Hoorcollege 11 - B Flashcards Preview

Digestie > Hoorcollege 11 - B > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 11 - B Deck (68):
1

Geef twee virale infecties van het digestiestelsel

Rotavirussen en coronavirussen

2

Geef twee bacteriële infecties van het digestiestelsel

Salmonella en E. coli

3

Geef twee protozoaire infecties van het digestiestelsel

Coccidiose en giardiasis

4

Geef parasitaire infecties van het digestiestelsel

Rondwormen en lintwormen

5

Geef 3 niet-infectieuse therapiedoelstellingen

- Correctie orgaanfunctie
- Suppletie
- Symptomatisch

6

Geef 2 infectieuse therapiedoelstellingen

- Anti-infectiva (causaal: antibiotica, antiprotozoïca, anthelmintica, antiparasitica)
- Symptomatisch

7

Ander woord voor slikprobleem

Dysfagie.

8

Wat is het probleem bij slokdarmverstopping bij het paard en welke oplossing ken je?

Spasmen van de gladde spieren. Therapie: n-butylscopolamine (buscopan) en indien nodig sonderen, sederen en spoelen. Er komt vaak voer uit de neus, paard staat gestrekt en paard is geëxciteerd. Meestal lost dit zichzelf op maar er kan dus een therapie worden ingesteld. Je wilt de darmen laten relaxeren. De gladde spiercellen relaxeren met behulp van n-butylcopolamine. Sederen zorgt voor rust en laat het hoofd zakken en misschien wat dwarsgestreepte spierrelaxatie

9

Ander woord voor braken

Emesis

10

Waar wordt de braakreflex geïnitieerd en hoe krijgt dit zijn informatie?

In het braakcentrum. Het braakcentrum krijgt vanuit allemaal plekken signalen, zowel vanuit perifeer als vanuit centraal heb je onder andere het vestibulair apparaat. Vanuit perifeer heb je de viscera (het maagdarmkanaal). De Chemo Receptor Trigger Zone speelt ook een rol. Dit gebied hoort bij de hersenen maar is niet beschermd door de bloed-hersen barrière. Het kan gemakkelijk signalen doorgeven van perifeer naar centraal. Stoffen die vanuit je bloed en het de darm komen (toxinen, farmaca) worden waargenomen door het CRTZ. Deze kan een prikkel doorgeven aan het braakcentrum. Het CRTZ kan ook reageren op mechanische stimulatie zoals druk door CZS tumor of verhoogde CDF druk

11

Noem een aantal chemische stimulie voor braken

Apomorfine, digitalis, emetine, uremie, acidose en bacteriële toxinen

12

Wat doen we met apomorfine?

Met apomorfine stimuleren we het braken. Apomorfine is een D2-receptor agonist. Dit is een activator van de dopamine receptor.

13

Welke receptoren zitten er in het braakcentrum?

NK1 en AChM

14

Noem een aantal centrale stimuli voor het braakcentrum

Pijn, emotie, visuele stimuli, reuk

15

Welke receptoren zitten in het vestibulair apparaat?

AChM, H2, NK1

16

Welke stimuli kent het vestibulair apparaat?

Onder andere reisziekte.

17

Welke receptoren zitten in het CRTZ?

5-HT3, D2, NK1, AChM, H2

18

Welke stimuli kent het CRTZ?

Onder andere toxinen en farmaca

19

Welke receptoren kennen de viscera voor emesis?

5-HT3, AChM en NK1 (via de n. vagus)

20

Welke stimuli kent de viscera voor emesis?

Mechanische stimuli (pharynx en maag) en chemische stimuli (toxines, farmaca)

21

Hoe noem je medicijnen die het braken remmen?

Anti-emetica. Dit zijn antagonisten voor specifieke receptoren in de verschillende delen waar braken kan worden geïnduceerd.

22

Welke verschillende groepen anti-emetica ken je? Noem er 4

1. Dopamine (D2) receptor antagonist
2. Serotonine (5-HT3) receptor antagonist
3. Histamine (H1) receptor antagonist
4. Neurokinine-1 (NK1) receptor antagonist

23

Noem dopamine receptor antagonisten. Wat doen zij?

