FS thema 4 Flashcards Preview

thema 4 > FS thema 4 > Flashcards

Flashcards in FS thema 4 Deck (75):
1

Beschrijf de liggen en de functie van de hypothalamus

- In de tussenhersenen
- Zorgt voor de homeostase
- Stuurt de hypofyse aan

2

Wat is de functie van de hypofyse?

stuurt de hormoonklier aan

3

Welk hormoon maar de schildklier?

calcitonine en thyroxine

4

Welk hormoon maar de bijschildklier aan?

parathormoon

5

Welk hormoon maakt de bijnierschors aan?

cortisol

6

Welke hormoon maakt de bijniermerg aan?

(nor)adrenaline

7

Welk hormoon maakt de alvleesklier aan?

insuline, glucagon

8

Welk hormoon maken de eierstokken aan?

oestrogeen

9

Welk hormoon maken de testes aan?

testosteron

10

welke organen worden geregeld door de hypofyse?

schildklier, bijschildklier, bijnieren, alvleesklier, eierstokken, testes

11

Wat doet calcitonine?

botaanmaak, calciumconcentratie te hoog

12

wat doet parathormoon?

botafbraak, calciumconcentratie te laag

13

Wat regelt cortisol?

- stress hormoon
- remt ontstekingsproces
- remt werking fibroblasten
- stimuleert fibroclasten
- stimuleert gluconeogenese
- cortisolpiek als glucose op is, man met de hamer
- corticosteroïden --> kunstmatig cortisol, remt ontsteking. Stimuleert spier- en botafbraak.

14

Waar zorgt insuline voor?

glycogenese

15

Waar zorgt glucagon voor?

glyconeolyse

16

Waar zorgt oestrogeen voor?

- Wordt minder geproduceerd na de overgang
- stimuleren osteoblasten --> meer en sterker bot.

17

Waar zorgt testosteron voor?

- Stimuleert eiwitsynthese (hypertrofie)
- Extra snelle verbening epifysair schijf
- Anabole steroïden --> afgeleid van testosteron, wordt ook gebruikt om VO2max te verbeteren (meer rode bloedcellen). Bijwerkingen: agressief, mannelijke kenmerken, beschadiging lever, verminderde vruchtbaarheid, slapeloosheid.

18

De fases van bindweefsel herstel

- Ontstekingsfase (0-5 dagen)
- Proliferatie fase (5-21 dagen) = productiefase
- Remodelleringsfase (21-360 dagen)

19

Wat gebeurt er in de ontstekingsfase?

- Lichaamseigen reactie op weefselbeschadiging (pijn, roodheid, dik)
* invasie macrofagen, leukocyten, afweerreactie

- onstekingsmediatoren komen vrij
* brandykinine --> vasodilatatie en meer permeabel maken van dat bloedvat (rumor, tumor, calor)
* histamine --> vasodilatatie en meer permeabel maken van het bloedvat. (rumor, tumor, calor)
* prostaglandine (dolor)
* substance P (dolor)

- bestaat uit:
* vasculaire fase --> start reparatie vaatsysteem
* cellulaire fase --> nieuwe verbindingen maken

20

Wat gebeurt er in de proliferatie fase (5-21 dagen) = productiefase

- Aanmaak nieuwe functioneel bindweefsel.
- Intensieve collageen type III productie
- Stimuleren lokale doorbloeding.
- Myofibroblast --> wondcontractie
- 'Keep them moving'
* Goede organisatie vezels, tegengaan verkorting pees
* Minder littekens, litteken is niet goed hersteld stuk

21

Wat gebeurt er in de remodelleringsfase (21-360 dagen)?

- Collageen stabieler en dikker
- Ombouw van collageen type III naar type I
- Verhoogde aanmaak grondsubstantie (GAG's en PG's)
- Crosslinking
- Bestaat uit:
* vroege/ consolidatiefase
* late/organisatiefase

22

De volgorde van groot naar klein van spier opbouw

muscle -->
epimysium -->
endomysium -->
perimysium -->
fasciculus -->
muscle fiber-->
myofibril

23

Wat doet thyroxine

- Rustmetabolisme (hoeveel energie wordt geproduceerd met uur)
- Verbranden van suikers en vetten, energie produceren.
- Stimuleert samen met groeihormoon de bosgroei. Groeihormoon stimuleert celdeling in epifysairschijf, thyroxine levert de benodigde energie voor de groei.

