Hen en hun Flashcards Preview

HTF Taalvaardigheid 2 > Hen en hun > Flashcards

Flashcards in Hen en hun Deck (14):
1

Bij een bezittelijk voornaamwoord gebruik je :

Hun

Dat is hun huis.

2

Na een voorzetsel schrijf je :

Hen

Hij gaat met hen op vakantie.

3

Bij een lijdend voorwerp gebruik je :

Hen

Ik heb hen gezien.

4

Bij een meewerkend voorwerp gebruik je :

Hun

Ik geef hun een boek.

5

Kan "hun" het onderwerp van een zin zijn ?

Nee, "hun"kan nooit het onderwerp van een zin zijn.

Hun vinden dat ook. Dit is fout.
Het moet zijn : zij/ze vinden dat ook.

6

De regels gelden in de volgorde van 1 tot 4. Dus regel 1 overrulet regel 2, 3 en 4. Regel 2 overrulet regel 3 en 4 ect. Wat is de volgorde van de regels ?

1. Bezittelijk voornaamwoord ( hun)
2. Na voorzetsel ( hen)
3. Lijdend voorwerp ( hen)
4. Meewerkend voorwerp ( hun)

7

Wat is het lijdend voorwerp in een zin ?

Een lijdend voorwerp is het zinsdeel dat de handeling ondergaat, terwijl het onderp de handeling uitvoert.

8

Wat zijn de kenmerken van het lijdend voorwerp ?

- Het ondergaat de handeling.
- Het begint nooit met een voorzetsel, behalve als het
om bijvoorbeeld een titel of een heel zinnetje gaat.
- Je vindt het lijdend voorwerp door de vraag "wie"of
"wat"+ persoonvorm +onderwerp + de rest van het
gezegde te stellen ( als je deze vraag kunt
beantwoorden, is het antwoord het lijdend voorwerp.
- Je kunt het lijdend voorwerp altijd vervangen door
bijvoorbeeld "iets"of "iemand".

9

Wat is het meewerkend voorwerp ?

Het meewerkend voorwerp kun je omschrijven als een zinsdeel dat een aanvulling is op het gezegde.

10

Noem de kenmerken van het meewerkend voorwerp ?

- Vaak kun je "aan"of "voor"voor dit zinsdeel zetten.
- Als er "aan"of "voor" voor staat, kun je deze woorden
meestal weglaten.
- Als het meewerkend voorwerp met "voor" begint, kun
je dit woord meestal vervangen door "ten behoeve
van".
- Het meewerkend voorwerp betreft altijd personen,
voorwerpen of bepaalde instanties, maar nooit
bijvoorbeeld een plaats of een tijd.

11

Hoe vind je het meewerkend voorwerp ?

Je kunt het meewerkend voorwerp meestal vinden door de vraag "aan wie" of "aan wat " + persoonsvorm + onderwerp ( + de rest van de zin) te stellen. Het antwoord op deze vraag is dan het meewerkend voorwerp. Of de vraag : "voor wie"of "voor wat"?

12

Vul hen of hun in.

De automobilist had ....... niet zien aankomen in ..... auto.

De automobilist had hen ( l.v.) niet zien aankomen in
hun ( bez. vnw) auto.

13

Vul hen of hun in.

Heb je het nieuwe huis van ...... al gezien ?

Hen ( na voorzetsel).

Heb je het nieuwe huis van hen al gezien ?

14

Vul hen of hun in.

Hij heeft...... het hele verhaal uitvoerig verteld.

Hun ( m.v.)

Hij heeft hun het hele verhaal uitvoerig verteld.