Metoclopramide en domperidon. Zij werken anti-emetisch

24

Noem de serotonine receptor antagonist. Wat doet deze stof?

Ondansetron, is niet veterinair geregistreerd en kan alleen via de cascaderegeling worden gebruikt . Werkt anti-emetisch

25

Noem de histamine receptor antagonist. Wat doet deze stof?

Cyclizine. Deze werkt anti-emetisch, vooral bekend van reisziekte. Remt in CRTZ en in vestibulair apparaat.

26

Noem de neurokinine-1 receptor antagonist. Wat doet deze stof?

Maropitant. Deze stof werkt anti-emetisch en is zeer potent omdat de receptor overal zit.

27

Waarom gebruiken we AChM-receptor antagonisten niet als anti-emetica?

Acetylcholine-Muscarine receptor antagonist. Zij geven ongewenste bijwerkingen. Dit is namelijk de parasympaticus voor een heel groot deel. Als je die gaat remmen of activeren zie je dus vanalles met de parasympaticus gebeuren.

28

Noem de dopamine D2 receptor antagonisten en geef ook aan hoe zij verschillen.

Domperidon en metoclopramide zijn twee stofjes die eigenlijk hetzelfde doen: blokkeren van de dopamine receptor. Maar domperidon passeert de BHB niet en metoclopramide passeert de BHB wel. Domperidon kan dus alleen aangrijpen bij het CRTZ. Metoclopramide kan ook centraal (via 5-HT receptoren.

29

Wat zijn de indicaties voor D2-receptor antagonisten?

Indicaties voor beide stoffen: alle vormen van braken, inclusief chemisch geïnduceerd braken (toxinen, cytostatica).

30

Wat zijn de bijwerkingen van de dopamine D2-receptor antagonisten?

Nevenwerkingen van beide: (1) stimulatie van peristaltiek van maag en dunne darm (zie prokinetica, niet toedienen bij obstructie) en (2) pro-galactogeen – pseudopregnancy. Metoclopramide heeft daarnaast ook een werking in het CZS: milde sedatie (kun je suf van worden, dopamine is namelijk een excitatoire neurotransmitter) en occulogyresis.

31

Ander woord voor onwillekeurige oogbewegingen.

Occulogyresis

32

Noem twee stoffen die als sedatieva ook dopamine receptoren (maar dan expres) in het CZS remmen

Fenothiazinen en butyrofenonen.

33

Hoe noem je het als een stof de melkproductie op gang kan brengen en welke stof doet dit?

Melk productie kan opgang worden gebracht. Dopamine remt de afgifte van pro-galactine centraal. Bij een dopamine receptor antagonist zul je dus zien dat dit niet meer geremd wordt.

34

Kun je de peristaltiek van de maag en de dunne darm activeren met dopamine receptor antagonisten?

Ja. Dit zijn dus prokinetica

35

Wat zijn NK-receptoren?

Dit zijn G-eiwit gekoppelde receptoren. Ze komen voor in het braakcentrum, in het CRTZ en in het maagdarmkanaal. Het is een hele belangrijke receptor in het induceren van braken.

36

Welke stoffen remmen het braken via de NK1-receptor, de NK2-receptor en de NK3-receptor? Noem ook de veterinaire variant

NK1 - Substance P (tachykinine)
NK2 - Neurokinine A
NK3 - Neurokinine B

Maropitant (cerenia) voor veterinair gebruik

37

Wat zijn de bijwerkingen van maropitant?

Abdominale pijn, anorexia, verhoogde leverenzymen (transaminasen verhoogd). Een raakvlak met de verhoogde leverenzymen kan zijn dat het wordt gemetabolyseerd wordt door cytochroom P450 enzymen. Het wordt gemetaboliseerd door CYP 3A (CYP2D) die ook heel veel andere medicijnen metaboliseert. Misschien zitten daar veel meer geneesmiddeleninteracties dan we nu weten. Als we meerdere medicijnen worden gegeven die door hetzelfde enzym worden gemetaboliseerd, moeten we daar misschien wel rekening mee houden.

38

Wanneer heb je verhoogde leverenzymen?

