Français Flashcards Preview

Vocabulary in different languages > Français > Flashcards

Flashcards in Français Deck (279):
1

Er is bij mij ingebroken.
Ik ben beroofd.
In een huis/auto(?) inbreken.
Een bank beroven.

On m'a cambriolé(e).
Je me suis fait(e) cambrioler.
Je suis cambriolé(e).
Cambrioler une maison/une voiture(?)/une banque.

2

Een schroef vastdraaien.
Op de tanden bijten.

Serrer une vis.
Serrer les dents.

3

Een weegschaal.

Un pèse-personne.

4

Een hoeslaken (voor een matras).

Un drap-housse.

5

Een dekbedovertrek.

Une housse d'édredon.

6

Een broodrooster.

Un grille-pain.

7

Een koffiezetapparaat.

Un percolateur.

8

Een appelflap.

Un chausson aux pommes.

9

Een chocoladebroodje/-koek.

Un pain au chocolat, une chocolatine [dit au sud de la France].

10

Een rekeninguittreksel.

Un extrait de compte.

11

De gebruikelijke documenten.

Les documents [m] d'usage.

12

Een partytent.

Une tonnelle.

13

Een zeef.

Un tamis.

14

Het uitvoeringsereloon.

Les honoraires (m) d'exécution.

15

Een plint.

Une plinthe.

16

Meerdere keren.

À plusieurs reprises.

17

Een (koninklijk) besluit.

Un arrêté (royal).

18

Wekelijks.

Hebdomadaire.

19

Ter gelegenheid van.

À l'occasion de.

20

Een voorruit.

Un pare-brise.

21

De glijbaan.

Le toboggan.

22

Forwarden.

Réexpédier.

23

Een brandnetel.

Une ortie.

24

Een oksel.

Une aisselle.

25

Een koelbox.

Une glacière.

26

De blaas.

La vessie.

27

De veenbes.

La canneberge.

28

Een ijsblokje.

Un glaçon.

29

Een deurmat.

Un paillasson.

30

Een (vis)graat.

Une arête.

31

Een koppeling.

Un embrayage.

32

Versleten.

Usé(e).

33

De motorkap.

Le capot.

34

Het kwik.

Le mercure.

35

Een schuurmachine.

Une ponceuse.

36

Het schuurpapier.

Le papier de verre.

37

Een vergiet.

Une passoire.

38

Een step.

Une trottinette.

39

Een wiel.

Une roue.

40

Een band.

Un pneu.

41

Een deksel.

Un couvercle.

42

Zomers.

Estival(e)

43

Een luidspreker.

Un haut-parleur.

44

Een hoofd-/koptelefoon.

Un casque audio.

45

Belonen.

Récompenser.

46

Een ladder.

Une échelle.

47

Een mouw.

Une manche.

48

Een scheerapparaat.

Un rasoir électrique.

49

Een wasknijper.

Une pince à linge.

50

Een droogrek.

Un séchoir à linge.

51

Een pet.

Une casquette.

52

Een springbal.

Un ballon sauteur.

53

Een gezelschapsspel.

Un jeu de société.

54

Een toilettas.

Une trousse de toilette.

55

Een zonnescherm.

Un pare-soleil.

56

Een berk.

Un bouleau.

57

Een populier.

Un peuplier.

58

Een vlierbes.

Un sureau.

59

Het hooiland.

Le pré.

60

Het bouwland.

La terre.

61

Ten belope van.

À concurrence de.

62

Een selfiestick.

Une perche selfie.

63

Digitaal.

Numérique.

64

Plamuren.

Enduire.

65

Een aalbes.

Une groseille.

66

Een mot.

Une mite.

67

De vakjes aanvinken/-kruisen.

Cocher les cases.

68

In goede handen zijn.

Être en de bonnes mains.

69

Afbrokkelen

S'écrouler

70

Een beiaard

Un carillon

71

Zich uitschrijven (voor een nieuwsbrief)

Se désabonner

72

Hardnekkig, vasthoudend

Tenace

73

Bezorgd zijn over

Se soucier de

74

Daarom ...

C'est pourquoi ...

75

Rundstoofvlees

Carbonnades de boeuf

76

Een schop (tuingereedschap)

Bêche

77

Spade

Pelle

78

Riek

Fourche

79

Roestvrij staal

Acier inoxydable

80

Wegwerp-...

