Français Flashcards Preview

Vocabulary in different languages > Français > Flashcards

Flashcards in Français Deck (662):
1

Er is bij mij ingebroken.
Ik ben beroofd.
In een huis/auto(?) inbreken.
Een bank beroven.

On m'a cambriolé(e).
Je me suis fait(e) cambrioler.
Je suis cambriolé(e).
Cambrioler une maison/une voiture(?)/une banque.

2

Een schroef vastdraaien.
Op de tanden bijten.

Serrer une vis.
Serrer les dents.

3

Een weegschaal.

Un pèse-personne.

4

Een hoeslaken (voor een matras).

Un drap-housse.

5

Een dekbedovertrek.

Une housse d'édredon, une housse de couette

6

Een broodrooster.

Un grille-pain.

7

Een koffiezetapparaat.

Un percolateur.

8

Een appelflap.

Un chausson aux pommes.

9

Een chocoladebroodje/-koek.

Un pain au chocolat, une chocolatine [dit au sud de la France].

10

Een rekeninguittreksel.

Un extrait de compte.

11

De gebruikelijke documenten.

Les documents [m] d'usage.

12

Een partytent.

Une tonnelle.

13

Een zeef.

Un tamis.

14

Het uitvoeringsereloon.

Les honoraires (m) d'exécution.

15

Een plint.

Une plinthe.

16

Meerdere keren.

À plusieurs reprises.

17

Een (koninklijk) besluit.

Un arrêté (royal).

18

Wekelijks.

Hebdomadaire.

19

Ter gelegenheid van.

À l'occasion de.

20

Een voorruit.

Un pare-brise.

21

De glijbaan.

Le toboggan.

22

Forwarden.

Réexpédier.

23

Een brandnetel.

Une ortie.

24

Een oksel.

Une aisselle.

25

Een koelbox.

Une glacière.

26

De blaas.

La vessie.

27

De veenbes.

La canneberge.

28

Een ijsblokje.

Un glaçon.

29

Een deurmat.

Un paillasson.

30

Een (vis)graat.

Une arête.

31

Een koppeling.

Un embrayage.

32

Versleten.

Usé(e).

33

De motorkap.

Le capot.

34

Het kwik.

Le mercure.

35

Een schuurmachine.

Une ponceuse.

36

Het schuurpapier.

Le papier de verre.

37

Een vergiet.

Une passoire.

38

Een step.

Une trottinette.

39

Een wiel.

Une roue.

40

Een band.

Un pneu.

41

Een deksel.

Un couvercle.

42

Zomers.

Estival(e)

43

Een luidspreker.

Un haut-parleur.

44

Een hoofd-/koptelefoon.

Un casque audio.

45

Belonen.

Récompenser.

46

Een ladder.

Une échelle.

47

Een mouw.

Une manche.

48

Een scheerapparaat.

Un rasoir électrique.

49

Een wasknijper.

Une pince à linge.

50

Een droogrek.

Un séchoir à linge.

51

Een pet.

Une casquette.

52

Een springbal.

Un ballon sauteur.

53

Een gezelschapsspel.

Un jeu de société.

54

Een toilettas.

Une trousse de toilette.

55

Een zonnescherm.

Un pare-soleil.

56

Een berk.

Un bouleau.

57

Een populier.

Un peuplier.

58

Een vlierbes.

Un sureau.

59

Het hooiland.

Le pré.

60

Het bouwland.

La terre.

61

Ten belope van.

À concurrence de.

62

Een selfiestick.

Une perche selfie.

63

Digitaal.

Numérique.

64

Plamuren.

Enduire.

65

Een aalbes.

Une groseille.

66

Een mot.

Une mite.

67

De vakjes aanvinken/-kruisen.

Cocher les cases.

68

In goede handen zijn.

Être en de bonnes mains.

69

Afbrokkelen

S'écrouler

70

Een beiaard

Un carillon

71

Zich uitschrijven (voor een nieuwsbrief)

Se désabonner

72

Hardnekkig, vasthoudend

Tenace

73

Bezorgd zijn over

Se soucier de

74

Daarom ...

C'est pourquoi ...

75

Rundstoofvlees

Carbonnades de boeuf

76

Een schop (tuingereedschap)

Bêche

77

Spade

Pelle

78

Riek

Fourche

79

Roestvrij staal

Acier inoxydable

80

Wegwerp-...

