Hoorcollege 13 - C Flashcards Preview

Digestie > Hoorcollege 13 - C > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 13 - C Deck (60):
1

Waar vindt vertering plaats?

Vertering vindt plaats in je dunne darm (en maag). De meeste vertering vindt plaats in het eerste deel van de dunne darm: het duodenum en het jejunum. Het meeste is al verteerd voordat het voedsel het ileum in komt. De hoofdrolspelers in de vertering zijn de verterings-enzymen. In het jejunum vindt de meeste vertering plaats en in het ileum is het praktisch klaar.

2

Wat is het doel van vertering?

Zorgen dat voedsel door de darm heen kan naar het bloed. Alles wat nuttig is uit het voedsel komt zo in het bloed. Voor opname heb je enorme oppervlakte nodig. De darm ligt dus in allemaal plicae, daarop zitten allemaal villi. Als je op de villi inzoomt zie je daar op die villi weer microvilli. Daarachter zitten de bloedvaten. Alles wat in het lumen zit moet dus door de epitheellaag heen naar het bloed toe. Opname is het hoogste doel.

3

Wat zit er naast het bloedvat ook in de villi?

Naast een bloedvat loopt er ook een lymfevat door de villi. Er is één voedingsstof die vanuit je darm naar je lymfe gaat. Dat is vet. Het komt later pas in je bloed. Dit zijn de vetzuren verpakt in vet.

4

Hoe klein moet voedsel zijn om naar het bloed te kunnen?

Dit ligt aan de poriën. De poriën liggen op het apicale oppervlak. Deze poriën zijn transporteiwitten. Voor de meeste voedselcomponenten is er een apart transporteiwit. Dit transporteiwit bepaalt hoe groot het moet zijn. Niet alles mag dus door het membraan. Vetzuren zijn heel moeilijk: een deel van de vetzuren wordt getransporteerd door transporteiwitten en een deel (meeste) gaat door het membraan. Water kan deels langs de cel door de tight junctions, maar toch zijn er ook watertransporteurs. Als je ergens doorheen moet, moet je nog kleiner zijn dan het transporteiwit. Voor debelangrijkste voedselcomponenten hebben we aparte transporters. Een darmcel is zo’n 20 tot 30 micrometer breed. Een microvilli is een tiende micron, en de eiwitten zijn nog iets kleiner: nanometers.

5

Wat voor grootte orde plak je aan eiwitten?

8 nanometer. Je moet het voedsel af gaan breken tot ongeveer 1 nanometer. 1 nanometer is 10-9 meter.

6

Welke voedselcomponenten breek je af en wat worden het dan?

De drie voedingscomponenten zijn koolhydraten, eiwitten en vetten. Eiwitten breken we af tot aminozuren, dipeptides en tripeptides en die nemen we op. Polysaccharides ga je opnemen als monosacharides (glucose, galactose, fructose). Vetten moeten worden afgebroken tot vetzuren en monoacylglycerol.

7

Wat moeten we doen voordat we enzymen gaan toevoegen aan voedsel?

Voordat we enzymen gaan toevoegen gaan we eerst kauwen. Dan heb je mechanisch allemaal kleine stukjes. Dan zijn het nog geen nanometers. Alle enzymen zijn opgelost in sappen en dus ga je ook vloeistof toevoegen aan je eten. Daarna gaan we de enzymen toevoegen.

8

Heb je één enzym waarmee je al je voedsel kan afbreken?

Nee. Helaas heb je voor ieder voedingscomponent zijn eigen verteringsenzym.

9

Wat gebeurt er na het afbreken van het voedsel met je voedsel?

Alle stoffen die je hebt opgenomen kunnen tot Acetyl CoA worden gehaald en daarna kunnen ze door de citroenzuurcyclus om er uiteindleijk ATP uit te halen. De aminozuren zijn ook nodig voor het maken van de eigen eiwitten (opbouw). Overig voedsel kun je opslaan als vet.

10

Met welke enzymen breek je de macronutriënten af?

Ieder substraat heeft een specifiek hydrolase.

