Functie van tekstgedeelte Flashcards Preview

Nederlands > Functie van tekstgedeelte > Flashcards

Flashcards in Functie van tekstgedeelte Deck (39):
1

Aanbeveling (advies)

De schrijver komt, meestal aan het eind van zijn artikel tot een goede raad of advies

2

Aanleiding

Omstandigheid die de schrijver ertoe brengt zijn tekst te schrijven.

3

Afweging

De schrijver weegt voor- en nadelen of mogelijke oplossingen tegen elkaar af en maakt zo een keuze

4

Argument

De schrijver geeft aan waarom hij iets vindt

5

Beantwoording

De schrijver geeft antwoord op een eerder gestelde vraag

6

Beantwoording

De schrijver geeft een nauwkeurig antwoord op een eerder gestelde vraag

7

Begrips-omschrijving

de schrijver geeft een nauwkeurige omschrijving van een bepaalde term

8

Beoordeling

De schrijver geeft een positief of een negatief oordeel over een onderwerp

9

Bewering

De schrijver verkondigt zijn mening

10

Bewijs(voering)

de schrijver probeert de juistheid van een stelling of theorie aan te tonen met feiten

11

Conclusie

De schrijver komt, op grond van het voorafgaande, tot een gevolgtrekking

12

Constatering

De schrijver stelt iets vast, merkt iets op

13

Definitie

De schrijver geeft een nauwkeurige omschrijving van een bepaalde term

14

Doelstelling

De schrijver geeft aan wat hij wil bereiken

15

Gevolgen

De schrijver beschrijft de gevolgen die door een verschijnsel veroorzaakt zijn

16

Hypothese

De schrijver veronderstelt iets dat hij nog moet bewijzen

17

Karakterisering

De schrijver geeft de voornaamste kernmerken van een verschijnsel

18

Nuancering

De schrijver zwakt een standpunt iets af door te laten zien dat er ook andere gezichtspunten zijn

19

Ontkenning

De Schrijver ontkent de juistheid van een bewering

20

Oorzaak

De schrijver geeft aan waardoor iets si geworden zoals het is

21

Oplossing

De schrijver geeft een oplossing voor een bepaald probleem

22

Opsomming

De schrijver geeft een reeks van argumenten, voorbeelden, verklaringen enzovoort

23

Probleemstelling

De schrijver brengt het probleem onder woorden dat hij gaat bespreken

24

Samenvatting

De schrijver geeft aan het eind van een tekst of tekstgedeelte, in het kort het belangrijkste weer

25

Stelling

De schrijver verkondigt zijn mening

26

Tegenstelling

De schrijver geeft aan dat een feit of bewering tegenover een ander feit of een andere bewering staat

27

Tegenwerping

De schrijver maakt bezwaar of heeft bedenkingen tegen een eerdere bewering of argumentatie (van een ander)

28

Theorie

De schrijver geeft wetenschappelijke opvattingen die losstaan van de praktijk

29

Toelichting

De schrijver geeft voorbeelden of nadere uitleg om zijn opvattingen te verduidelijken

30

Toepassing

De schrijver beschrijft hoe een bepaalde theorie in de praktijk word toegepast

31

Uitwerking

De schrijver werkt een algemene stelling of theorie meer in detail uit

32

Verklaring

De schrijver legt uit hoe een bepaald verschijnsel is ontstaan

33

Vermoeden

De schrijver geeft een vermoeden

34

Verslag van onderzoek

De schrijver geeft de resultaten van een onderzoek

35

Voorbeelden

De schrijver verduidelijkt een bewering of verschijnsel met concrete voorbeelden

36

Voorbehoud

De schrijver stemt alleen met iets in, als een een beperkende voorwaarde is voldaan.

37

Voorwaarde

De schrijver stelt vooraf een eis waaraan voldaan moet worden, voordat iets plaats kan vinden

38

Vraagstelling

De schrijver stelt, meestal in de inleiding, de hoofdvraag die hij in de rest van zijn artikel wil beantwoorden

39

Weerlegging

De schrijver toont aan dat een bewering of argumentatie niet juist is.