Je hebt verhoogde leverenzymen in het bloed als er leverschade is. Dat is niet wat je wilt. Je hebt altijd een bepaalde mate van die enzymen in het bloed. Als die boven een bepaalde waarde gaan vindt je dat er teveel stuk gaat.

39

Wat doen honden vaak bij gastro-oesophageale reflux en wat geef je ze dan?

Honden braken vaak bij gastro-oesophageale reflux. Daarom kunnen domperidon en metoclopramide geïnduceerd zijn. Domperidon en metoclopramide geven ook verhoogde motiliteit en dus mogelijk ook verhoogde maaglediging. Bij teveel reflux van de zure inhoud van de maag kan de oesophagus beschadigd raken. Je kunt ook de pH van de maag dan omhogen door maagzuursecretie remmers.

40

Hoe noem je ulcera bij kleine huisdieren ook wel?

Gewoon gastritis omdat de ulcera vaak diffuus over het slijmvlies zitten. De therapie heeft dezelfde benadering.

41

Waarom worden er geen antibiotica gegeven bij ulcera? Wat wil je wel doen?

Bij dieren is de rol van bacteriën bij ulcera en gastritis niet zo goed aangeduid dus we gebruiken meestal geen antibiotica. Er wordt puur symptomatisch gehandeld. De pH moet omhoog, dus de maagzuursecretie moet worden geremd. Eventueel zou je het zuur kunnen neutraliseren. Dit heeft ook een pH verhogend effect maar dit doen we niet zo vaak. De cytoprotectiva kunnen gegeven worden om de cellen van het maagslijmvlies te beschermen.

42

Via welke wegen wordt de parietaalcel aangestuurd tot de aanmaak van zuur?

De parietaalcel wordt aangezet door verschillende wegen. De histamine receptor is daar belangrijk bij. Histamine wordt geproduceerd door in de buurt liggende cellen (ECL cellen, HPC) via een paracriene route. Stimulatie zorgt voor zuurproductie. Die histamine producerende cel wordt weer aangestuurd door gastrine uit het bloed (endocrien) en stimulatie zorgt voor de aanmaak van meer histamine. Gastrine kan ook op de pariëtale zelf een stimulerend effect hebben. De parasympaticus zelf kan de histamine producerende cel aanzetten, de pariëtale cel aanzetten en de epitheelcel die mucus produceert aanzetten. Dit doet het door acetylcholine af te geven aan een acetylcholine-muscarine receptor op de cel. De parasympaticus zorgt in die epitheelcel voor mucus productie en bicarbonaat (buffer). Ook Prostaglandines hebben invloed op de pariëtale cel. Prostaglandine heeft een remmend effect op de pariëtaalcel en een stimulerend effect op de productie van mucus.

43

Waarom krijg je ulcera door NSAIDs?

NSAIDs remmen COX-1 waardoor er minder prostaglandines worden geproduceerd. Dat is fijn omdat dit bijvoorbeeld pijn-, onstekings- en koortsverlagend kan werken. COX-1 maakt echter prostaglandines in het maagslijmvlies ter bescherming hiervan. Langdurig gebruik van NSAIDs kan echter zorgen voor ulcera omdat de pariëtaalcel niet meer geremd wordt door prostaglandines in de aanmaak en afgifte van zuur. Er kan ook wat minder doorbloeding zijn van de maag en er kan minder mucus worden geproduceerd.

44

Hoe kun je de maagzuurproductie remmen?

Je kunt op heel veel verschillende manieren de maagzuurproductie gaan remmen. Je kunt de histamine receptoren gaan remmen. Dit zijn de H2-antagonisten. Je hebt ook gastrine-antagonisten. Die kennen we veterinair eigenlijk niet. Het zou in principe wel kunnen maar er zitten wat meer haken en ogen aan en we hebben ze niet geregistreerd. Ook humaan zijn ze minder belangrijk. De meest belangrijke groep zijn de stofjes die de H+/K+-ATPase direct remmen. AchM-antagonisten geven weer teveel bijwerkingen en die gebruiken we dus niet. Als laatste kun je nog bij een hond met bijvoorbeeld artrose die maanden lang of misschien wel jaren lang NSAIDs moet slikken iets doen met prostaglandine analogen. Je weet dat je door de NSAIDs een tekort hebt aan prostaglandines.