... jetable

81

Overgordijn

Tenture

82

Haak

Crochet

83

Inkorten

Raccourcir

84

Dankzij

Grâce à

85

Mondwater

Eau buccale

86

Vlekkenverwijderaar

Détachant

87

Inductiekookplaat

Plaque de cuisson à induction

88

Afdruiprek

Égouttoir

89

Bakvorm

Moule

90

Laag (verf, zakdoekjes)

Couche

91

Blauwe bes

Myrtille

92

Spuitzak

Poche à douille

93

Deegrol

Rouleau à pâte

94

Deegwieltje

Roulette à découper

95

Penseel

Pinceau

96

Zipperzakje

Sachet à glissière

97

Slakom

Saladier

98

Timer

Minuteur

99

Reikwijdte

Portée

100

Accuduur

Autonomie

101

Roggebrood

Pain de seigle

102

Krokant

Croustillant

103

(In meerdere sneetjes) gesneden

Tranché

104

Op tijd zijn

Être à l'heure

105

Opnemen/inhaken (de telefoon)

Décrocher/accrocher

106

Een tegenslag

Un contretemps

107

Een mislukking

Un échec

108

Schaken

Jouer aux échecs (m)

109

Boerenkool

Chou kale (m)

110

Ja, graag.

Oui, je veux bien.

111

Een rijstrook

Une bande

112

Een stamboom

Un arbre généalogique

113

De parkeerschijf

Le disque bleu

114

De voicemail

La boîte vocale

115

Een schommel

Une balançoire
Une escarpolette

116

De wip(wap)

La balançoire à bascule
Le tape-cul

117

De speeltuin

Le terrain de jeux

118

Een draaimolen

Un tourniquet
Un carrousel
Un manège

119

Een klimrek

Une cage à poules

120

Een zandbak

Un bac à sable

121

Een rekstok

Une barre fixe

122

Kantelen

Basculer

123

Uitgeput

Épuisé

124

Gehaast zijn

Être pressé(e)

125

Ter gelegenheid van

À l'occasion de

126

De ijzel

Le verglas

127

Een kortere weg naar

Un raccourci vers

128

Een kleefroller

Un rouleau à peluches

129

Een netwerk

Un réseau

130

Wees op uw hoede! Wees waakzaam!

Soyez vigilant(s) !

131

Een inbraak

Une infraction

132

Grofvuil

Encombrants (m)

133

Gewoonlijk

Habituellement

134

Typen

Taper

135

Betaalbaar

Abordable

136

Verzamelen

Rassembler

137

Opruimen, bijeenrapen

Ramasser

138

Bevorderen

Favoriser

139

Omhuld

Enrobé(e)

140

(Klagen en) zagen, zeuren

Râler

141

Onnozel doen, gekscheren

Plaisanter

142

Lachen (met?)

Rigoler

143

Rondspringen, jump around (dansen of meebewegen met de muziek)

Sautiller

144

Een tarief

Un tarif

145

Magazijn

Entrepot

146

Het nageslacht, kroost, de telgen, nakomelingen, kinderen

La progéniture

147

Leugens, leugenachtigheden, bedriegerij

Carabistouilles, mensonges, tromperies

148

Uitdoen, doven

Éteindre

149

Automatische uitschakeling

Extinction automatique

150

(Opblaas)ballonnen

Ballons à gonfler

151

Tank

Réservoir

152

Los (bv. thee, uien, aardappelen, tomaten, enz.)

En vrac

153

Mikken

Viser

154

Fluiten (een wijsje)

Siffloter

155

Zuchten

Soupir

156

Zich storten, zich spoeden

Se précipiter

157

Neerslag

Précipitations

158

Opklaringen

Éclaircies (f)

159

Knabbelen

Grignoter

160

(Be)klimmen

Escalader

161

Misnoegen uiten, tegensputteren, zeuren, protesteren

Rouspéter

162

Een scheet laten

Péter

163

Op straffe van

Sous peine de

164

Op dit moment

À l'heure actuelle

165

Op het vlak van (smaak)

Au niveau (goût)

166

Dat is de vraag.

Telle est la question.

167

Het maakt niet uit.

Peu importe.

