Hoorcollege 14 - C Flashcards Preview

Digestie > Hoorcollege 14 - C > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 14 - C Deck (33):
1

Wat zijn de functies van de darm?

- Vertering van voedsel
- Absorptie van voedingsstoffen
- Opname van water
- Uitscheiding van faeces

2

Waar is de lengte van het maagdarmkanaal van afhankelijk?

Dit is dieetafhankelijk. Bij carnivoren is darmkanaal kort en bij herbivoren is het darmkanaal lang.

3

Van waar tot waar loopt de dunne darm?

Van de pylorus tot en met het ileum. Het bestaat uit duodenum, jejunum en ileum.

4

Van waar tot waar loopt de dikke darm?

Vanaf het caecum tot de anus. Het bestaat uit het caecum, het colon en het rectum.

5

Wat zie je normaalgesproken op een röntgenfoto van het abdomen?

Eigenlijk niet zoveel. Er zijn maar weinig structuren die dens zijn. Alleen als er bijvoorbeeld een corpus alienum in zit, kun je dat bijvoorbeeld waarnemen. Om het darmkanaal zichtbaarder te maken kun je het dier per os contrastvloeistof geven. Een andere methode is om lucht via het rectum inbrengen. Dit is dan juist zwarter. Met echografie kun je het abdomen veel beter zichtbaar maken.

6

Uit welk deel ontstaat het maagdarmkanaal?

Het grootste deel van het darmkanaal ontstaat uit de middendarm. Hieruit ontstaat het duidenum tot en met de eerste 2/3 deel van het colon transversum. Het laatste 1/3 deel van het colon transversum tot en met het rectum ontstaat uit de einddarm.

7

Wat gebeurt er in de embryonale fase?

De darmen (met name de dunne darm en het jejunum) gaan uitgroeien. De middendarm zakt uit naar ventraal en komt op een gegeven moment zelfs in de dooierzak terecht. Het mesenterium zit vanaf de maag alleen aan de dorsale zijde. Het hele darmpakket van de dunnedarm gaat een draaiing maken om de arterie mesentericum craniale. De draaiing wordt gemaakt van 270 graden met de klok mee van dorsaal gezien. Bij sommige dieren is de draaiing zelfs 360 graden. Het caecum komt dan over het algemeen rechts te liggen, behalve bij de 360 graden dieren. Door de draiing zijn twee darmdelen om de arteria mesentericum craniale gedraaid. Het duodenum loopt via rechts achter de arterie mesenterica cranialis langs (duodenum descendens), maakt dan een bocht (flexura duodeni caudalis) en loopt via de linkerkant weer naar boven (duodenum ascendens). Daar draait hij in een boct over in het jejunum. Dit gaat over in het colon ascendens wat weer naar craniaal gaat aan de rechterkant van de scheilswortel. Dit draait aan de craniale zijde om de scheilswortel heen (colon transversum) en loopt dan links weer naar caudaal (colon descendens).

8

Dus welke bochten zien we om de scheilswortel?

Het duodenum maakt een bocht caudaal om de scheilswortel en het colon maakt een bocht craniaal langs de scheilswortel en dit komt allemaal door de draaiingen die in de embryonale fase hebben plaatsgevonden.

9

Beschrijf het darmpakket van de hond en kat van voor naar achteren.

Vanuit de maag (pylorus zit rechts) begin je met het duodenum descendens, met de bocht caudaal langs de scheilswortel en vervolgens met het duodenum ascendens naar craniaal. Dan uitgebreid het jejunum en vervolgens het ileum. Tussen het ileum en het caecum zit een vlies: plica ileocecale. Dit vlies kun je heel goed gebruiken om te bepalen waar het ileum begint en dus het jejunum ophoudt. Anatomisch gezien maak je onderscheid op het punt waar dat vlies begint. Dan ga je door in het caecum en het colon. Het colon verdeel je onder in het colon ascendens (naar craniaal), colon transversum (craniaal van de scheilswortel) en het colon descendens richting het rectum.