... jetable

81

Overgordijn

Tenture

82

Haak

Crochet

83

Inkorten

Raccourcir

84

Dankzij

Grâce à

85

Mondwater

Eau buccale

86

Vlekkenverwijderaar

Détachant

87

Inductiekookplaat

Plaque de cuisson à induction

88

Afdruiprek

Égouttoir

89

Bakvorm

Moule

90

Laag (verf, zakdoekjes)

Couche

91

Blauwe bes

Myrtille

92

Spuitzak

Poche à douille

93

Deegrol

Rouleau à pâte

94

Deegwieltje

Roulette à découper

95

Penseel

Pinceau

96

Zipperzakje

Sachet à glissière

97

Slakom

Saladier

98

Timer

Minuteur

99

Reikwijdte

Portée

100

Accuduur

Autonomie

101

Roggebrood

Pain de seigle

102

Krokant

Croustillant

103

(In meerdere sneetjes) gesneden

Tranché

104

Op tijd zijn

Être à l'heure

105

Opnemen/inhaken (de telefoon)

Décrocher/accrocher

106

Een tegenslag

Un contretemps

107

Een mislukking

Un échec

108

Schaken

Jouer aux échecs (m)

109

Boerenkool

Chou kale (m)

110

Ja, graag.

Oui, je veux bien.

111

Een rijstrook

Une bande

112

Een stamboom

Un arbre généalogique

113

De parkeerschijf

Le disque bleu

114

De voicemail

La boîte vocale

115

Een schommel

Une balançoire
Une escarpolette

116

De wip(wap)

La balançoire à bascule
Le tape-cul

117

De speeltuin

Le terrain de jeux

118

Een draaimolen

Un tourniquet
Un carrousel
Un manège

119

Een klimrek

Une cage à poules

120

Een zandbak

Un bac à sable

121

Een rekstok

Une barre fixe

122

Kantelen

Basculer

123

Uitgeput

Épuisé

124

Gehaast zijn

Être pressé(e)

125

Ter gelegenheid van

À l'occasion de

126

De ijzel

Le verglas

127

Een kortere weg naar

Un raccourci vers

128

Een kleefroller

Un rouleau à peluches

129

Een netwerk

Un réseau

130

Wees op uw hoede! Wees waakzaam!

Soyez vigilant(s) !

131

Een inbraak

Une infraction

132

Grofvuil

Encombrants (m)

133

Gewoonlijk

Habituellement

134

Typen

Taper

135

Betaalbaar

Abordable

136

Verzamelen

Rassembler

137

Opruimen, bijeenrapen

Ramasser

138

Bevorderen

Favoriser

139

Omhuld

Enrobé(e)

140

(Klagen en) zagen, zeuren

Râler

141

Onnozel doen, gekscheren

Plaisanter

142

Lachen (met?)

Rigoler

143

Rondspringen, jump around (dansen of meebewegen met de muziek)

Sautiller

144

Een tarief

Un tarif

145

Magazijn

Entrepot

146

Het nageslacht, kroost, de telgen, nakomelingen, kinderen

La progéniture

147

Leugens, leugenachtigheden, bedriegerij

Carabistouilles, mensonges, tromperies

148

Uitdoen, doven

Éteindre

149

Automatische uitschakeling

Extinction automatique

150

(Opblaas)ballonnen

Ballons à gonfler

151

Tank

Réservoir

152

Los (bv. thee, uien, aardappelen, tomaten, enz.)

En vrac

153

Mikken

Viser

154

Fluiten (een wijsje)

Siffloter

155

Zuchten

Soupir

156

Zich storten, zich spoeden

Se précipiter

157

Neerslag

Précipitations

158

Opklaringen

Éclaircies (f)

159

Knabbelen

Grignoter

160

(Be)klimmen

Escalader

161

Misnoegen uiten, tegensputteren, zeuren, protesteren

Rouspéter

162

Een scheet laten

Péter

163

Op straffe van

Sous peine de

164

Op dit moment

À l'heure actuelle

165

Op het vlak van (smaak)

Au niveau (goût)

166

Dat is de vraag.

Telle est la question.

167

Het maakt niet uit.

Peu importe.

168

Ongeacht
1. (Zijn nationaliteit)
2. (Wat het besluit is)

Peu importe
1. (sa nationalité)
2. (que soit la décision)

169

Met het doel te

De sorte à [infinitif]

170

In de toestand van onbebouwde grond

En état de terrain non-construit/non-bâti

171

Nooduitgang

Sortie de secours

172

Een klok (bel)

Une cloche

173

Een screenshot

Une capture d'écran

174

Een app

Une appli

175

Een afhaalpunt

Un point d'enlèvement

176

Tuinslanghaspel

Dévidoir pour tuyau d'arrosage

177

Meststof

Engrais

178

Druksproeier

Pulvérisateur à pression

179

Spoel/bobijn

Bobine

180

Grastrimmer

Débroussailleuse

181

Bloembak

Bac à fleurs

182

Sneakers

Des tennis

183

Waspoeder

Poudre à lessiver

184

Zure room

Crème épaisse

185

Vaatdoek

Lavette

186

Allesreiniger

Nettoie-tout

187

Wc-borstel

Brosse à WC

188

Vuilblik met handborstel

Ramassette avec brosse

189

Geheugenstick/USB-stick

Clé mémoire/clé USB

190

Ovenschaaltje

Barquette à four

191

Afwasborstel

Brosse à vaisselle

192

Eierkoker

Cuit-oeufs

193

Tablet

Tablette

194

Opgepast voor (...)

