Bewegen / movimento Flashcards Preview

Parole > Bewegen / movimento > Flashcards

Flashcards in Bewegen / movimento Deck (239):
0

muovere, far muovere, muoversi

bewegen

Beweging

1

Chinarsi

Bukken

2

Fatica sprecata

Verspilde moeite
Verspillen

2

il movimento

de beweging

3

Lo sforzo
Faticoso
Senza sforzo

De moeite
Inspanning
Moeiteloos

3

cambiare

van plaats veranderen

4

Inciampare
Rotolare, ruzzolare

Struikelen
Rollen (van de trap)

4

con questo movimento mi fa male il braccio

bij deze beweging doet mijn arm pijn

5

Per strada verso

Onderweg naar

5

al minimo movimento

bij de minste beweging

6

Camminare in punta di piedi

Op zijn teentjes lopen

6

il gesto

het gebaar

7

Scendere giu' da (un fiume...)
Avvicinarsi
Allontanarsi

Afkomen
Afkomen op
Afkomen van

7

chiamare con un gesto

wenken

8

Andare avanti e indietro

Heen en weer lopen.
Ijsberen.

8

mimare

uitbeelden

9

Avvicinarsi , farsi vedere

Komen aangelopen

Jips moeder komt aangelopen.

9

svolgere, compiere qualcosa

iets verrichten

10

Direzione Opposta

Tegenovergestelde richting

10

fare

doen

11

Riscaldare i muscoli

Zich opwarmen

11

la azione

de daad

12

Reggersi in piedi
Alzarsi in piedi

Overeind blijven
Overeind komen

12

tu sei responsabile delle tue azioni

je bent verantwoordelijk voor je eigen daden

13

Saltare un ostacolo

Springen over de horde

13

la seccatura

het gedoe

14

Fare sport
Competizione
Gara
Competitivo
Fallire il bersaglio/obiettivo

Sporten- doen aan sport
Competitie
Wedstrijd
Geen wedstrijd.mentaliteit hebben
Het doel missen

14

che scocciatura!

wat een gedoe! (wat vervelend!)

15

Stancare
La stanchezza

Vermoeien
De vermoeidheid

15

l'azione

de actie

16

Pestare

Stampen

16

l'attivita'

de activiteit

17

La partenza

Het weg.gaan

17

attivo

actief

18

Imbattersi in qualcuno

Iemand tegen het lijf lopen

18

vivace

leventig

19

Girarsi , voltarsi

Omdraaien

19

impegnarsi

zich inspannen

20

Dove vai?

Waar ga je heen?
Waar ga je vandaan?

20

io voglio superare l'esame percio' mi impegno di piu'

ik wil slagen VOOR het examen, dus span ik me extra in

21

Lasciare andare o venire

Lo lasceresti venire da me?

Sturen naartoe

Wil je hem naar me toe sturen?
Iemand stuurt iemand ergens naartoe

21

sforzo

de inspanning

22

Sdraiarsi sul fianco

Op zijn zij liggen

22

costare sforzo

inspanning kosten

23

Camminare in punta di piedi

Op je teentjes lopen

23

fatica

de moeite

24

Jip e janneke vengono condotti fuori dalla camera

J e j worden de kamer uitgestuurd.

24

senza fatica

moeiteloos

25

Avvicinarsi
Allontanarsi

Afkomen op JeJ
Afkomen van

25

costare fatica

moeite kosten

26

fare fatica

moeite doen

27

fare fatica con , trovare difficile

moeite hebben met (moeilijk vinden)

28

agire

handelen (snel handelen)

29

Incontrare

Tegenkomen

29

intralciare

ophouden

30

Inciampare

Struiken

31

smettere

ophouden met

32

ostacolarre

tgenhouden

33

provocare problemi, creare problemi

problemen veroorzaken

34

continuare

vervolgen (T)

35

la pausa e' passata, continuiamo la lezione

de pauze is voorbij, we vervolgen de les,

36

to be continued

wordt vervolgd

63

venire

komen

64

avvicinarsi

afkomen op

65

stare dietro

bijkomen

66

tornare a casa

thuiskomen

Huiswaarts keren

67

entrare

binnenkomen

68

tornare indietro

terugkomen

69

raggiungrere

terechtkomen = belanden

70

avvicinarsi

naderen = dichterbijkomen

71

avvicinarsi

benaderen

72

via

weg

73

dover andare via

weg moeten

74

andare via

weggaan

75

andare via, lasciar

weggaan van iets of iemand = verlaten iets of iemand

76

Rimanere , non andare via insieme

niet meegaan = achterblijven in het vakantiehuis

77

stare dietro

bijhouden

78

le altre auto

de andere auto's reden zo hard dat we ze niet konden bijhouden

79

sparire

verdwijnen

80

il mio portafoglio è sparito

mijn portemonnee is verdwenen

81

umiliare

vernederen

82

portare via

verwijderen

83

distruggere

vernielen

84

buttare via

weggooien

85

andare via a piedi

weglopen

86

andare via in macchima

wegrijden

87

scappar via arrabbiato

ervandoorgaan

88

è scappato via arrabbiato

hij ging er BOOS vandoor

89

davanti

vooruit

90

dietro

achteruit

91

su e giu

op en neer

92

fai un passo avanti

kom maar een stapje vooruit.