10

Beschrijf verschillen tussen het darmpakket van het varken en die van de hond en kat.

De dunne darm is niet zo heel anders, maar de dikke darm verschilt nogal. Bij het varken is het colon ascendens ongelooflijk in omvang toegenomen. Je komt binnen via het ileum in het caecum. Daarna bestaat het colon ascendens eerst uit windingen aan de buitenzijde naar beneden en dan windingen aan de binnenzijde weer omhoog. Het is spiraalvormig. Die windingen (vooral die aan de buitenkant) dat de doorstroming wat afneemt en er ietwat fermentatie kan plaatsvinden. Daarna heb je gewoon weer het colon transversum en het colon descendens.

11

Beschrijf verschillen tussen het darmpakket van het rund en die van de hond en kat.

Gewoon weer maag, duodenum met caudale bocht om de scheilswortel en het duodenum ascendens met de plooi tussen het duodenum ascendens en het colon descendens. Dan volgt jejunum en dat komt bij het ileum uit en daarna het caeucum. Dan volgt het colon ascendens. In dit colon ascendens moet heel veel water worden geresorbeerd en daarom is het heel lang. Bij het rund is het opgerold in een soort schijf. Vervolgens is er gewoon weer een colon transversum en een colon descendens.

12

Beschrijf de verschillen tussen het darmpakket van het paard en die van de hond en kat.

Er is een heel groot kommavormig caecum. Het colon ascendens van het paard is behoorlijk verschillend. De eerste structuur die je in gaat vanaf het caecum kom je in het colon ventrale dextrum. Vervolgens maakt het colon ascendens een bocht ter hoogte van het sternum en dit noemen we dan de flexura sternalis. Dan ligt het colon ventraal maar aan de linker kant het heet het het colon ventrale sinistrum. Dan maakt hij een bocht ter hoogte van het bekken: de flexura pelvina. Vervolgens kom je in het colon dorsale sinistra en dan via de dorsale flexura diafragmatica (aan de craniale zijde ter hoogte van het diafragma) in het colon dorsale dextrum. Hierna kom je weer gewoon in het colon transversum en het colon descendens.

13

Beschrijf het digestiestelsel van de vogel.

De vogel heeft twee magen: kliermaag en spiermaag. De kliermaag is gewoon een normale kliermaag en de spiermaag is volledig bedoeld voor het fijnmalen van het eten. De inhoud van die kliermaag en spiermaag gaat eigenlijk een aantal keren heen en weer. Als het klein genoeg is gaat het door naar het duodenum. Op een gegeven moment wordt het mesenterium langer en ben je in het jejunum. Van het jejunum en ileum kom je uit in een soort kort colon gebied, wat eindigt in de cloaca. Een vogel heeft twee caeca.

14

Welke aanvoerende bloedvaten zijn belangrijk voor het MDK?

- Arteria Coeliaca (1e deel duodenum)
- Arteria Mesenterica cranialis (duodenum t/m colon transversum)
- Arteria Mesenterica caudalis (colon descendens en rectum)
- Arteria Pudenda interna (laatste deel rectum)

15

Hoe wordt het bloed van het MDK Afgevoerd?

De afvoer van veneuw bloed uit het maagdarmkanaal gaat via de vena porta naar de lever. Dat is in principe zuurstofarm bloed. De lever komt aan zijn zuurstof rijke bloed via de arteria hepatica. Opgenomen stoffen uit het voedsel moeten eerst naar de lever omdat toxische stoffen dan in de lever kunnen worden omgezet voor ze in de circulatie terecht komen. De afvoer van deze vena porta rijkt van de maag tot en met het colon descendens. De afvoer van de voorste delen (mondholte) en het rectum gaat niet via de lever maar dit gaat rechtstreeks naar de lichaamscirculatie. Hier maken we gebruik van bij een zetpil of pillen die in de mond oplossen.

16

Welke functies hebben de motiliteitsproblemen van de dunne darm?

