Hoofdstuk 13 Flashcards Preview

Muziekgeschiedenis I/2 > Hoofdstuk 13 > Flashcards

Flashcards in Hoofdstuk 13 Deck (20):
1

Welke periode wordt grofweg gezien als de barok?

ca. 1600-1750

2

Wat is een affect?

Dit is de emotionele toestand waarin men verkeert. In de barok ging het hierbij om de emotie van en karakter, niet om die van de kunstenaar.

3

Waarom was aan het begin van de zeventiende eeuw Italië een gunstige plek voor musici?

Italië was rijk geworden door handel.

4

Hoe was de situatie voor de muziek in Frankrijk in de zeventiende eeuw?

Koning Lodewijk XIV beheerde de kunsten en gebruikte deze om zijn glorie te benadrukken.

5

Wanneer kwamen er voor het eerst openbare concerten waarvoor men een ticket kocht?

In Engeland rond 1672.

6

Wanneer kreeg de term barok een positievere lading?

Vanaf de negentiende eeuw. Rond 1920 zagen muziekhistorici in dat men in de barok meer nadruk ging leggen op extravagance, versiering en de focus op uitdrukking.

7

Wat is het meest opvallende aspect van de kunsten in de zeventiende eeuw?

De focus op het dramatische.

8

Hoe ontwikkelde het dramatische aspect van de barok zich in de muziek?

Dit begon in de opera, maar breidde zich uit naar liederen en kerk- en instrumentale muziek.

9

Waardoor werd het dramatische aspect gekenmerkt in barokmuziek?

Door ritmische bewegingen, rijzen en dalen van de melodie en contrasten in harmonieën en stijlen. Dit werd allemaal gebruikt om dramatische actie te suggereren en emotie over te brengen.

10

Waarom was het van belang affectie te beleven via muziek volgens componisten?

Omdat dit zorgde voor mer balans in het lichaam. Componisten probeerden niet hun eigen gevoel uit te drukken, maar meer algemene emoties en in opera dat van de tekst en karakters.

11

Noem een manier om affecten uit te drukken in muziek. Hoe komt dit in Monteverdi's "Crudo Amarilli" tot uitdrukking?

Men kon breken met de regeles om de poëzie van een tekst over te brengen. In CA is er sprake van veel dissonanten, vooral om de worden "Cruda" en "ahi, lasso". Deze woorden krijgen hiedoor nadruk.

12

Welke sooten "pratica" onderscheidde Monteverdi en wat hielden deze in?

1. Prima prattica; 16e eeuwse stijl van polyfonie. Hierin beïnvloedt de muziek de tekst in plaats van andersom. Muziek dient de regels te volgen.
2. Seconda pratica; muziek dient de boodschap en verhoogt het effect. Regels mogen worden doorbroken en dissonante akkoorden mogen gebruikt worden om gevoelens uit te drukken.

13

Wat is basso continuo?

Dit was een vorm van noteren die opkwam in de barok. De componist schreef een melodie en baslijn maar liet de ruimte voor de musicus om hierbij zelf de juiste akkoorden in te vullen en te improviseren.

14

Wat is een "figured bass"?

Hierbij gaat het om aparte noten/bijv. versieringstonen of incidentele noten die niet binnen het akkoord horen. In dit geval zette de componist tekens bij de baslijn, zoals een mol of kruis.

15

Wat is stile concertato?

Dit is een typisch genre in de zeventiende eeuw; hierbij werden stemmen gecombineerd met instrumenten die verschillende rollen speelden. Het ging hierbij om de interactie tussen twee of meer groepen instrumenten/stemmen. Hierbij werden diverse timbres gebruikt; dit in tegenstelling tot het gebruik van homogene ensembles in de zestiende eeuw.

16

Wat veranderde er in het contrapunt in de zeventiende eeuw?

Van polyfonie ging men meer nadruk leggen op de bas.

17

Welke twee types ritme onderscheidde men in de barok

Flexibel en metrisch ritme; maatstrepen werden steeds meer gebruikt, eerst om de gelijkenis van lengte van verschillende lengtes aan te geven; later ook om de afwisselingen tussen sterke en zwakke maten aan te geven.

18

Wat was de verhouding tussen uitvoerende en uitvoering vs. componist en compositie in de zeventiende eeuw?

De nadruk kwam meer te liggen op de uitvoerende en de uitvoering. Barokmusici werden geacht zelf te improviseren op het werk dat de componist had geschreven.

19

Wat was de betekenis van een ornament voor barokmusici? Op welke manieren kon men ornamenten toepassen?

D.m.v. ornamenten konden de affecten bewogen worden. Dit was mogelijk op twee manieren:
1. Korte ornamenten zoals trillers en mordenten. Hiermee konden accenten worden aangebracht.
2. Uitgebreidere toevoegingen, zoals arpeggios of toonladders (figuratie/divisie/diminutie). Dit gebeurde vooral bij langzame tempi.

20

Noem vijf kenmerken van de barok.

1. Interesse in het dramatisch effect
2. Expressie van emotie
3. Het verbreken van regels
4. Chromatiek om emotie in een tekst over te brengen.
5. Tonaliteit