Glycosidasen breken koolhydraten af. Peptidasen en proteasen breken eiwitten af (sommige eindigen op -psine). (fosfo)lipasen breken vetten af.

11

Hoe kom je aan je enzymen?

Deze komen vooral uit de pancreas. Hier zitten niet alle, maar verreweg de meeste verteringsenzymen. Via de pancreatische duct komt het in de dunne darm. De acini horen bij de exocriene pancreas.

12

Heeft de endocriene pancreas helemaal geen rol bij het eten?

De rol van de endocriene pancreas is dat er insuline wordt afgegeven als er glucose in het bloed zit. Zo zorgt de endocriene pancreas ervoor dat de bloedsuikerspiegel niet te hoog wordt.

13

Waar kunnen verteringsenzymen ook vandaan komen?

Er zijn wat verteringsenzymen die uit de maag (uit de hoofdcellen)komen. Er zitten ook een aantal enzymen op de plaats waar het opgenomen moet worden, namelijk op de brushborder van de darmepitheelcellen (aan de enterocyten dus).

14

Hoe kun je verteringsenzymen toevoegen?

Pancreatine (= gemalen varkenspancreas) zit barstensvol verteringsenzymen. Als je die erbij doet en het wat tijd geeft, wordt het verteerd.

15

Hoe lang duurt de vertering normaal gesproken in de dunne darm?

In een aantal uren, afhankelijk van hoe makkelijk verteerbaar.

16

Hoe herken je een suiker?

Alles waar -ose in zit is een suiker.

17

Ander woord voor suiker?

Biet of rietsuiker is sucrose. Dit is een disacharide.

18

Welk enzym splitst sucrose? Hoe splitst het?

Sucrase splitst sucrose. De splitsing vindt op de glycosidische binding plaats. Als je weet hoe het substraat heet, weet je ook hoe het enzym heet. Vervang de ose door ase. Fructose bestaat uit glucose en fructose. Er wordt water bij gedaan waardoor de splitsing plaatsvindt.

19

Wat is het verschil tussen glucose en fructose?

Het aantal koolstofatomen in de ring. De ene (glucose) is een zesring en de andere (fructose) is een vijfring. Ze hebben wel beide zes koolstofatomen in totaal. Beide zijn dus hexose. Als je fructose eet kun je het in één stap weer omzetten naar glucose.

20

Ander woord voor zetmeel?

Amylose en amylopectine. In principe is het (glucose)n. Het zijn dus allemaal glucoses aan elkaar. De kop van glucose noemen we 1 en de staart van glucose noemen we 4. Als het allemaal kop-staart is, krijg je één hele lange keten en die heet officieel amylose. Daar komt ook de naam amylase vandaan. Je ziet soms ook vertakkingen. Dan zit er een verbinding tussen de 1 en de 6. Dit lijkt sprekent op glycogeen. Dit noemen we amylopectine.

21

Welk enzym breekt zetmeel af?

Amylase. Amylase splitst alleen de alfa 1,4 bindingen in zetmeel en knipt niet aan uiteinden. Amylase wil steeds twee glucoses aan beide uiteinden hebben. Hij kan wel overal middenin knippen, maar hij kan nooit de eindjes knippen. Dan krijg je allemaal stukjes van twee glucoses (maltose) of drie glucoses (maltotriose). Een stuk met zijtak noemen we dextrines en deze komen dus met vier glucoses of vijf glucoses eruit.

22

Welk enzym heb je nog nodig om maltose te knippen?

Maltase. Malstase knipt ook maltotriose. Deze zit aan de brushborder.
Wordt ook gemaakt aan de darm.

23

Welk enzym knipt de grensdextrines?

Dextrinase. Deze zit aan de brushborder. Wordt gemaakt aan de darm.

24

Hoe noem je melksuiker en wat is het?

Lactose. Dit is een disaccharide en het lijkt op sucrose. Deze bestaat uit glucose en galactose. Lactose wordt geknipt door lactase.

25

Glucose versus galactose.