- Menging van chymus met verteringssappen
- Buffering door bicarbonaat uit pancreassappen
- Absorptie van voedingstoffen
- Voortstuwing van inhoud
- Beschermen van mucosa voor zuur maagsap
- Feedback naar de maag

17

Wat voor motiliteitspatronen kent de dunne darm?

Segmentale en peristaltische contracties en antroduodenale coördinatie.

18

Mening versus voortstuwing in de dunne darm.

Segmentale en peristaltische contracties vinden eigenlijk continu en onafhankelijk van elkaar plaats in de dunne darm. Het ENS innerveerd en beïnvloed dit op basis van osmolariteit en vulling van de darm. Segmentaal is in principe alleen de circulaire spierlaag die contraheert waardoor er menging plaatsvindt van voedsel wat zich in de darm bevind. Segmentale contractie wordt niet gevolgd of goorafgegaan door een andere contractie. Peristaltische contracties zijn bedoeld voor de voortstuwing richting caudaal. Er vindt eigenlijk eerst een dilatatie plaats, gevolgd door een contractie. Hierbij zijn de circulaire en de longitudinale spierlaag betrokken. Die contractiegolf gaat van oraal naar aboraal over een centimeter van tien tot twaalf. Dit verzorgt dus de voortstuwing of propulsie. De darm wordt naast het ENS ook beïnvloed door het sympatische en parasympatische systeem, zij hebben een modulerende invloed.

19

Wat is antro-duodenale coördinatie?

Als de inhoud van de maag in het duodenum terecht komt, is dat zuur. De wand van het duodenum is daar niet tegen beschermd dus dat moet snel gebufferd worden. Maar het bicarbonaat komt pas in het duodenum terecht bij de papilla duodeni major (uitgangen pancreas). De maag en het duodenum hebben daar iets op bedacht. Op het moment dat er chymus vanuit de maag het duodenum in gaat, vind er een snellopende peristaltische golf plaats over het eerste deel van het duodenum. Dat zorgt ervoor dat de zure maagchymus zo snel mogelijk bij die uitgangen van de galgang en pancreas terecht komen. Dan is er snel contact tussen chymus en bicarbonaat en kan er gebufferd worden.

20

Beschrijf antro-duodenale coördinatie.

Het proximale duodenum ontspant op het moment van maaglediging (dit is te vergelijken met receptieve relaxatie van de maag). Vervolgens volgt er een snellopende peristaltische golf over het proximale duodenum om zo de contacttijd tussen kwetsbare duodenum-mucose en zure maagchymus te beperken, de chymus snel tot voorbij de uitmondingen van de ductus pancreaticus en de ductus choledocus te brengen en zodat de chymus snel in contact komt met neutraliserend bicarbonaat in pancreassap en gal.

21

Welke andere feedbackmechanismen ken je die het duodenum beschermen tegen zure chymus?

Op het moment dat er chymus in het duodenum terecht komt, daalt de pH en stijgt de osmolariteit in het lumen van het duodenum. De daling van de pH heeft een remmende invloed op de motaliteit van het distale deel van de maag. Ook wordt de afgifte van zuur in de maag geremd.

22

Wat is de housekeepermotiliteit?

Dit is de motiliteit in de interdigestieve fase. De darm moet schoongemaakt worden. Op gezette tijden moet er een peristaltische golf plaatsvinden die begint in de maag (waarbij de pylorus open is) en die over de hele darm loopt tot het colon ascendens en zo alle rommel meeneemt. De functie is dus het leegmaken van maag en dunne darmen van achtergebleven voedseldelen, bacteriën en afgestoten epitheel. De pylorus is continu open tijdens housekeeper motiliteit. Het housekeeperpatroon is diersoortafhankelijk: bij hond, rat en mens alleen in nuchtere toestand, bij paard en herkauwer wordt de housekeeper ook in een gevuld MDK waargenomen. Een nieuwe maaltijd stopt de housekeeper.