168

Ongeacht
1. (Zijn nationaliteit)
2. (Wat het besluit is)

Peu importe
1. (sa nationalité)
2. (que soit la décision)

169

Met het doel te

De sorte à [infinitif]

170

In de toestand van onbebouwde grond

En état de terrain non-construit/non-bâti

171

Nooduitgang

Sortie de secours

172

Een klok (bel)

Une cloche

173

Een screenshot

Une capture d'écran

174

Een app

Une appli

175

Een afhaalpunt

Un point d'enlèvement

176

Tuinslanghaspel

Dévidoir pour tuyau d'arrosage

177

Meststof

Engrais

178

Druksproeier

Pulvérisateur à pression

179

Spoel/bobijn

Bobine

180

Grastrimmer

Débroussailleuse

181

Bloembak

Bac à fleurs

182

Sneakers

Des tennis

183

Waspoeder

Poudre à lessiver

184

Zure room

Crème épaisse

185

Vaatdoek

Lavette

186

Allesreiniger

Nettoie-tout

187

Wc-borstel

Brosse à WC

188

Vuilblik met handborstel

Ramassette avec brosse

189

Geheugenstick/USB-stick

Clé mémoire/clé USB

190

Ovenschaaltje

Barquette à four

191

Afwasborstel

Brosse à vaisselle

192

Eierkoker

Cuit-oeufs

193

Tablet

Tablette

194

Opgepast voor (...)

Gare à (...)

195

(... in) de schijnwerpers/spotlight

Pleins feux (sur)

196

Een kattenbak

Une litière

197

Wat dan ook/wat het ook moge zijn

Quoi que ce soit

198

Teen

Orteil

199

Zich stoten

Se cogner

200

Ontsnappen

S'échapper

201

Druk bezet zijn

Être fort occupé(e)

202

Vrolijk Pasen!

Joyeuses Pâques !

203

Een bloedafname

Une prise de sang

204

Een matrasbeschermer

Une alèse/alaise

205

Huisarts

Médecin de famille

206

Elke keer

À chaque fois

207

Leeggoed

Vidange

208

Raspen

Râper

209

Leuk

Chouette, sympa

210

Touw

Corde

211

Potgrond

Terreau

212

Pijnboompitten

Pignons de pin

213

Tussendoortje, snack

En-cas

214

Krokant

Croustillant(e)

215

Inbussleutel

Clé hexagonale

216

Over een uur

D'ici une heure

217

Het lijkt op / het lijkt alsof (je zou zeggen dat)

Ça ressemble à / on dirait (que)

218

Zich wenden tot

Se rendre à

219

Uit de handen trekken/rukken van

Arracher des mains de

220

Overkomen

Survenir

221

Bewijzen, getuigen

Attester

222

Kuit

Le mollet

223

In het ergste geval

Au pire des cas

224

Er is veel volk

Il y a du monde

225

Het is mogelijk dat

Il se peut que

226

Vat

Fût

227

Daarom, daardoor, (plotseling, van de slag?)

Du coup

228

Mijn spullen/zaken

Mes affaires

229

Cash (betalen)

(Payer) en espèces

230

Een nieuwe release

Une nouvelle parution

231

Verbeteren/verslechteren

Améliorer/empirer

232

Op de dansvloer

Sur la piste (de danse)

233

Een bestelling doorgeven

Passer une commande

234

Zich herpakken

Se reprendre

235

Zich laten (infinitiefvorm werkwoord)

Se faire (verbe en infinitif)

236

Er is iets dat niet klopt/spoort, er is iets mis

Il y a quelque chose qui cloche

237

Onderaan/op de bodem van, achterin

Au fond de

238

Eerlijk gezegd, in alle openheid

Franchement

239

De berekening

Le calcul

240

Een storm

Une tempête

241

Goudenregen

Cytises (m)

242

Blauweregen

Glycines (f)

243

Voorschieten

Avancer

244

Wie we daar hebben!

Qui voilà !

245

Krap

Serré(e)

246

Ten onrechte

À tort

247

Terecht

Justifié(e), à juste titre

248

Bij

Auprès de, chez

249

Naar (iemand) toe

Envers

250

Opluchting

Soulagement

251

De tandsteen

Le tartre

252

Schoenmaker

Cordonnier

253

Dakgoot

Corniche

254

Een zijstraat

Une rue transversale

255

Striptang

Pince à dénuder

256

Lijmklem

Serre-joint

257

Een priem

Une alêne, un poinçon

258

Een plug

Une cheville

259

Een draaiorgel

Un orgue de Barbarie

260

Een kruimel

Une miette

261

Nuchter (zoals bv. Voor een operatie of een bloedafname)

À jeun

262

Druppelflesje

Flacon compte-gouttes

263

Vink

Pinson

264

Klei

Argile, terre glaise

265

Later

Ultérieurement

266

Een afkorting

Une abréviation

267

Het ongemak

Le désagrément

268

Begrip

Compréhension

269

Een happertje

Une cocotte en papier

270

Ze hoeft (alleen) maar te ...