Beide hebben een zesring. Bij glucose zitten er een aantal Hs naar beneden waar ze bij galactose omhoog zitten. Ze lijken dus ongelooflijk op elkaar maar zijn net anders. Je kunt ze in één stap in elkaar over zetten.

26

Waarom heb je voor glucose actief transport in plaats van een gewone transporter?

Fructose gaat gewoon door zijn gradiënt door de darm naar het bloed waar de lage concentratie is. Je wilt de darm zoveel mogelijk leegtrekken van glucose, maar je hebt een soort basisspiegel glucose in je bloed. Die is niet heel laag, er zit altijd glucose in je bloed. Daarom is het transport actief gemaakt. In je bloed kan je 5 mmol hebben, in de darm kun je toch naar 0,1 mmol.

27

Hoe maak je actief transport van glucose?

Je koppelt het aan een zout die een hele steile gradiënt heeft. Natrium in je darm is 150 mmol, in je cel is natrium en kalium heel laag. Dit gaat via de beroemde SGLT1 transporter.

28

Hoe worden koolhydraten verteerd in de dunne darm?

Door amylase uit de pancreas (en een beetje uit speeksel) en door Brushborder-enzymen. Dit zijn sucrase, maltase (gluco-amylase), dextrinase (isomaltase) en lactase.

29

Op welk punt is eiwitvertering anders dan bij koolhydratenvertering?

Bij eiwitten begint de vertering veel eerder. De vertering van koolhydraten begint eigenlijk pas in darm doordat daar de afvoergang van de pancreas zit. Eiwitvertering begint al in je maag. Dit komt door de zure pH en doordat pepsine de eiwitketens knipt.

30

Hoe ziet de vertering van eiwit er in de maag uit?

Er is denaturatie van het eiwit door de lage pH. Vervolgens worden de eiwitketens geknipt door pepsine waardoor de denaturatie irreversibel is gemaakt.

31

Waarom is het handig om een eiwit te denatureren?

Omdat je zo veel beter bij de knipstukken kan. Je moet het eiwit een beetje uit elkaar trekken. Dan is er veel meer contact doordat veel meer enzymen bij het eiwit kunnen.

32

Hoe kun je nog meer eiwit denatureren?

Door een hoge temperatuur! Dit doen wij allemaal bij het koken. Opname gaat hierdoor sneller. Ook zetmeel wordt zo gedenatureerd. Deze uitvinding spaart ons tijd.

33

Hoe worden eiwitten in het duodenum en jejunum verteerd?

Endoproteases knippen gedenatuureerde eiwitten tot polypeptides. Dit zijn de enzymen trypsine, chemotrypsine en elastase, allemaal uit de pancreas. Exoproteases knippen de polypeptiden tot aminozuren en di- en tripeptiden. Dit zijn carboxypeptidase uit de pancreas en aminopeptidase uit de brushborder. De aminopeptidase eet vanaf de aminoterminus. De carboxypeptidase eet vanaf de carboxypeptidus. Daarna vindt opname plaats en uitscheiding in het bloed.

34

Wat is het hoofdbestanddeel van vet chemisch gezien?

Triacylglycerol. Vet is dus een variant van drie vetzuren vast aan een glycerol. Dieet bestaat voornamelijk uit triacylglycerol. Ook wel TAG.

35

Hoe nemen we vet op?

We nemen de losse vetzuren op en dus moeten de vetzuren losgeknipt worden van de glycerol. Het enzym dat dit doet heet pancreas-lipase. Deze breekt dus triacylglycerol af tot monoacylglycerol en twee vetzuren. Hij knipt alleen de onderste en de bovenste omdat je het monoacylglycerol ook op kan nemen.

36

Wat is de moeilijkheid van de vetvertering?

De enzymen zitten in het pancreassap. Dat is een waterige omgeving omdat eiwitten goed oplossen in water. Zij zijn hydrofiel. Vet is per definitie hydrofoob. Water zit zo stevig door allemaal bindingen aan elkaar, vet komt daar niet tussen. Alle TAG moleculen zitten aan elkaar door hydrofobe interacties. Water vormt hydrofiele waterstofbruggen.

