Hoofdstuk 6 Flashcards Preview

Economie > Hoofdstuk 6 > Flashcards

Flashcards in Hoofdstuk 6 Deck (35):
1

Hoe bereken je het besteedbaar inkomen?

Bruto arbeidsinkomen + bruto inkomen uit bezit + overdrachtsinkomen - belastingen - premies - overige inhoudingen

2

Wat is een budget onderzoek?

een steekproefsgewijs onderzoek naar het uitgavenpatroon van gezinnen.

3

Wat zijn primaire goederen?

Goederen die noodzakelijk zijn, zoals voeding en wonen.

4

Welke uitgaven nemen toe als het besteedbare inkomen toeneemt?

De uitgaven aan luxe goederen.

5

Wat is een inkomensvraagcurve

een lijn die het verband aangeeft tussen het inkomen van consumenten en de hoeveelheid goederen die zij willen kopen.

6

Hoe loopt een inkomensvraagcurve van primaire goederen?

degressief stijgend. Bij een toename van het inkomen stijgt de vraag, maar de stijging wordt steeds kleiner.

7

Hoe loopt een inkomensvraagcurve van luxe goederen?

de vraag stijgt meer dan evenredig.

8

Wat is de latijnse term voor onder gelijkblijvende omstandigheden?

Ceteris paribus

9

Wat is een drempelinkomen?

het minimale inkomen voordat een bepaald goed wordt gekocht

10

Wat is een inkomensvraaglijn?

de lijn die aangeeft hoe groot de vraag is, afhankelijk van het inkomen.

11

Wat is een verschuiving langs de inkomensvraaglijn?

een verschuiving op de grafiek, de grafiek blijft verder gelijk.

12

Noem oorzaken voor verschuiving van de inkomensvraaglijn naar boven

1. daling van de prijs van het product
2. daling van de prijs van complementaire goedren
3. stijging van de prijs van substitutiegoederen
4. Daling van belasting en sociale premie tarieven.
5. Daling van de rentestand
invloed van reclame.

13

Wat is de inkomenselasticiteit van de vraag?

Deze geeft aan met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid van een product verandert als het inkomen met 1 % verandert.

14

Hoe bereken je de inkomenselasticiteit?

procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid/procentuele verandering van het inkomen.

15

Wanneer is de vraag inelastisch?

Als e ligt tussen 0 en 1

16

Wanneer is de vraag volstrekt inkomensinelastisch?

Als e =0

17

Wanneer is de vraag inkomenselastisch?

als e groter is dan 1

18

Wat geeft een prijsvraagcurve weer?

het verband tussen de prijs van een goed en de gevraagde hoeveelheid van een goed.

19

Wat zijn Giffengoederen?

Goederen die een prijsvraagcurve hebben met een geheel afwijkend beloop.

20

Geef 3 voorbeelden van Giffen goederen

1. inferieure goederen (als de prijs stijgt, dan blijft er zo weinig geld over voor andere spullen, dat men eerder meer van het inferieure goed koopt, dan minder.
2. Duurzame consumptiegoederen (hoe duurder het product, hoe beter het product is, althans dat denkt de consument)
3. Antiek, postzegels, kunst en andere beleggingsobjecten. Ook hier denkt de consument dat de prijs iets zegt over de kwaliteit.

21

Geef 7 oorzaken van de verschuiving van de prijsvraagcurve naar rechts

1. toename van het aantal consumenten door bijvoorbeeld bevolkingsgroei of reclame
2. toename van het inkomen van consumenten
3. stijging van de prijs van substitutiegoederen
4. daling van de rpijs van complementaire goederen
5. daling van belasting en premie tarieven
6. daling van de rentestand
7. kwaliteitsverbetering van het product.

22

Wat is de prijselasticiteit van de vraag?

Dit geeft aan met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid verandert als de prijs met 1 % verandert

23

Hoe bereken je de prijselasticiteit van de vraag?

procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid/procentuele verandering van de prijs

24

Wat kun je zeggen over omzet als de prijs daalt en de vraag is prijselastisch?

Dan zal de omzet stijgen. (leg dit voor jezelf uit!!)

25

Wat kun je zeggen over de omzet als de prijs stijgt en de vraag is prijselastisch?

De omzet zal dalen (leg dit voor jezelf uit!!!)

26

Wat kun je zeggen over de omzet als de prijs stijgt en de vraag is prijsinelastisch?

Dan zal de omzet dalen (leg dit uit voor jezelf!)

27

Wat kun je zeggen over de omzet als de prijs daalt en de prijs is inelastisch?

De omzet zal stijgen (leg uit voor jezelf)

28

Wat is de kruisprijselasticiteit van de vraag?

deze geeft aan met hoeveel procent de gevraagde hoeveelheid van het ene product verandert als de prijs van het andere product met 1 % verandert.

29

Hoe bereken je de kruisprijselasticiteit?

procentuele verandering van de gevraagde hoeveelheid van goed x/procentuele verandering van de prijs van goed y

30

Wat wil een positieve kruisprijselasticiteit zeggen?

er is dan sprake van substitutiegoederen?

31

Wat zijn substitutiegoederen?

goederen die elkaar kunnen vervangen (appeltaart en perentaart, bijvoorbeeld)

32

Wat zijn complementaire goederen?

goederen die elkaar aanvullen (koffie en koffiemelk)

33

Wat wil een negatieve kruisprijselasticiteit zeggen

Er is sprake van complementaire goederen

34

Wat is het consumentensurplus?

het verschil tussen de prijs die consumenten bereid zijn te betalen en de werkelijke prijs.

35

Wat is het verschil tussen de collectieve en individuele prijsvraagcurve?

de collectieve prijsvraagcurve is de optelsom van alle individuele prijsvraagcurves