organisaties?

Kennisuitwisseling
Produceren en exploiteren octrooi andere partij
Concurrentiepositie verbeteren
Barriéres wegnemen betreden buitenlandse markten

100

Wat is een strategische samenwerking?

Samenwerkingsverband tussen twee of meer organisaties die met behoud van zelfstandig en identiteit samenwerken op een deelgebied dat van wezenlijk belang is voor de continuïteit van de afzonderlijke organisaties.

101

Wat wordt er bedoeld met outsourcing?

Dat een organisatie besluit bepaalde onderdelen uit te besteden. Zoals catering of beveiliging.

102

Wat is een Franchise?

Een zelfstandig ondernemer die werkt onder de naam van een groter concern.

Het ondernemingsprincipe komt veel voor bij supermarktketens.

103

Wat is een franchisegever?

Eigenaar van een handelsnaam.

Een onderneming dat de handelsnaam ter gebruik stelt voor franchisenemers.
Bijv. De jumbo.

104

Wat is een filiaal?

Bijkantoor of dochteronderneming.

Zelfde onderneming op een andere locatie.
Dus niet de hoofd onderneming.

105

Wat probeerde het revisionisme?

Scientific management en human relations te integreren.

Denkrichting. Mensen en organisatie

106

1958, 1969, 2002

1958- oprichting europese gemeenschap

1969 - grote technologische vooruitgang, eerste man op de maan

2002 - ingevoerde gemeenschappelijke euro

107

Wat wordt er bedoeld met (1+1=3)?

Het komt van gestaltpsychologie.

Het belangrijkste principe van gestalt is dat je geen losse elementen waarneemt, maar dat je de losse elementen groepeert en als geheel ziet.

Het idee is dat je problemen vanuit verschillende invalshoeken integraal aanpakt. Zodat er synergievoordelen worden bereikt. Dus 1+1=3

108

Wat is de beste manier om winst te verhogen?

Vergroten van efficiency.

De kosten van de maak verlagen, hierdoor kan ook de verkoopprijs verlaagd worden.
Hierdoor is het voor een grotere groep klanten bereikbaar.

109

Wat gebeurde er door toenemende kwaliteitsbewustzijn in de naoorlogse jaren?

Dit leidde er toe dat de sturing in de jaren zestig opschoof van efficiency naar kwaliteit.

110

Wat betekend consumentisme?

Is gericht op de belangenbehartiging van de consument.

Dit is tegenwoordig volledig geïnstituionaliseerd met organisaties als de consumentenbond.

111

Wat betekend inflatie?

Inflatie is een stijging van het algemeen prijspeil.
Wordt ook wel geldontwaarding genoemd.

Het gevolg van inflatie is dat je voor hetzelfde geld minder kunt kopen.
Dit wordt daling van koopkracht genoemd.

112

Wanneer is er sprake van organisatie-evenwicht?

Als een organisatie er in slaagt haar externe en interne belanghebbenden (stakeholders) zodanig te belonen voor hun bijdragen gemotiveerd blijven deel te nemen aan de organisatie.

113

Wat betekend klandize?

Al de klanten samen, Al iemands klanten.

114

Wat is de taak van de leiding?

Mensen en middelen zodanig in te zetten in het transformatieproces dat de doelstellingen optimaal gerealiseerd worden.

115

Noem 3 functies van de managementtaak.

Beleidsvorming - Analyseren doelstelling en plannen
Structurering - organisatiestructuur ontwerpen
Uitvoering - uitvoeren, beheren en bijsturen

116

Welke 4 perspectieven kent De Balanced Scoreboard?

Klantenperspectief
Processenperspectief
Innovatieperspectief
Financielperspectief

117

Waar gaat het om als er gesproken wordt over kwaliteit?

De kwaliteit van technische kenmerken (degelijk, duurzaam en dergelijk).
En of het aansluit op de wensen van de klant.