37

Hoe zorg je dat de grote vetdruppel klein wordt?

Emulgeren. Voordat je gaat verteren ga je je vetdruppel kleinmaken zodat je veel meer oppervlakte hebt. Alle hydrofobe verbindingen verbreek je. Degene die dat doet noem je een emulgator. Lipase werkt op grensvlak vet druppel met water en hoe kleiner de vetdruppel is, hoe groter het oppervlak en dus hoe meer lipasen tegelijk kunnen werken.

38

Waar moet een emulgator aan voldoen?

Een emulgator moet een hydrofoob deel en een hydrofiel deel hebben. De natuur heeft eentje uitgekozen: galzouten. Galzouten worden gemaakt in de lever uit cholesterol. Ook (lyso)fosfolipiden in het gal zorgen voor emulgatie.

39

Hoe maak je een vet-water emulsie?

Door verwarmen, mengen (maag) en emulgatoren (amfipatische moleculen/zepen).

40

Hoe herken je in een structuur een hydrofoob deel?

C en H. Koolstof en waterstof zijn per definitie hydrofoob.

41

Hoe herken je een hydrofiele structuur?

OH, O en een geladen groep. Dit is per definitie hydrofiel.

42

Galzouten..

Worden gemaakt van cholesterol in de lever en hebben een hydrofobe en hydrofiele kant. Taurocholaat en glycocholate.

43

Galzouten in zijn werk.

Enorme hydrofoben bel heeft op het grensvlak de galzouten met de CH naar het vet en OH naar het water. Zij stabiliseren de kleine druppel. Lipase zit op het grensvlak, kan bij het TAG en breekt ze af. De vetzuren zelf hebben ook de neiging om samen te clonteren en die worden apart gehouden door een gemengde-micel MAG: vetzuren en (lyso)fosfolipiden en galzouten. Zo helpen ze ook bij de absorptie.

44

Beschrijf de rol van galzouten.

De eerste rol is de emulgatie van vetdruppels voor betere werking lipase. De tweede (en belangrijkste) functie van galzouten is het vormen van de gemengde micellen ten behoeve van efficiënte vetzuurabsorptie door darmcellen.

45

Hoe zorgt de darm ervoor dat hij niet zelf verteerd wordt?

Verteren is een heel agressief proces. Hele beesten kunnen verteerd worden. De binnenkant van de wolvendarm is ook levend spul: dit zou ook verteerd kunnen worden. Alle goede worsten worden gemaakt door schapendarm en dit is heel goed verteerbaar. Er zit een soort slijmlaag aan de enterocyten die bestaat uit veel suikertjes waar geen of weinig verteringsenzymen voor zijn. De meeste eiwitten aan de buitenkant zijn zo versuikerd dat de enzymen niet bij de membraan kunnen komen (glycocalyx). Dit is dus een moeilijk te verteerdbare laagje door slijm en versuikering.

46

Waarom wordt de pancreas niet gelijk opgegeten?

De enzymen gaan pas werken als ze in de dunne darm terecht zijn gekomen. Alle verteringsenzymen worden dus niet afgemaakt, maar als proenzym uitgescheiden. In de cel zijn ze daarom niet actief.

47

Hoe wordt pepsine geactiveerd?

Pepsine wordt inactief gemaakt. Pepsine wordt in de maag geknipt. Pepsine ondergaat een conformatieverandering door de lage pH van de maag waardoor hij het stukje wat zijn active site bedekt zelf afknipt.

48

Hoe werkt het activeren van proenzymen in de dunne darm?

De pancreas-zymogenen worden door enterokinase(-peptidase) in de dunne darm geactiveerd. Trypsinogeen wordt door enterokinase omgezet in trypsine en trypsine knipt de andere zymogenen waardoor het allemaal actieve enzymen worden. De enzymen worden dus pas actief als ze langs de brushborder komen.

49

Wat gebeurt er uiteindelijk met al die verteringsenzymen?