Elle n'a qu'à ...

271

Heraanleg

Réaménagement

272

Toch, nog steeds, desondanks, hoe dan ook, niettemin

Tout de même

273

De steel

La tige

274

Een schroefoog

Un piton à visser

275

CVC (card verification code)

Cryptogramme visuel (de la carte)

276

Zich ontdoen van

Se débarasser de

277

Een vrije trap

Un coup-franc

278

Lak

Vernis

279

Mobiele/draagbare harde schijf

Disque dur portable

280

Schaamhaar

Poils pubiens

281

Enerzijds ... anderzijds ...

D'une part ... d'autre part ...

282

De wesp

La guêpe

283

Naar mijn gevoel

À mon sens

284

In theorie

Théoriquement

285

Een (geld)afname van de zichtrekening

Un retrait (de X euros) du compte courant

286

Heup

Hanche

287

Raspen

Râper

288

Schrapen

Gratter

289

Krabben

Gratter

290

Een cruise, rondvaart

Une croisière

291

Een verkeersbord

Un panneau routier, un panneau de signalisation, un panneau indicateur

292

De bijsluiter

La notice

293

Een cavia

Un cochon d'Inde

294

Dat (het) komt goed uit (dat...)

Ça tombe bien (que...)

295

Drinkwater

L'eau potable

296

Een draagmoeder

Une mère porteuse

297

Een verborgen gebrek

Un vice caché

298

Deelgemeente (België)

Section, commune avant fusion, ancienne commune

299

Elkaar overlappen

Se superposer, coïncider, se chevaucher

300

Krullen

Boucles

301

Een tussenpersoon

Un intermédiaire

302

Een vennootschap onder firma

Une société en nom collectif

303

Voor zover dat

Pour autant que

304

Ten minste
Tenminste

Au moins
Du moins

305

Vervallen, verwaarloosd, verloederd, gammel, krakkemikkig

Délabré(e)

306

Struik

Buisson

307

De vingerzetting

Le doigté

308

De pink

L'auriculaire (m), le petit doigt

309

De duim

Le pouce

310

De ringvinger

L'annulaire (m)

311

De middelvinger

Le majeur, le médius

312

De wijsvinger

L'index (m)

313

Een vak (van een tabel)

Une case

314

Een gehucht

Un hameau

315

Vlierbes

Sureau

316

Blauwe bessen

Myrtilles

317

Verzamelen, opruimen

Rassembler, ramasser

318

Bevorderen

Favoriser

319

Een voordeel, een nadeel

Un avantage, un désavantage

320

Omhuld

Enrobé

321

Zeuren, sakkeren, foeteren

Râler

322

Rondspringen, dansen, meebewegen met de muziek

Sautiller

323

Een tarief

Un tarif

324

Een magazijn

Un entrepôt

325

Het nageslacht, de telgen, de nakomelingen, het kroost, de kinderen

La progéniture

326

Bedrog, leugens

Tromperies, mensonges, carabistouilles

327

Gebeuren, overkomen

Survenir

328

Smeerkaas

Fromage fondu

329

Voluit geschreven

En toutes lettres

330

De wegenbelasting

La taxe de circulation

331

Een taxi

Un taxi

332

Even of oneven

Pair ou impair

333

Een spreeuw

Un étourneau (sansonnet)

334

Een cijfer
Een getal

Un chiffre
Un nombre

335

Een parelhoen

Une pintade

336

Een meeuw

Une mouette

337

In brede zin

Au sens large

338

De stad, stedelijk
De gemeente, gemeentelijk

La ville, urbain(e)
La commune, municipal(e)/communal(e)?

339

Het loket

Le guichet

340

Bedlegerigheid, platte rust

L'alitement (m)

341

Kleinkrijgen

Mater

342

Bespieden

Guetter, espionner

343

Mishandeling(en)

Sévices (m)

344

Tuinbouw, horticultuur

Le maraîchage, horticulture/agriculture maraîchère (f)

345

Een tegel

Un carreau (, une tuile?)