45

Welke stoffen ken je die de H+/K+-ATPase remmen?

Omeprazole en Lasoprazole

46

Welke stoffen ken je die de vrijzetting van histamine remmen?

H2 antagonisten: cimetidine en ranitidine

47

Welke stof is een prostaglandine analogica?

Misoprostol

48

Wat zijn cytoprotectiva?

Sucralfaat. Dit is een stofje dat specifiek gebruikt wordt voor maagdarmulcera. Deze vloeistof wordt oraal toegediend. De vloeistof bestaat uit verbindingen met gesulfateerd sucrose. Onder een pH van 4 gaat die stof polymeriseren en wordt dan visceus, wordt een soort gel. Aluminiumionen komen eraf, er komen geladen groepen vrij en die geladen groepen gaan interactie aan met eiwitten die bloodliggen in de laesies van het slijmvlies. Daar binden ze aan. Het is een soort pleister effect. Het is alleen maar effectief als er al een laesie is. Het heeft ook een bufferende werking en het kent nog wat meer effecten.

49

Welke stoffen neutraliseren het maagzuur?

Antacida. Zij bufferen. Een alkalische verbinding noemen we dus antacida. Dit geeft een heel tijdelijk en een heel mild effect. Het meest relevant bij runderen met pensacidose.

50

Noem 4 verschillende antacida

Aluminiumhydroxide
Magnesiumoxide
Ca, Mg-carbonaat (Rennie)
Magnesium-trisilicaat

51

Hoe worden gladde spiercellen aangestuurd?

Gladde spiercellen worden vanuit de parasympaticus aangestuurd via een muscarine receptor. Vanuit het cholinerge motorneuron komt er acetylcholine vrij. Dit acetylcholine bindt op de acetylcholine-muscarine receptor op de gladde spiercel. Dan is er contractie. In de cholinerge synaps zit acetylcholinesterase en die breekt acetylcholine af. Dan worden de onderdeeltjes weer opgenomen. Dit is een gesloten synaps (anders dan de adrenerge synaps).

52

Hoe kun je de motiliteit remmen?

Het meest logische is een AChM antagonist. Dit is bijvoorbeeld N-butylscopolamine van de het paard met een slokdarmverstopping (Buscopan). Het acetylcholine kan nu niet meer de contractie veroorzaken. Dit is een heel potent effect. Als wij intraveneus dat N-butylscopolamine in dat paard brengen, is vlak daarna het hele maagdarmkanaal gerelaxeerd. Bij een paard met buikpijn door koliek of kramp zal na een injectie Buscopan direct heel erg opknappen. Het werkt maar heel kort. Loperamide kan ook de motiliteit van de darm remmen. Loperamide is een opeoïd receptor agonist. Deze opeoïde neuron remt dan vervolgens de cholinerge motor neuron. De opioïden zijn met name pijnstillers. Ze remmen neurotransmissie in het zenuwstelsel. Loperamide is een beetje een gekke. Het is een opioïd, maar het kan niet de BHB over dankzij efflux pompjes. Daarom kun je hem gewoon bij het kruidvat kopen. Wat ook nog kan is een sympaticomimeticum geven. Als je de sympaticum gaat stimuleren (alfa receptor activeren) wordt de muscarine activatie geremd. Noradrenaline gaat op de alfa receptoren zitten van de cholinerge motor neuron en remt daarmee zijn activiteit. Soms doe je dit ook met farmaca. Het wordt niet vaak voor deze indicatie gebruikt.

53

Hoe kun je de motiliteit stimuleren?