Je verteerd uiteindelijk ook je verteringsenzymen. Dat is heel handig, omdat je anders heel veel eiwit verliest via je ontlasting. Als het voedsel verdunt gaan ze elkaar opeten en kun je de aminozuren terugwinnen.

50

Wat is ook een verdediging tegen de verteringsenzymen?

Vernieuwen! De darm is het snelst vernieuwende orgaan, juist omdat hij in dat agressieve milieu van de vertering zit. Dit is duts ook een bescherming tegen autodigestie. De darmcel migreert in ongeveer 3 dagen van crypt naar villus top en wordt dan afgestoten.

51

Kan je adapteren aan je dieet?

Oftewel, kan je meer of minder verteringsenzymen maken dankzij het volgen van een bepaald dieet? Dit kun je een heel klein beetje. Als je een herbivoor bent ligt dat genetisch vast. De evolutie bepaalt. Elk beest produceert zo’n 3 tot 4 maal zoveel verteringsenzymen als hij binnen krijgt. Pas na een hele lange tijd kun je je aanpassen.

52

De hond en de aardappel?

De hond leeft al eeuwen lang samen met de mens (meer dan 1000 jaar) en krijgt ook al die tijd zetmeelbronnen. Daardoor is hij overgegaan voor een deel op zetmeelvertering. Dit kun je genetisch zien doordat hij meer amylase kopieën heeft in zijn genoom. Er zijn ook meer transporters voor glucose naar bloed transport (meer SGLT1). Het is nog steeds een vleeseter, maar kan meer zetmeel eten dan een wolf.

53

Adaptatie neonaat (zoogdier).

Elk zoogdier begint als melkdrinker. Daarna gaat hij over naar zijn echte dieet. Dit zie je genetisch terug. Alle componenten voor de vertering van melk komen alleen tot expressie als ze jong zijn. Eén daarvan is lactase (koolhydraat vertering). Alleen bij sommige mensen komt lactase ook tot expressie bij volwassenen. Lactose was melksuiker, een glucose-galactose disacharide. De mutatie voor lactase is bij de mens ontstaan in de tijd dat veeteeld opgang kwam. Ook rennine speelt een rol en lipase in de tong en maag speelt ee nrol.

54

Wat is rennine?

Melkstremmer. Dit breekt specifiek melkeiwit caseïne af, zodat melk klontert en langer in de maag blijft.

55

Wat doet lipase bij de neonaat?

Lipase in de maag en de tong breekt vet al af (in de maag) en zorgt zo voor een betere vetvertering

56

Welke ziektebeelden treden op als de vertering niet goed gaat?

Te weinig of geen verterings-enzymen. Dit heet in zijn algemeen een exocriene pancreasinsufficiëntie (EPI). Er kan ook een specifiek enzym zijn dat niet goed werkt. Een voorbeeld hiervan is de lactase deficiëntie. Ook kan je een gestoorde vetvertering en absorptie zien bij galgangobstructie.

57

Hoe behandel je een EPI?

Enzymen toevoegen aan het voedsel. Het wordt dan verteerd. Voor mensen heb je mooie pilletjes, voor honden heb je ook oplossingen: pancreatine. Dit bevat:

- Proteasen
- Amylase
- Lipase
- Fosfolipase

58

Welke kenmerken zie je bij te weinig of niet-werkzame verteringsenzymen?

- Gebrek aan voedingsstoffen: vermagering, slechte conditie ondanks goed eten.
- Niet-normale ontlasting: te veel, andere kleur, andere consistentie (soms diarree).
- Soms kramp-winderigheid-diarree doro bewerking voedsel in dikke darm door bacteriën: fermentatie!

59

Wat is wassen?

Emulgeren en, als het eiwitvlekken zijn, het eiwit knippen! Bijvoorbeeld biotex:
- Detergent (zeep, vgl gal)
- Subtilisin (protease)
- Amylase
- Lipase
- Cellulase

60

Waarom kan je geen biotex nemen om je eten te verteren?

Is te agressief. Het eet je hele maagdarmstelsel op.