346

Een dakpan

Une tuile (de toit)

347

De darmen

Les intestins (m)

348

Een gast(e)

Un(e) invité(e)/hôte

349

Een stewardess

Une hôtesse de l'air

350

Ja, graag.

Oui, je veux bien.

351

Zich verheugen

Se réjouir

352

Mengen
Vermengen
Zich mengen

Mêler
Mélanger
Se mêler

353

Het tandwiel

La roue dentée

354

(Nog) niet veel (goeds)

Pas (encore) grand-chose (de bon)

355

Ik ga het hem zeggen

Je vais le lui dire

356

Het spijt me/ik betreur het, maar...

Je regrette, mais...

357

Gewoonlijk

D'habitude, d'ordinaire

358

Van(wege) wie?

De la part de qui?

359

Ik weet het niet

Je l'ignore

360

Een overdrijving

Une exagération

361

De roeschouwers, het publiek

Les spectateurs

362

Ieder ogenblik

D'un moment à l'autre

363

Iemand met veel geluk

Quelqu'un de bonne figure

364

Vanzelf

Tout seul

365

Zonnepannelen

Panneaux photovoltaïques (m)

366

Een gemeenschap, mandeligheid

Une mitoyenneté

367

Een onderhoud

Une maintenance

368

Vloeiend spreken

Parler couramment

369

Een moestuin

Un jardin potager

370

Kloek, potig, guitig, deugnieterig

Gaillard(e)

371

High

Défoncé(e)

372

Bestand
Map
Drive/schijf
Tabblad

Fichier
Dossier
Lecteur
Onglet

373

Een rups

Une chenille

374

Een (regen)worm

Un ver (de terre)

375

Een poging
Een verleiding

Une tentative
Une tentation

376

Bruin brood

Le pain gris

377

Een bit
Een byte
Een megabyte

Un bit
Un octet
Un méga-octet

378

De grootte (van een computerbestand)

La taille

379

In behandeling

En cours de traitement

380

Onderwerp (van een mail)

Objet

381

Onroerend erfgoed

Patrimoine immobilier

382

Met andere woorden

Autrement dit

383

De pastinaak

Le panais

384

De chip (van een identiteitskaart)

La puce

385

Klei

Argile (f)

386

Graven

Creuser

387

Potgrond

Terreau

388

Een els (boom)

Un aulne

389

Een schoenmaker

Un cordonnier

390

Een bord, spandoek

Une pancarte

391

Een spandoek

Une banderole, un calicot, un drapeau, une bannière

392

(Reserve)onderdelen

Pièces (de rechange)

393

Bijdragen aan

Contribuer à

394

Uitschakelen, doven
Uitschakeling

Eteindre
Extinction

395

(Opblaas)ballonnen

Ballons à gonfler

396

Tank

Réservoir

397

Los (bv. thee, uien, aardappelen, enz.)

En vrac

398

Mikken

Viser

399

(Een wijsje, liedje) fluiten

Siffloter (un air, une chanson)

400

Blazen

Souffler

401

Zuchten

Soupir

402

Zich spoeden, zich storten

Se précipiter

403

Neerslag

Précipitations

404

Een (regen)bui

Une averse

405

Opklaringen

Eclaircies (f)

406

Knabbelen

Grignoter

407

Knagen

Ronger

408

(Be)klimmen

Escalader

409

Misnoegen uiten, tegensputteren, zeuren, protesteren

Rouspéter

410

Een touw strak trekken

Tendre une corde

411

De armen uitstrekken

Tendre les bras

412

De hand uitsteken

Tendre la main

413

Een blaar

Une ampoule

414

Het lijkt wel (alsof (je/me, zou zeggen dat))...

