Étape 7 Flashcards Preview

Frans > Étape 7 > Flashcards

Flashcards in Étape 7 Deck (102):
1

Willen

Vouloir

2

Rijtje vouloir présent

Je veux
Tu veux
Il/elle veut
Nous voulons
Vous voulez
Ils/elles veulent

3

Frankrijk (hoofdletter ja of nee?)

La France (wel hoofdletter)

4

De Duitser (hoofdletter?)

L’Allemand (ja)

5

Belgische (bvn)

belge (zonder hoofdletter)

6

Het Chinees (taal, met HL?)

Le chinois (geen HL)

7

Hij is een Turk

Il est Turc

8

Wanneer staat er geen lidw voor de taal?

Na PARLER en na EN

9

In het Engels

En anglais

10

In welke 4 situaties gebruik je de pers vnw (moi, toi, enz)

1. Om nadruk te leggen
2. Als er geen ww in de zin staat (nee, zíj)
3. Na c’est (híj is het = c’est lui)
4. Na een voorzetsel (voor jou = pour toi)

11

Wat zijn die ene pers vnw? (Rijtjeee)

Je = moi
Tu = toi
Il/elle = lui/elle
Nous = Nous
Vous = vous
Ils/elles = eux/elles

12

Wat betekent POUR als het voor een inf staat?

Om te (niet voor)

13

De kust

La côte

14

Atlantisch

Atlantique

15

Het festival

Le festival

16

Franstalig

francophone

17

De soort

Le genre

18

Het programma

Le programme

19

De hele wereld

Le monde entier

20

De groep

Le groupe

21

Canadees

canadien (=bvn)
Canadien (= inw)

22

De zanger(s)
De zangeres(sen)

Le chanteur(s)
La chanteuse(s)

23

Belgisch

Belge

24

Nederlands

neérlandais(e(s))

25

Zingen

Chanter

26

Allemaal

Tous

27

Het podium

La scène

28

Het lied

La chanson

29

Ik heb net...

Je viens de...

30

Downloaden

Télécharger

31

Nieuwste

Dernier

32

De hit

Le tube

33

De tekst

Le texte

34

De website

Le site

35

Italiaans

italien (= bvn)

36

Spaans

espagnol (= bvn)

37

Gitaar spelen

Joure de la guitare

38

Het drumstel

La batterie

39

Geweldig

Génial

40

De artiesteningang

L’entrée des artistes

41

Hij is het

C’est lui

42

De handtekening

L’autographe (m)

43

Durven

Oser

44

Nou ja

Enfin

45

Toen

Quand

46

De plaat, de cd

Le disque

47

De stijl

Le style

48

Het jack

La veste

49

De laars

La botte

50

Het ritme

Le rythme

51

Lukken, slagen

Réussir

52

Trainen

S’entraîner

53

De zaal

La salle

54

Ik trek aan

Je mets

55

Erop

Dessus

56

Het concert

Le concert

57

Het licht


La lumière

58

De pianist

Le pianiste

59

Groot, wijd

Large

60

Solo

Solo

61

En cuir

Van leer

62

La cité

De stadswijk

63

Des figures

De bewegingen

64

Juste

Alleen

65

Logo

Logo

66

Jogging

Hardlopen

67

En effet

Een effect

68

Un DJ

Een DJ

69

Tenue

Outfit

70

Familie

Famille

71

Vader

Père

72

Moeder

Mère

73

Zus

Soeur

74

Tante

Tante

75

Neef

Cousin

76

Oom

Oncle

77

Nichten

Cousines

78

Broers

Frères

79

Grootouders

Grand-parents

80

Kleinkinderen

Petit-enfants

81

Meisje / dochter

Fille

82

Fils

Zoon

83

Partir (+ rijtje)

Vertrekken
Pars
Pars
Part
Partons
Partez
Partent

Parti(e)

84

Dire (+ rijtje)

Zeggen
Dis
Dis
Dit
Disons
Dites
Disent

Dit

85

Sortir (+ rijtje)

Uitgaan
Sors
Sors
Sort
Sortons
Sortez
Sortent

Sorti(e)

86

Envoyer (+ rijtje)

Sturen
Envoie
Envoies
Envoie
Envoyons
Envoyez
Envoient

Envoyé

Enverr...

87

Voir (+ rijtje)

Zien
Vois
Vois
Voit
Voyons
Voyez
Voient

Vu

Verr...

88

1. Wanneer gebruik je futur proche
2. Hoe maak je hem?

1. Nabije toekomst
2. Vorm van ALLER + INF

89

1. Wanneer gebruik je de futur simple
2. Hoe maak je hem?

1. O.T.T.T = in het NL : zullen + inf
2. INF (of uitzonderingen) + UITGANGEN avoir

90

1. Wanneer gebruik je de futur passé
2. Hoe maak je hem

1. In het NL: zouden + inf
2. INF (of uitzondering)+ UITGANG imparfait

91

Wat zijn de uitzonderingen van de futur?

Avoir = aur
Être = ser
Vouloir = voudr
Pouvoir = pourr
Voir = verr
Envoyer = enverr
(Andere ww op oyer = ...oier + uitgang)
Devoir = devr

92

Naar welke soort muziek willen jullie luisteren?

Vous voulez écouter quel genre de musique?

93

Ik heb net zijn nieuwste hit gedownload.

Je viens de télécharger son dernier tube.

94

Ik heb liever rock!

Je préfère le rock!

95

Houd je van mijn liedjes?

Tu aimes mes chansons?

96

Ik heb een hekel aan zijn liedjes.

Je déteste ses chansons.

97

Als je wilt, kunnen we samen spelen.

Si tu veux, nous pouvons jouer ensemble.

98

Wil jij de zangeres zijn?

Tu veux être la chanteuse?

99

Zijn vader is Italiaans en zijn moeder is Spaans.

Son père est Italien et sa mère est Espagnole.

100

Ik vind het leuk om in een andere taal te zingen.

J’aime bien chanter dans une autre langue.

101

Hij heeft altijd in Frankrijk gewoond, dus hij zingt in het Frans.

Il a toujours habité en France, donc il chante en françois.

102

Nog doornemen: oef:
14, 16, 20, 22, 28
TR:
27, 26, 12

Succes met de toetsss
👍🏻👍🏻😝✨