23

Beschrijf de contracties van de dunne darm in de verschillende fases.

Digestieve fase.
- Segmentale contracties
- Peristaltiek over kleine afstanden (cm)
- Antro-duodenale coördinatie
- Motiliteit vooral ten dienste van menging

Interdigestieve fase.
- Eén peristaltische contractie plant zich voort over dunne darm (housekeeper)
- Motiliteit ten dienste van voortstuwing
- Pylorus open

24

Wat zijn de functies van de dikke darm?

- Resorptie van water en elektrolyten (belangrijkste)
- Opslagruimte voor fermentatie/absorptie vluchtige vetzuren
- Opslag onverteerbare restanten
- Absorptie van koolhydraten en eiwitten die nog aanwezig zijn
- Voortstuwing

25

Waaruit bestaat de dikke darm en hoe groot is hij?

Caecum, colon en rectum. Lengte, grootte en vorm is diersoortafhankelijk.

26

Welke motiliteit zie je in de dikke darm?

- Segmentale contracties
- Peristaltische contracties
- Antiperistaltiek (fermentatie caecum)
- Massa bewegingen (krachtige peristaltische golf over laatste deel dikke darm)

27

Hoe vindt de regulatie van de motiliteit van de dikke darm plaats bij voedselopname?

- Gastro-colon reflex. Op moment dat voedsel in de maag terecht komt, wordt er een signaal naar colon gestuurd dat er plaats gemaakt moet worden. De peristaltiek in het colon neemt dan toe.

- De sfincter tussen de dunne en de dikke darm relaxeert bij opname van voedsel.

28

Welke drie sfinters ken je in het maagdarmkanaal?

1. De pylorus van antrum naar duodenum. Dit is de gastroduodenale overgang
2, De ileo-caecale sfincter van ileum naar caecum
3. De interne en externe anaalsfincters van rectum naar buiten

29

Wat is het grensconflict bij de pylorus?

Het maagsap is een agressief mengsel met een lage pH en het duodenum heeft géén maagmucosabarrière. Daarom is er antro-duodenale coördinatie. Dit is een snelle perisctaltische golf die de mucosa van het duodenum beschermd en is afgestemd op de maaglediging.

30

Hoe heet de ileo-caecale sfinter ook wel en wat doet hij?

Ileocecal valve. In rust is deze sfincter dicht (gecontraheerd). Op het moment dat er een verwijding is van het ileum (ileal distention) zie je dat de contractie van de sfincter afneemt en open gaat staan. Bij distentie van het ileum krijg je dus relaxatie van de sfinter en daarom passage van darminhoud naar het colon. Op het moment dat het colon (of caecum) uitzet, neemt de sfincterdruk juist toe! Op deze manier voorkom je dat inhoud van het colon terug gaat de dunne darm in. Distentie van het colon zorgt dus voor contractie van de sfincter en voorkomt daarmee reflux uit het colon.

31

Wat zijn de de interne en externe anaalsfincters?

De interne anaalsfincter is glad spierweefsel, wordt vanuit het ENS en het autonome zenuwstelsel beïnvloed. De externe anaalsfincter is dwarsgestreept spierweefsel en kunnen wij willekeurig beïnvloeden.

32

Hoe noem je de externe anaalsfincter ook wel?

De m. sphincter ani externus. Dit is een normale skeletspier. Hij wordt geïnnerveerd door de nervus pudendus.

33

Hoe zorgt een zindelijk dier met aandrang dat hij niet poept?

Er vindt een verwijding van je rectum plaats, waardoor de interne anaalsfincter open gaat staan. De druk komt terecht op de externe anaalsfincter. Deze kan vervolgens gecontraheerd worden. Als dat maar lang genoeg duurt, gaat de interne anaalsfincter zich aanpassen en weer aanspannen. Dan vindt er een reflux plaats van de inhoud van het rectum naar het colon. Bij een volgende massabeweging wordt het meer inhoud en op een gegeven moment lukt dit niet meer.