On dirait (que)

415

Vrijwillig

Volontairement

416

Waterkoker

Bouilloire

417

Kerststal

Crèche de Noël

418

Stal

Ecurie

419

Knipperen

Cligner, clignoter

420

Knipogen

Faire un clin d'oeil, cligner de l'oeil, cligner des yeux

421

Het knipperen (van de ogen)

Le clignement

422

In het voordeel van

À l'avantage de

423

snurken

ronfler

424

Gevolg geven aan - er gevolg aan geven
Een kopie nemen van - er een kopie van nemen

Donner suite à - y donner suite
Faire une copie de - en faire une copie

425

Voortbrengen, genereren, teweegbrengen

Engendrer

426

Het onderwerp zijn van

Faire l'objet de

427

Ik ben geworden

On m'a

428

Er is nodig(/ik heb nodig)

Il (me) faut

429

Peiling, steekproef

Le sondage

430

dikte
diepte
breedte
lengte
hoogte

épaisseur
profondeur
largeur
longueur
hauteur

431

omtrek

circonférence

432

de inhoud (van een recipiënt - dus ruimtelijk gezien), het volume
de inhoud (van bv. een boek - dus de inhoud zélf)

la contenance, le volume
le contenu

433

de oppervlakte
het oppervlak

la superficie
la surface

434

Een situatie verduidelijken/toelichten

Clarifier un situation

435

Zoals het hoort

Comme il se doit

436

Alvast

D'ores et déjà

437

Iets anders

Autre chose

438

Veel, niet weinig

Pas mal de

439

Niet veel

Pas grand-chose

440

Alles aaneen geschreven, in één woord

En un mot, tout collé, tout attaché

441

Op de hoogte brengen, waarschuwen

Prévenir, avertir

442

Tot iets dienen

Servir à quelque chose

443

Steunen

Soutenir

444

Zien hoe de vork in de steel zit, wat er van aan is

Voir ce qu'il en est

445

Vrijblijvend

Sans obligation

446

Verbieden

Interdire
Prohiber (légalement)

447

een verbod

une interdiction
une défence
une prohibition

448

voor alle doeleinden

à toutes fins utiles

449

op korte termijn

à court terme

450

iemands aandacht op iets vestigen

attirer l'attention de quelqu'un sur quelque chose

451

Per ongeluk

Par erreur

452

Behoudens vergissing

Sauf erreur

453

Wordt vervolgd, to be continued

à suivre

454

Vervolg en einde

suite et fin

455

Het is een rotzooi, het slaat nergens op

C'est du n'importe quoi

456

Een rommel

Une pagaille, un bordel

457

Zowel .. als

Aussi bien ... que
À la fois ... et

458

Hoe dan ook, op eender welke manier

D'une manière ou l'autre

459

In de buurt

Dans le coin

460

Prijs inclusief (alle) belasting(en) (BTW)

Prix TTC (= toutes taxes comprises)

461

Peperkoek

Pain d'épices

462

Terugstorten

Rembourser, restituer

463

Een beloning, een award

Une récompense

464

Optellen
Aftrekken
Vermenigvuldigen
Delen

Additionner, ajouter
Décompter, déduire, soustraire
Multiplier
Diviser

465

Een optelling
De som
De termen
Een aftrekking
Het verschil

Une addition
La somme
Les termes (m)
Une soustraction
La différence

466

één plus één is twee

un plus un égale deux

467

drie min twee is één

trois moins deux font un

468

Een vermenigvuldiging
De factoren
Het product
Een deling
Het quotiënt

Une multiplication
Les facteurs (m)
Le produit
Une division
Le quotient ou le rapport

469

drie maal vier is twaalf

trois fois quatre égale douze
trois multiplié par quatre égale douze

470

Schuine streep

Barre oblique (f)

471

Backslash

Barre oblique inversée, antislash, backslash, contre-oblique

472

Gelijkteken

le signe égal

473

Winst

Le bénéfice
Le profit

474

De kleerhanger

Le cintre

475

De kapstok

Le portemanteau

476

We nemen er nota van/ik neem er nota van

One en prend note, j'en ai pris note

477

Lâcher
Se lâcher

Loslaten
Zich laten gaan

478

In de loop van

Dans le courant de

479

Stroom (elektriciteit)

Courant

480

Laten

Laisser

481

Rouw

Deuil

482

Ondoorzichtig

Opaque

483

Zeemvel

Peau de chamois

484

Gesneden (bv. brood)

Tranché

485

Plakjes, sneetjes, schijfjes, lapjes

Tranches (f)

486

(Ronde) schijfjes

Rondelles (f)

487

Reepjes

Lanières (f)

