H27 Flashcards Preview

Algemene Economie > H27 > Flashcards

Flashcards in H27 Deck (12):
1

Quantity theory of money?

een theorie die beweert dat de hoeveelheid geld die beschikbaar is het prijsniveau bepaalt en dat de groei van de beschikbare hoeveelheid bepalend is voor de inflatie.

2

Inflatie?

een stijging van het algemene prijspeil

3

Bestedingsinflatie?

ontstaat bij overbesteding als de effectieve vraag groter is
dan de productiecapaciteit.

4

Kosteninflatie?

ontstaat als bedrijven hogere productiekosten (zoals
loonkosten) doorberekenen in de verkoopprijs.

5

Nadelige gevolgen van inflatie?

- Geldontwaarding = koopkracht van het geld daalt
- Koopkrachtverlies = de koopkracht van het inkomen kan dalen.
- Internationale concurrentiepositie verslechtert doordat exportproducten duurder worden.
- Als consumenten prijsstijgingen verwachten, zullen ze eerder meer goederen kopen om de prijsstijging voor te zijn.
- Sparen is niet aantrekkelijk omdat gespaarde geld reëel minder waard wordt.
- Uitlenen van geld is minder aantrekkelijk omdat het geld wordt terug betaald in reëel minder geld.

6

Deflatie?

een daling van het algemene prijspeil

7

Shoeleather costs?

Middelen die worden verspild wanneer de inflatie mensen aanmoedigt om hun geldbezit te verminderen.

8

Transaction costs?

De opportuniteitskosten voor het uitvoeren van een transactie.

9

Menu costs?

De kosten die ontstaan door verandering van prijzen.

10

Wat veroorzaakt een verschuiving in de MS curve?

Een monetaire injectie of onttrekking van geld door de centrale bank.

11

Wat veroorzaakt een verschuiving in de MD curve?

Een verandering in prijs level (niveau)

12

Leg uit wat voor een effect een hoog prijs niveau heeft op de waarde van geld?

Een hoog prijsniveau betekent dat je minder kan kopen met elke euro en dus is de waarde van de euro laag.