93

il camion va indietro

de vrachtwagen rijdt achteruit.

94

Affollato
(Intenso)

druk = niet rustig

Het is te druk
Druk verkeer

95

il trasloco è stato una totale scocciatura

de verhuising was een hele GEDOE

96

la confusione

de drukte

97

andare

gaan

98

come va?

hoe gaat het?

99

fallo pure

ga je gang! (doe maar)

100

entrare

binnengaan

101

passare

voorbijgaan

102

girare, circolare

rondgaan

103

tornare indietro

teruggaan

104

verso, a (un posto)

naartoe, heen

105

verso (qualcuno)

tegemoet (we lopen haar tegemoet)

106

da

vandaan

107

indietro

terug

108

dove possiamo andare questo weekend?

waar zullen we dit weekend heen gaan?

109

deve tornare indietro!

U moet terug!

110

recarsi (formale)

zich begeven naar ergens (nnar de uitgang)

111

camminare

lopen

112

a piedi

lopend, te voet

113

fare un passo, camminare

stappen

114

uscire

gaan stappen, uitgaan

115

il passo

de stap, de pas

116

passo dopo passo

stap voor stap

117

camminare (per piacere)

wandelen

118

girare

rondlopen

119

continuare a camminare, camminare più velocemente

doorlopen

120

correre

Hardlopen

121

gattonare

kruipen

122

camminare furtivamente

sluipen (door de huis, de kamer in)

123

vagabondare, bighellonare

zwerven door

124

vagabondo

zwerver, zwerfster

125

venire con quelcuno

meegaan

126

andare con qualcuno

meekomen

127

seguire

volgen

128

Come segue

als volgt

129

salire su

instappen

130

scendere da

uitstappen

131

saltare

springen

132

scalare

klimmen

133

venire giù

afkomen van

134

avvicinarsi a

afkomen op

135

affrettarsi

zich haasten , opschieten

136

spicciati, il film è già iniziato

haast je! De film is al begonnen.

137

la fretta

de haast

138

avere fretta

haast hebben

139

ho fretta, non posso rimanere a parlare,

ik heb haast, ik kan niet blijven praten

140

cadere

vallen

141

caduto dalla scale

van de trap gevallen

142

cadere pesantemente (Inf)

donderen

143

inciampare

struikelen

144

l' equiibrio

het evenwicht

145

stare in equilibrio

in evenwicht zijn

146

mantenersi in equilibrio

in evenwicht blijven

147

conservare l'equilibrio

het evenwicht bewaren

148

colpire

steken met

149

stare

staan

150

stare sdraiato

liggen

151

stare seduto

zitten

152

stare appeso

hangen

153

pensare che qualcosa non andrà bene.

zien IETS niet zitten

154

penso che questo esame non andrà bene.

ik zie dit examen niet zitten

155

e' fatta, ho finito

het zit erop

156

il lavoro è finito

het werk zit erop.

157

alzarsi, alzarsi dal letto

opstaan

158

andare a sedersi, prendere posto

plaatsnemen

159

girare

omdraaien

160

il retro (di una cosa, di una foto)

de achterkant

161

essere su una foto

op de foto staan

162

Filarsela

Etvandoor gaan

163

Avanzare a piccoli passi, ballare il lento

Shuifelen (R)

164

Essere distante

Afstaan

165

Progredire

Opschieten

166

Fermo

Stil
Stil.vallen paralizzarsi
Stil.staan
Stil.zitten stare fermo
Stilletjes zitto-zitto

167

Fare un salto da
Passare da

Langskomen

168

Girarsi
Alzarsi

Omdraaien
Opstaan

169

Andare a sedersi

Gaan zitten
Plaats.nemen

170

Appoggiarsi (su una base)
Appoggiarsi (stare appoggiato contro qualcosa)
In avanti
In dietro

Steunen op
Leunen tegen

Voor.over
Achter.over

171

Stare seduto e fermo

Stil.zitten

172

Stanco

Moe

173

Stanco
Stancare
Stremato

Moe
Vermoeien (t)
Uitgeput

174

Dormire
Dormire fino tardi
Giacere per dormire
Addormentarsi
Riposarsi
Riposare/equipaggiate (:van het nodige voorzien)
Fare un pisolino
Appisolarsi

Slapen
Uitslapen
Liggen te slapen
In slaap vallen
Rusten
Indommelen
Uitrusten
Een dutje doen

175

Il sonno
Il riposo
Il riposino

De slaap
De rust
Het dutje

176

La condizione/ lo stato

De toestand waarin

177

Dinamico

Dynamisch

178

Quando viene qui?