Gare à (...)

195

(... in) de schijnwerpers/spotlight

Pleins feux (sur)

196

Een kattenbak

Une litière

197

Wat dan ook/wat het ook moge zijn

Quoi que ce soit

198

Teen

Orteil

199

Zich stoten

Se cogner

200

Ontsnappen

S'échapper

201

Druk bezet zijn

Être fort occupé(e)

202

Vrolijk Pasen!

Joyeuses Pâques !

203

Een bloedafname

Une prise de sang

204

Een matrasbeschermer

Une alèse/alaise

205

Huisarts

Médecin de famille

206

Elke keer

À chaque fois

207

Leeggoed

Vidange

208

Raspen

Râper

209

Leuk

Chouette, sympa

210

Touw

Corde

211

Potgrond

Terreau

212

Pijnboompitten

Pignons de pin

213

Tussendoortje, snack

En-cas

214

Krokant

Croustillant(e)

215

Inbussleutel

Clé hexagonale

216

Over een uur

D'ici une heure

217

Het lijkt op / het lijkt alsof (je zou zeggen dat)

Ça ressemble à / on dirait (que)

218

Zich wenden tot

Se rendre à

219

Uit de handen trekken/rukken van

Arracher des mains de

220

Overkomen

Survenir

221

Bewijzen, getuigen

Attester

222

Kuit

Le mollet

223

In het ergste geval

Au pire des cas

224

Er is veel volk

Il y a du monde

225

Het is mogelijk dat

Il se peut que

226

Vat

Fût

227

Daarom, daardoor, (plotseling, van de slag?)

Du coup

228

Mijn spullen/zaken

Mes affaires

229

Cash (betalen)

(Payer) en espèces

230

Een nieuwe release

Une nouvelle parution

231

Verbeteren/verslechteren

Améliorer/empirer

232

Op de dansvloer

Sur la piste (de danse)

233

Een bestelling doorgeven

Passer une commande

234

Zich herpakken

Se reprendre

235

Zich laten (infinitiefvorm werkwoord)

Se faire (verbe en infinitif)

236

Er is iets dat niet klopt/spoort, er is iets mis

Il y a quelque chose qui cloche

237

Onderaan/op de bodem van, achterin

Au fond de

238

Eerlijk gezegd, in alle openheid

Franchement

239

De berekening

Le calcul

240

Een storm

Une tempête

241

Goudenregen

Cytises (m)

242

Blauweregen

Glycines (f)

243

Voorschieten

Avancer

244

Wie we daar hebben!

Qui voilà !

245

Krap

Serré(e)

246

Ten onrechte

À tort

247

Terecht

Justifié(e), à juste titre

248

Bij

Auprès de, chez

249

Naar (iemand) toe

Envers

250

Opluchting

Soulagement

251

De tandsteen

Le tartre

252

Schoenmaker

Cordonnier

253

Dakgoot

Corniche

254

Een zijstraat

Une rue transversale

255

Striptang

Pince à dénuder

256

Lijmklem

Serre-joint

257

Een priem

Une alêne, un poinçon

258

Een plug

Une cheville

259

Een draaiorgel

Un orgue de Barbarie

260

Een kruimel

Une miette

261

Nuchter (zoals bv. Voor een operatie of een bloedafname)

À jeun

262

Druppelflesje

Flacon compte-gouttes

263

Vink

Pinson

264

Klei

Argile

265

Later

Ultérieurement

266

Een afkorting

Une abréviation

267

Het ongemak

Le désagrément

268

Begrip

Compréhension

269

Een happertje

Une cocotte en papier

270

Ze hoeft (alleen) maar te ...

Elle n'a qu'à ...

271

Heraanleg

Réaménagement

272

Toch, nog steeds, desondanks, hoe dan ook, niettemin

Tout de même

273

De steel

La tige

274

Een schroefoog

Un piton à visser

275

CVC (card verification code)

Cryptogramme visuel (de la carte)

276

Zich ontdoen van

Se débarasser de

277

Een vrije trap

Un coup-franc

278

Lak

Vernis

279

Mobiele/draagbare harde schijf

Disque dur portable