Beide betekenissen zijn relevant

118

Waar is het INK (Instituut nederlandse kwaliteit) voor bedoeld?

Het is een sturingsmodel dat gericht is op kwaliteitsverbetering.

119

Wat is het verschil tussen management en leiding?

Management omvat plannen, organiseren, leidinggeven en beheersen.
Leiding omvat het begeleiden en motiveren van ondergeschikten zodat deze de taken uitvoeren om een doelstelling te behalen

120

Wat is co-makership?

Een hechte samenwerking tussen toeleverancier en zakelijk afnemer die tot betere kwaliteit leidt.

121

Wat is een optimale kostenstructuur?

Als de beloning van de medewerker past bij de door hem uitgevoerde taken.

122

Wat is een optimale kostenstructuur?

Als de beloning van de medewerker past bij de door hem uitgevoerde taken.

123

Noem 3 soorten van communicatie(lijnen).

Horizontale - tussen personen of afdelingen op hetzelfde niveau
Verticale - tussen personen of afdelingen op verschillende niveaus
Laterale - communicatie in diagonale richting

124

Wat is detailhandel?

Detailhandel is de directe verkoop van goederen aan consumenten en wordt ook wel kleinhandel genoemd.

Bij detailhandels wordt meestal gedacht aan een winkel waar je naartoe gaat om een product te kopen, zoals een supermarkt of een kledingwinkel.

125

Waar is het omspanningsvermogen van een leider afhankelijk?

Persoonlijkheid
Flexibiliteit - snel kunnen schakelen
Opleidingsniveau
Kennis en ervaring

Het niveau van de medewerkers
Arbeidsverdeling onder hem
Aard van het werk (Routine of onvoorspelbaarheid)

126

Hoe wordt de span of control bepaald?

Horizontale spanwijdte

Door het aantal medewerkers aan wie de leiding direct leiding geeft.

127

Hoe wordt het omspanningsvermogen bepaald?

Door het aantal medewerkers aan wie een leidinggevende direct leiding kan geven.

128

Wat is het gevaar als de spanwijdte groter is dan het omspanningsvermogen?

Dat de leidinggevende overwerkt raakt met alle gevolgen van dien.

129

Wat gebeurd er als de spanwijdte kleiner is dan het omspanningsvermogen?

Er wordt dan niet uit de leider gehaald wat er in zit. Hij opereert onder zijn kunnen en heeft daarbij misschien ook nog een te hoog salaris.

130

Wat wordt er bedoeld met depth of control?

Geeft feitelijk het bereik van de leidinggevende in verticale richting aan.

131

Wat is een platte organistatiestructuur?

Een platte organisatiestructuur (ook bekend als horizontale organisatiestructuur) verwijst naar een organisatie met weinig tot geen tussenliggende managementlagen tussen de werknemers en de managers. Het idee is dat goedopgeleide werknemers productiever zijn wanneer ze meer direct betrokken zijn bij besluitvormingsprocessen, in plaats van dat hun nauwlettend leiding wordt gegeven vanuit vele managementlagen.

Deze structuur is in het algemeen slechts mogelijk in kleinere organisaties of individuele afdelingen binnen grotere organisaties.

132

Wat kan er gedaan worden als een organisatie een grotere spanwijdte nastreeft?

De bestaande managers ontslaan en nieuwe managers in dienst nemen.

Of kijken hoe de omspanningsvermogen van de bestaande managers kan worden vergroot.

133

Wat zijn de kernrechten van de WOR?

adviesrecht: de ondernemingsraad heeft het recht om economische beslissingen te adviseren

informatierecht: de ondernemingsraad heeft het recht om de ondernemer om informatie te vragen over bijvoorbeeld financiële gegevens of het gevoerde sociale beleid.

instemmingsrecht: het instemmingsrecht van de ondernemingsraad heeft betrekking op besluiten over het sociaal beleid van de onderneming. als de OR niet instemt met het besluit, mag de werkgever het niet uitvoeren.