488

Blokjes

Dés (m), cubes

489

Gehakt

Haché

490

Puree

Purée

491

Stalamp

Lampadaire

492

Lampenkap

Abat-jour

493

Gastvrij, gezellig, verwelkomend

Accueillant, chaleureux

494

Smeuiig

Onctueux

495

Toebehoren aan (het is al van die persoon)
Toekomen aan (het zou van die persoon moeten zijn)

Appartenir à
Revenir à

496

Zo ja, in voorkomend geval

Dans l'affirmative, le cas échéant

497

De bijsluiter

La notice

498

Zaad(jes) (lijn-, chia-, sesam-, hennep-, pompoen-)

Graines (de lin, chia, sésame, chanvre, citrouille/courge) (f)

499

Een soort (van)

Une espèce de

500

Het staat u vrij te

Il vous est loisible de

501

Een verstopte neus hebben

Avoir le né encombré

502

Nochtans, ...

Pourtant, ...

503

Als ik het me goed herinner

Si mes souvernirs sont bons

504

Bij wijze van spreken

Façon de parler

505

Mijn kalender/agenda overlopen/doornemen

Parcourir mon calendrier/agenda

506

Pleister

Sparadrap

507

Vervallen, nietigverklaard

Caduque

508

Een weiland

Une pâture

509

Sergeant

Sergent

510

Doktersvoorschrift

Une ordonnance

511

Een hittegolf

Une canicule

512

Op tijd zijn

Être à l'heure

513

Hoe komt het dat...

Comment ça se fait que...

514

Ontvoering
Ontvoerd worden

Enlèvement
Être enlevé(e)(s)

515

Kan het ermee door?

ça passe ?

516

Kwal

Méduse

517

Inktvis

Poulpe

518

Spinnenweb

Toile d'araignée

519

Vingerafdruk

Une empreinte (digitale)

520

Een vetplant

Une plante succulente

521

Stippen

Pois

522

Klaver

Trèfle

523

Schuim

L'écume (f), la mousse

524

Glas in lood

Vitrau

525

Een teen(tje) knoflook

Une gousse d'ail

526

Restafval

Déchets résiduels

527

Beitel

Burin

528

Boor

Foret

529

Papierversnipperaar

Broyeur de papier

530

Niezen

éternuer

531

Hoesten

Tousser

532

Afvoerbuizen

Tuyaux d'évacuation

533

Wc-rolhouder

Porte-rouleau de papier wc

534

Snijplank

Planche à découper

535

Servies

Service

536

Het bestek

Les couverts (m)

537

Vloeibaar wasmiddel

Lessive liquide

538

Waspoeder

Poudre à lessiver/lessive en poudre

539

Wasverzachter

Adoucissant

540

Gebakvorkje

Fourchette à gateau

541

Kraan met uittrekbare/loskoppelbare sproeikop

Robinet avec tête extensible/détachable

542

Ontvlekker

Détachant

543

Een vlek

Une tache

544

Draadloos printen

Impression sans fil

545

Wc-bril
Wc-zitting

Lunette de wc
Abattant wc

546

Drukknop

Bouton-poussoir

547

Badhanddoek

Drap de bain

548

Washandje

Gant de toilette

549

Ladekast

Meuble à tiroirs

550

Een lade

Un tiroir

551

Een gebouw oprichten
De oprichting van een gebouw

édifier un bâtiment
L'édification d'un bâtiment

552

Een uitdaging

Un défi

553

Niet te missen

à ne pas louper

554

Een ontspannen sfeer

Une atmosphère détendue

555

De omgeving (omstreken)
In de buurt van

Les alentours
Aux alentours de

556

De handpalm

La paume de la main

557

De dagelijkse hoeveelheid

Les quantités journalières

558

Koken (boil)
Koken (cook)

Cuire
Cuisiner

559

Bakken, frituren

Frire

560

Een veldfles

Une gourde

561

De leiband

La laisse

562

Het onverwachte/onvoorziene

Les imprévus

563

Kleurboek

Album à colorier

564

Dweil

Torchon

565

Kurk (materiaal)
Kurk (op een fles), dop

Le liège
Le bouchon

566

Laminaat(vloer)

Sol stratifié

567

Braadpan

Une sauteuse

568

Kookpot

Une casserole

569

Film (materiaal)

Folie

570

Droogrek

Séchoir à linge

571

Wasmand

Panier à linge

572

Waszakje/-netje

Filet à linge

573

Rits(sluiting)