Als je op volwassen leeftijd te veel groeihormoon hebt groeien platte en onregelmatige beenderen door. Dit heet acromegalie

24

Wat doet (nor)adrenaline

- Activeren formatie reticularis in hersenstam (spierspanning brouwsel, slaap-waak etc.)
*ARAS/DRAS

- bloedverdeling --> vasodilatatie/-constrictie
* meer bloed naar egotrope organen (hart, spieren etc.)
* Minder bloed naar trofotrope organen (spijsverteringsstelsel)

- Stimuleert glycogenolyse
- Is ook een neurotransmitter (plaatselijk en sneller)

25

Wat doet diabetes typ II?

insulineongevoeligheid, dan krijg je hyperglykemie
- Kan neuralgie en paresthesieën als gevolg hebben.
- kan rozen schouder veroorzaken
- bloedvaten nemen af in elasticiteit

26

Wat zijn de basisvormen van pijn?

- Somatogeen
- Viscerogeen
- Neurogeen
- psychogeen

27

Wat houdt somatogeen in?

- huid
- nauwkeurig plaats en tijd

28

Wat houdt viscerogeen in?

- organen
- referee pijn --> de pijn uit zich ergens anders

29

Wat houdt neurogeen in?

- zenuwen
- project --> pijn uit zich in het innervatiegebied van de zenuw

30

Uit welke tweedelig bestaat het zenuwstelsel?

anatomisch en functioneel

31

Wat houdt het anatomische zenuwstelsel in?

centraal en perifeer

32

Wat houdt het functionele zenuwstelsel in?

vegetatief (onbewust)
- parasympatisch (rust)
- orthosympatisch (actie)
animaal (bewust)

33

Welke drie soorten propriosensoren heb je?

- spierspoel
- golgi-pees sensor
- kapsel en ligamenten sensoren

34

wat zijn 3 kenmerken van een spierspoel?

- Registreert de lengte van de spier
- geeft afferente de sensorische informatie van het spierspoeltje door
- Spierspoeltje zit om de intrafusale spiervezel

35

welke twee soorten spiervezels zijn er?

intrafusaal
extrafusaal

36

wat zijn intrafusale spiervezels?

- zit spierspoel omheen
- geinnerveerd door gamma motorneuron

37

Wat zijn extrafusale spiervezels

- normale spiervezels met actie en myosine
- geinnerveerd door alfa motorneuron

38

Welke twee motorneuronen zijn er?

- alfa motor neuron
- gamma motor neuron

39

Wat doet een alfa motor neuron?

contractie

40

Wat doet een gamma motor neuron?

spierspanning, zorgt ervoor dat de intrafusale spiervezel strak staat

41

Wat is een myotatisch reflex?

spierspeeltje registreert een langere spier --> via 1a afferent naar ruggenmerg --> alfa motorneuron --> spier verkort weer naar orginele lengte

42

Welke drie kenmerken horen bij een alfa gamma koppeling?

- Zorgt ervoor dat spierspoeltjes bij elke lengte van de spier werken
- Bij een verkorte spier worden de intrafusale spiervezels weer strak getrokken. signaal voor spierspanning komt via de 1a afferent.
- Formatio reticularis zorgt voor spierspanning via DRAS.

43

Wat is een reciproke inhibitie?

aanspanning van agonist leidt tot ontspanning van antagonist

44

Wat zijn 3 kenmerken van een golgi-pees sensor?

- Registreert kracht op de pees
- geeft sensorische informatie via de 1b afferent aan het ruggenmerg
- autogene inhibitie --> te veel kracht op de pees leidt tot ontspanning van de bijbehorende spier (beschermingsmechanisme)

45

Hoeveel verschillde type kapsel en ligament sensoren zijn er?

4.
type I tot en met type IV

46

Van het kapsel en ligament sensoren. Wat houdt type I in?

- proprioceptie
- over hele oppervlak kapsel

47

Van het kapsel en ligament sensoren. Wat houdt type II in?