Dit worden ook wel de prokinetica genoemd. Het is lastig met oog op de bijwerkingen. Wat je heel goed zou kunnen doen is een AChM agonist geven. Die bestaat, die heet Bethanechol. Dit wordt ook wel gebruikt bij echte atonie van de urinewegen of het maagdarmkanaal. Wat je ook zou kunnen doen is een indirect parasympaticomimeticum te geven door Acetylcholinesterase te remmen. Er blijft dan meer acetylcholine in de synaps waardoor de AChM receptor langer wordt gestimuleerd. Ook dit kent veel bijwerkingen. Ze hebben wel een klinische betekenis. Acetylcholinesterase remmers kunenn ook worden gebruikt voor antiparasitica. Wat je ook zou kunnen doen is het gebruiken van sympaticolytica. Dit zijn alfa-adrenoreceptor antagonisten. Zij blokkeren de noradrenaline receptor waardoor de cholinerge motor neuron niet geremd wordt door de sympaticus. Ze remmen de remming van de cholinerge motor neuron. Lidocaïne zou dit misschien doen. Metoclopramide en domperidon. Dopamine lijkt op noradrenaline omdat het een voorloper is van noradrenaline. De dopaminereceptor lijkt daar dan ook op en hebben hetzelfde effect: sympaticomimetisch. Metoclopramide en domperidon zijn D2-antagonisten en remmen de remming weer. In het maagdarmkanaal zijn ook verschillende serotonine-receptoren die op een verschillende manier effect hebben op de motiliteit en de secretie. 5HT3 is een receptor voor remming van cholinerge motor neuron en 5HT4 is een receptor voor stimulatie van de cholinerge motor neuron. Metoclopramide en Cisapride passen op allebei en kunnen dus op verschillende cholinerge motorneuronen een verschillend effect hebben. Erythromycine is eigenlijk een antibioticum maar dit zet in de darm een motiline receptor aan, zorgt voor activatie van motiliteit.

54

Welke causale therapie gebruik je bij diarree?

Anti-infectiva

- Antibiotica, oraal en het lierfst met een slechte OBB. Parenterale toediening alleen bij systemische of diepe infecties

- Anthelmintica. Alleen als daar een indicatie voor is ivm resistentie.

- Antiprotozoica.

55

Welke symptomatische therapie gebruik ej bij diaree?

- Remmen peristaltiek
- Absorbentia
- rehydratie
- Elektrolytenbalans en zuur-base evenwicht herstellen
- (ontsteking remmen)

56

Noem een absorbentia en geef aan wat dit kan doen

Dit is bijvoorbeeld norrit (actieve houtskool). Hiermee kun je binden (intoxicatie en diarree).

57

Geef de drie mechanismen van diarree

Versnelde passage
Verstoorde resoptie
Verstoorde secretie

58

Welke antidiarrhoica ken je die de motiliteit beïnvloeden?

Loperamide (opioïd: OP3 receptor agonist, pas op met collie

en butylscopolamine

59

Welke antidiarrhoica ken je die voor absorptie zorgen?

Geactiveerde kool
Kaoline (klei)

60

Hoe kun je rehydreren?

IV / SC / PO

61

Hoe moet je PO rehydreren?

Na : glucose = 1 : 1

ORS. Glucose gekoppeld transport van zouten en daarmee van water.

62

Hoe herstel je de elektrolytenbalans?

IV en PO

63

Wat zijn anticholinergica?

Spasmolytica. AChM-antagonisten zoals Butylscopolamine (Buscopan). Remming van de peristaltiek, remming van de kliersecretie. Indicaties: spastische koliek, slokdarmverstopqping en spasmen van MD en UG. Kort maar krachtig effect.

64

Hoe worden laxantia gegroepeerd wat betreft hun kracht?

Aperatica < Eccoprotica < Peristaltica < Drastica

65

In welke twee groepen kun je de laxantia verdelen?

Volume vergrotende middelen of secretogoga (contact-laxantia)

66

Noem de drie soorten laxantia van de volume vergrotende middelen

Glijmiddelen (paraffine, lijnzaad)

Zwelmiddelen (methylcellulose, Psyllium)

Osmotisch (secretoir werkend, Na-sulfaat, Mg-sulfaat, sorbitol, lactulose, klysma

67

Gebruiken we secretogoga?

Nee eigenlijk niet. Er zijn of teveel bijwerkingen of te weinig werking. Wonderolie (ricinusolie) is een voorbeeld.

68

Wat voor medicijnen kennen we nog voor pensaandoeningen?

Antizymotica en antitympanica