(Une fermeture à) glissière, une tirette

574

De kropsla

La laituecoue

575

Duim

Le pouce

576

Verstuiven

Vaporiser

577

Een kussensloop

Une taie

578

Hoeslaken (van een matras)

Un drap-housse

579

De kom

Le bol

580

Rauwe groenten

Crudités

581

Blik (materiaal)

Fer blanc

582

Bithouder

Porte-embout

583

Haak

Crochet

584

Een korset

Un corset

585

Verdwalen

S'égarer, se perdre

586

Het hoofd schudden

hocher la tête

587

Schaaldieren

crustacés

588

Een washok, linnenkamer

Une buanderie

589

Een (kleine) vrachtwagen

Fourgon(nette), camion(nette)

590

Textiel verven

La teinture

591

Stof (materiaal)

Le tissu

592

Opdringerig, doordringend

envahissant

593

Een oldtimer

Une ancêtre

594

Bijhouden
Vasthouden
Bewaren

Garder
Tenir
Conserver

595

Een sampler

Un échantillonneur

596

Een kettingzaag

Une tronçonneuse

597

Kaftpapier

Papier à recouvrir

598

Een passer (gerei)

Un compas

599

Een kompas

Une boussole, un compas

600

Snack

Un en-cas, encas

601

Snoeischaar

Un sécateur

602

Een haagschaar

Un taille-haie

603

Een druksproeier

Un pulvérisateur à pression

604

Ruitensproeivloeistof

Produit pour lave-glace, liquide lave-glace

605

Spanband

sangle d'arrimage

606

Kras
Schram

Rayure
Griffe

607

Douchekop

Pommeau de douche

608

Tang

Pince

609

Schrappen

Biffer, radier

610

Rolschaatsen

Patins à roulettes

611

Korting/afslag

une remise

612

Een doel bereiken

Parvenir à, arriver à, réussir, atteindre un but

613

Trakteren

Régaler

614

(Nee,) U bent bedankt!

C'est moi qui vous remercie !

615

Trouwens, nu we het erover hebben, wat ik (nog) wilde zeggen

À propos, ...

616

De kans hebben

Avoir l'occasion

617

Een richt-, oriëntatie-, aanknopings-, ijkpunt

Une point de repère

618

Zich oriënteren

Se repérer, s'orienter

619

Meermaals

À plusieurs reprises

620

In drukletters in te vullen

À remplir en caractères imprimés

621

Een aannemer

Un entrepreneur

622

Schaatsen

Patiner

623

Fietsen

Faire du vélo

624

Een aquaduct

Un aqueduc

625

Een pompoen

Une citrouille

626

Een aannemer

Un entrepreneur

627

Een aankondiging (geboortekaartje, enz.)

Un faire-part

628

Vervolgen, achtervolgen, voortdurend lastigvallen

Poursuivre

629

Stalken
Lastigvallen, bestoken, belagen

Traquer
Harceler

630

Missen, mislukken, verknoeien

Rater

631

De navelstreng

Le cordon ombilical

632

Uitwisseling, correspondentie

Des échanges

633

Uitlokken, triggeren

Provoquer

634

Een lattenbodem

Un sommier à lattes

635

Enkellaarsjes met sleehak

Bottines à talons compensés

636

Een badjas, kamerjas

Un peignoir

637

Een spons

Une éponge

638

Talrijk

Nombreux

639

Stil
Zwijgzaam

Silencieux/-euse
Taciturne

640

Luidop nadenken

Réfléchir tout haut

641

Op schoot

Sur les genoux

642

Pitloze blauwe druiven

Raisins noirs sans pépins

643

Het aftellen

Le compte à rebours

644

Schorseneren

Salsifis

645

Doperwten

Petits pois

646

In voorraad

En stock

647

De kalender

Le calendrier

648

Spanklemmen

Serre-joints

649

Dashcam

Caméra de bord

650

Waterkoker

Bouilloire

651

Een krans

Une couronne

652

Een slinger

Une guirlande

653

Bakkebaarden

Pattes

654

Een schoenspanner

Un embauchoir

655

Suède

Daim, suède

656

Messing

Laiton

657

Een manier

Une façon, une manière

658

Een uitdrukking

Une locution, une expression

659

Een spreekwoord

Un proverbe

660

Een gezegde, een zegswijze

Un dicton

661

Bij wijze van spreken

Façon de parler

662

Met andere woorden, anders gezegd

Autrement dit