- Bewegingssnelheid
- Diep in kapsel

48

Van het kapsel en ligament sensoren. Wat houdt type III in?

- ligamentaire sturing
- Ligament

49

Van het kapsel en ligament sensoren. Wat houdt type IV in?

nociceptoren

50

Wat wordt er bedoelt met "het kracht lengte relatie van de spier"?

- spiermodel van Hill

51

Waar staat CC, PEC, SEC voor in het spiermodel van Hill?

CC = Contractiele Component

PEC = Parallel Elastische Component (epi-, peri-, endomysium)

SEC = Serieel Elastische Component (spierpees)

Meeste spierkracht van CC bij helft van de lengte (als alle myosinekopjes net wel gebonden zijn), maar door elastische werking van PEC en SEC is de ideale lengte op de volledige lengte.

52

Uit welke 4 loben bestaat de cerebrum?

- frontale lob
- partietale lob
- temporale lob
- occipitale lob

53

Wat wordt er geregeld in de frontale lob?

- motoriek
- persoonlijkheid/ motivatie

54

Wat wordt er geregeld in de parietale lob?

- tast
- proprioceptie

55

Wat wordt er geregeld in de temporale lob?

- reuk
- horen/verstaan
- smaak

56

Wat wordt er geregeld in de occipitale lob?

zicht

57

Wat wordt eg geregeld in truncus cerebri?

- vegetatieve regulatie (bloeddruk, ademhalen, hartregulatie
- coördinatie
- reflex van het hoofd zelf

58

Welke twee segmenten zijn er?

witte stof (snelweg)
grijzen stof (overdracht)

59

noem 3 sensorische zenuw

- achterwortel = radix posterior
- cellichaam in dorsale ganglion
- achterhoorn

60

noem 3 motorische zenuwen

- voorhoorn
- voorwortel (radix anterior)
- cell lichaam in voorwortel

61

Uit hoeveel hemisferen bestaan de hersenen?

2.
links en rechts

62

Wat doet de linker hemisfeer?

taal, wiskunde, schrijven

63

Wat doet de rechter hemisfeer?

muziek, ruimtelijk inzicht, creativiteit, (ziekte) inzicht

64

Wat regelt de formatio reticularis op subcorticaal niveau?

slaap-waakregulatie en spierspanning

65

Wat regelt de cerebellum op subcorticaal niveau?

externe bijsturing (tafel) en fijne motoriek

66

Wat regelt de basale ganglia/kernen op subcorticaal niveau?

- De 4 S'en
Starten, Stoppen, Soepelheid, Snelheid.
- interne bijsturing (Parkinson)

67

Wat regelt de thalamus op subcorticaal niveau?

regelcentrum

68

Wat regelt de hypothalamus op subcorticaal niveau?

homeostase

69

Wat regelt het limbische systeem op subcorticaal niveau?

geheugen en emotie

70

Welke 4 stappen zijn er bij een sacromeer?

- Cross bridge formation
- the power stroke
- cross bridge detachment
- reactivation of myosine head

71

Wat gebeurt er in stap 1 van sacromeer?

geactiveerde myosinekopje bindt aan actine om een crossbrigde te vormen. Inorganic fosfaat komt vrij en de band tussen myosine en actine wordt sterker

72

Wat gebeurt er in stap 2 van sacromeer?

ADP wordt vrij gelaten en de geactiveerde myosinekopje trekt de dunne myofilement naar het midden van de sacromeer

73

Wat gebeurt er in stap 3 van sacromeer?

wanneer een ander ATP bindt aan het myosinekopje wordt de verbinding tussen het myosine kopje en actine zwakker en laat het myosine kopje los

74

Wat gebeurt er in stap 4 van sacromeer?

ATP wordt ADP en P. De energie die hier vrij komt geactiveerd het myosinekopje en brengt het weer naar de beginpositie.

75

Wat gebeurt er als Ca2+ vrij komt bij sarcromeren?

De vrijgekomen Ca2+ maakt de bindplekken vrij.
Ca2+ gaat binden aan troponine.
Troponine gaat van vorm veranderen.
Hierdoor verschuift het blokkerende tropomyosine en kan de myosinekopjes binden aan actine.