Alle toetsstof Flashcards Preview

Frans > Alle toetsstof > Flashcards

Flashcards in Alle toetsstof Deck (154):
1

la tete

het hoofd

2

un oeil

een oog

3

les yeux

de ogen

4

une oreille

een oor

5

les cheveux

het haar

6

la bouche

de mond

7

le nez

de neus

8

la dent

de tand

9

le cou

de hals, de nek

10

le coeur

het hart

11

l'estomac

de maag

12

le dos

de rug

13

un bras

een arm

14

une main

een hand

15

un doigt

een vinger

16

une jambe

een been

17

la cheville

een enkel

18

un pied

een voet

19

propre

schoon

20

sale

vuil

21

le savon

de zeep

22

se laver

(zich) wassen

23

une serviette

een handdoek

24

une brosse a dents

een tandenborstel

25

le dentifrice

de tandpasta

26

se brosser les dents

tanden poetsen

27

un peigne

een kam

28

un rasoir

een scheerapparaat

29

se raser

(zich) scheren

30

malade

ziek

31

se sentir malade

zich ziek voelen

32

tomber malade

ziek worden

33

dormir

slapen

34

se reveiller

wakker worden

35

le mal

de pijn

36

un accident

een ongeluk

37

une ambulance

een ambulance

38

faire mal

pijn doen

39

se blesser

zich bezeren

40

casser

breken

41

(se) bruler

(zich) branden

42

(se) couper

(zich) snijden

43

mort(e)

dood

44

mourir

sterven

45

un hopital

een ziekenhuis

46

un(e) patient(e)

een patient(e)

47

un medecin

een dokter

48

un dentiste

een tandarts

49

un pharmacien

een apotheker

50

une ordonnance

een doktersrecept

51

un medicament

een medicijn

52

les lunettes

de bril

53

Je suis en pleine forme

Ik voel me goed

54

Il est en bonne sante

Hij is gezond

55

J'ai faim.

Ik heb honger

56

J'ai soif

Ik heb dorst

57

apprendre une langue

een taal leren

58

une ecole

een school

59

une classe

een lokaal

60

le tableau noir

een bord

61

un bureau

een bureau

62

une regle

een lineaal

63

un(e) eleve

een leerling(e)

64

un(e) etudiant(e)

een student(e)

65

un(e) prof(esseur)

een leraar/lerares

66

etudier

(be)studeren

67

un livre

een boek

68

un dictionnaire

een woordenboek

69

un gomme

een gummetje

70

les cours

het lesuur

71

la recreation

de pauze

72

les devoirs

het huiswerk

73

faire les devoirs

huiswerk maken

74

un exercise

een oefening

75

un cahier

een schrift

76

l'ecole primaire

de basisschool

77

la formation de base

de basisvorming

78

une universite

een universiteit

79

etre a l'universite

op de universiteit zitten

80

un cours

een cursus

81

une matiere

een vak

82

le neerlandais

Nederlands

83

le hollandais

Nederlands

84

le francais

Frans

85

l'allemand

Duits

86

l'anglais

Engels

87

la geographie

aardrijkskunde

88

l'histoire

geschiedenis

89

les maths

wiskunde

90

les mathematiques

wiskunde

91

la science

natuurkunde, scheikunde, enz.

92

la biologie

biologie

93

l'economie

economie

94

l'imformatique

informatica

95

la technique

techniek

96

la musique

muziek

97

l'education physique

gymnastiek

98

un composition

een proefwerk

99

un examen

een examen

100

l'examen terminal

het eindexamen

101

un diplome

een diploma

102

important

belangrijk

103

etre recu a un examen

slagen voor een examen

104

rater un examen

zakken voor een examen

105

qu'est-ce que

wat

106

qu'est-ce que c'est

wie is dat

107

ajoute

toevoegen

108

nous apprend

duidelijk maken

109

arrive

gebeuren

110

l'avis

de mening

111

le but

het doel

112

la cause

de oorzaak

113

comment

hoe

114

completer

afmaken

115

la consequence

het gevolg

116

constater

vaststellen

117

d'apres

volgens

118

le debut

het begin

119

declarer

verklaren

120

decouvre

ontdekken

121

decision

beslissing

122

decrire

beschrijven

123

depuis quand

sinds wanner

124

dernier

laatste

125

ecrit

schrijven

126

l'exemple

het voorbeeld

127

explique

uitleggen

128

fait

doen

129

les lecteurs

de lezers

130

ces lignes

deze regels

131

lire

lezen

132

montrer

laten zien, (aan)tonen

133

pense

denken

134

a peur que

bang zijn dat

135

cette phrase

die zin

136

pourquoi

waarom

137

propose

voorstellen

138

a propos de

over

139

est-il question

sprake zijn van

140

la question

de vraag

141

qui est-ce qui

wie

142

qui est-ce

wie is dat

143

raconte

vertellen

144

raison

reden

145

se rapporte a

betrekking hebben op

146

regrette

betreuren

147

la reponse

het antwoord

148

resumer

samenvatten

149

selon

volgens

150

sert

dienen

151

solution

oplossing

152

tirer de

trekken uit

153

trouver

vinden

154

qu'est-ce que cela veut dire

wat wil dat zeggen