Wanneer komt hij hiernaartoe?

179

Da qui

Hiervandaan
Van hier

180

In avanti
In dietro

Naar voren
Naar achteren

181

In mezzo

In het midden

182

Ai piedi di

Onderaan iets

Onderaan de trap

183

Dappertutto
Da qualche parte (in qualche modo)
Da qualche altra parte

Overal
Ergens
Ergens anders

184

Sedersi

Gaan zitten
Gaat U zitten

185

Reagire a

Reageren op

Traag reageren
Reactie.snellheid

186

Cedere il posto a qq

Voor iemand opstaan

187

Colpire

Treffen
Raken
Getroffen

188

Andare (venire) incontro a qualcuno

Iemand tegemoet gaan

Hij kwam ons (lachend) tegemoet.

189

Sedersi
Fermarsi (smettere di camminare)

Gaan zitten
Blijven staan

190

Stai pure comodo!
Stai composto!
Siediti vicino a me!

Blijf zitten!
Zit Netjes!
Kom bij me zitten!

191

Avvicinarsi

Naderen

Toekomen: ik kom naar je toe.
Ik kom aan te slapen toe

192

Mi piego in avanti

Ik buig me voorover

193

Inseguire, rincorrere

Scappare

Najagen

Vluchten, wegrennen

194

(Andare) a finire

In het water
In een hel
Terecht.komen

195

Entrare in azione

In het geweer komen

196

Strisciare i piedi

Sloffen

197

Allontanare , togliere
Allontanarsi : andare via

Allontanarsi : deviare

Verwijderen ( iemand, een vlek)
Zich verwijderen : weggaan

Afdwalen

198

Avanzare ondeggiando

Waggelen

199

Agile

Beweeglijk

Beweegbaar : mobile

200

Avvicinarsi, farsi vedere

Komen aanlopen

201

Camminare a 4 zampe

Lopen op handen en voeten

202

Precedere
Seguire

Voorgaan
Volgen

203

Sono a piedi

Ik ben lopend

204

Di nuovo al punto di partenza.
Indietro!

Terug naar af.
Terug jij!!

205

Sgranchirsi
Stiracchiarsi

Uittrekken

206

Inciampare, incappare su

Stuiten op

207

Avvicinare (qc)

Benaderen

De benadering

208

Attraversare
Proseguire

Doorgaan

209

Dirigersi verso

Aflopen OP

210

Tornare a casa

Huiswaarts
Keren

Bekering tot : conversione a

211

Unirsi, aggiungersi a...
Loro, gli invitati

Zich voegen BIJ hen, de gasten

212

Af...op

Andare dritto verso
Dirigersi verso
Avvicinarsi a

Afgaan op
Aflopen op : dirigersi verso (zich richten naar)
Afkomen op

213

Andare verso casa

(Richting huis ) gaan

214

Camminare in punta di piedi

Op zijn teentjes lopen

215

Vieni (con me)?

Ga je mee?

216

Accedere

Betreden

218

Avventurarsi in un terreno minato
Gettarsi nella mischia
Avvicinarsi alla mischia

Zich
Begeven (((bewegen)))
Op gladde ijs
In de strijd
Naar de kassa

219

Tornare verso casa
Ritornare indietro

Huiswaarts keren
Omkeren

220

Trascinarsi

Sjokken

221

DiScendere , scivolare , passare

Afzakken

Een rivier afzakken
Met de stroom afzakken
De sneeuw, het onweer zakt af

222

Camminare avanti e indiero

Heen en weer lopen

223

Correre , trottare
Sbattersi

Draven

224

A piedi

Te voet

225

Mettersi
A tavola
Al lavoro

Zich zetten

Aan tafel
Aan de arbeid

226

(Cal)pestare

Treden

227

Volgere le spalle a qq

Iemand
De rug toekeren

228

Schizzare , correre

Schieten

229

Chinarsi su qualcuno

Zich buigen
Over iemand heen

230

Percorrere a piedi

Belopen
= ammontare

231

Fermare qualcuno

Iemand staande houden

232

Bloccare qq, qc

Tegenhouden

233

A piedi
A cavallo

Te voet
Te paard

234

Vado in africa in aereo.
Vado a scuola in bici.

Ik ga
Per vliegtuig naar Afrika.
Per fiets naar school.

235

Vengo
In skateboard
In aereo

Ik kom
Met het skateboard.
Met het vliegtuig

236

Sdraiato sulla schiena

Op de rug liggen
Op de buik

237

Dormire sul fianco

Op zijn zij slapen

238

Cadere di schiena, all' indietro

Achterover
Vallen

239

Girarsi un pochino sul fianco

Rol een eendje opzij

240

Voltarsi

Zich omdraaien
Zich keren

Rivoltarsi contro
Zich keren tegen