FMH thema 4 Flashcards Preview

thema 4 > FMH thema 4 > Flashcards

Flashcards in FMH thema 4 Deck (27):
1

Wat staat er centraal in het onderzoek bij Movement Continuum (Cott)?

Prefered movement capacity;
Current movement capacity;
Maximal achievable movement potential

2

Welke vragen beantwoord je altijd bij het model van Cott?

Welke interne factoren hebben invloed;
Welke externe factoren hebben invloed;
Wat is instap niveau van de patiënt op het Movement Continuum?

3

Onderdelen van het oriënterend onderzoek in dit thema

Anamnese;
Activiteiten onderzoek;
Inspectie;
Orienterende palpatie;
Actief onderzoek;
Passief onderzoek;
Weerstand onderzoek;
Specifiek myomen (lengte) onderzoek.

4

Wat moet er minimaal aanwezig zijn in de fysiotherapeutische hypothese?

Leeftijd + contactreden patiënt (PIP/ NPIP/ Hulpvraag);
Gezondheidsprobleem qua aard (ICF), beloop (tijdslijn) en prognose:
- onderliggende medische factoren
- externe/omgevings factoren
-persoonlijke factoren
Tijdslijn (beloop van het herstel, vb, bindweefsel hersteltijd)
Te wachten herstel(prognose)

5

Wat is medische trainingstherapie?

Medische fitness noemt in zijn definitie specifieke doelen waarop het programma is gericht: 'Medische Fitness is een individueel begeleide, specifiek op het klachtenpatroon inspelende, medische verantwoorde training, teneinde gezondheidherstellende, -bevorderende of -onderhoudende- de doelen te realiseren.

6

Wat moet je bij coördinatie doseren?

kracht, richting en snelheid

7

Wat is coördinatie?

het omvat de afstemming van activiteiten in het centraal en perifeer zenuwstelsel die gericht zijn op beweging.

8

Wat zijn de 6 grofmotorische eigenschappen?

snelheid, lenigheid, UHV, stabiliteit, kracht

9

Wat is stabiliteit?

Gedefineerd als het in de juiste stand houden van de bosuiteinden t.o.v. elkaar om daarmee een houding te handhaven en/of beweging mogelijk te maken

10

Waar zorgt het passief systeem voor bij stabiliteit?

de passieve stabilisatoren; kapsel, banden, botten

11

Waar zorgt het actief systeem voor bij stabiliteit?

de actieve stabilisatoren; spieren

12

Waar zorgt het neurale systeem voor bij stabiliteit?

de bewegingssturing; sensoren en receptoren, zenuwen, ruggenmerg en hersenen

13

Wat zijn de kenmerken van de cognitieve fase?

Veel voordoen en nadoen. patient ervaart.
Veel fouten
Adequate feedback van belang: veel feedback gericht op uitvoering! Niet tijdens de uitvoering!
Trail en error
Geen vermoeidheid

14

Wat zijn de kenmerken van associatieve fase?

Procedureel leren
Hoeft nog niet geheel vlekkeloos
Patient in staat eigen fouten op te sporen
Veel variatie in oefenstof
Naast feedback op uitvoering nu ook feedback op resultaat.
Geen vermoeidheid

15

Wat zijn de kenmerken van de autonome fase?

ADL specifiek
Aandacht vrij voor andere processen
nauwkeurigheid, timing en snelheid nemen toe

16

Beschrijft het fysiologisch herstel proces

Ontstekingsfase
Proliferatiefase
(vroege) remodelleringsfase

17

Beschrijft de A-delta pijn bij pijnfysiologie

Primaire pijn
Fylogenetisch relatief jong
Kleiner receptief gebied, overlappen minder en dringen meer oppervlakkig door in de huid
Lokale pijn
Goed lokaliseerbaar

18

Beschrijf de C-vezel pijn bij pijnfysiologie

Secundaire pijn
Fylogenetisch relatie ouder Dunne langzame ongemyeliniseerde vezel
Diffuse pijn
Slecht lokaliseerbaar

19

Waar moet je op letten bij pijnfysiologie tijdens een training?

Tijdens een training mag geen C-vezel prikkeling plaats vinden, welke kan leiden tot weefselschade

20

Wat is een diagnose?

Vaststellen en benoemen van aard en toestand van een aandoening

21

Benoem drie verschillende medische diagnosen

Pathologiediagnose;
Symptoomdiagnose;
Nosologische diagnose

22

Wat zijn de voordelen van een fysiotherapeutische diagnose?

1. Communicatiemiddel:
- tussen fysiotherapeuten
- tussen fysiotherapeuten en mensen in aanverwante beroepen
- tussen fysiotherapeut en patiënt
2. Ten behoeve van effect onderzoek fysiotherapie
3. basis voor de indicatie, de kern van het gezondheidsprobleem, de prognose en het behandelplan

23

Wat is een fysiotherapeutische indicatie?

Op grond van de diagnose en van de hulpvraag vaststellen in hoeverre fysiotherapeutische behandeling kan bijdragen aan de oplossing van het gezondheidsprobleem van de patiënt

24

Wat moet er in het behandelplan staan volgens de KNGF richtlijn verslaglegging?

- Beoogd eindresultaat/hoofddoel.
- Smart doelstellingen op functie en activiteiten niveau.
- Smart doelstellingen op persoonlijke en externe factoren.
- FT interventie(s) per doel.
- Advies en leefregels (gekoppeld aan de doelstelling)
- (Toestemming voor eventuele bijzonder of voorbehouden handelingen.)
- Vastgelegde afspraken (frequentie en duur etc).
- Besproken met/ akkoord van de patiënt.

25

Beschrijft het behandelplan in stappen.

1. Formuleer het einddoel.
2. Formuleer SMART doelstellingen.
3. Zet de doelstellingen van 2 in volgorde van prioriteit
4. Kies de verrichtingen.
5. Bepaal de strategie
6. Taken van de patient en fysiotherapeut
7. Afspraken met andere zorgverleners.

26

Formuleren van het eindresultaat (volgens Brouwer)

Het einddoel is altijd op participatieniveau.
Het einddoel is altijd gekoppeld aan de hulpvraag van de patiënt.
Het einddoel is altijd gekoppeld aan een PIP of soms aan een NPIP.
Het einddoel is altijd SMART geformuleerd in termen van "de patiënt kan...."

27

Waar staat SMART voor?

Specifiek
Meetbaar
Acceptabel
Realistisch
Tijdgebonden