Hoorcollege 15 - C Flashcards Preview

Digestie > Hoorcollege 15 - C > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 15 - C Deck (41):
1

Noem 4 ziekten die te maken hebben met samenstelling van voedsel.

1. Hypomagnesamie (kopziekte)
2. Hypocalcemische paresis puerperalis (melkziekte)
3. Nutritionele secundaire hyperparathyreoïdie (Calcium gebrek)
4. Thiamine gebrek bij reptielen (zombie alligators)

2

Wat is voeding?

Inname en verwerking van alle stoffen (ook water en zuurstof) die noodzakelijk zijn voor het in stand houden van een dier(soort) en de gezondheid van alle lichaamsweefsels.

3

Wat is de rol van de dierenarts bij veterinaire diervoeding?

Beoordelen verstrekte voeding (in- of uitsluiten als oorzaak van het probleem). Adviseren over voeding. Beoordelen van voedingsclaims. Diëten voorschrijven of opstellen.

4

Welke aspecten spelen een rol bij de beoordeling van voeder?

- Samenstelling: grondstoffen, nutriënten en toevoegingen
- Verteerbaarheid
- Acceptatie (lekker of niet)
- Prijs
- Reputatie producent
- En nog meer, zoals het etiket

5

Beoordeling volledig voeder zonder dier

Er is een gouden standaard nodig. Een methode is dan om te kijken welke nutriënten erin zitten en die te vergelijken met de behoefte van dat dier volgens de gouden standaard. Op basis van de declaratie is een voeder als slecht of als voorwaardelijk goed te kwalificeren. Op basis van de onderzochte of beoordeelde nutriënten voldoet dit voer wel of niet aan de gangbare normen.

6

Hoe kun je waarde van een voer of voederwaarde inschatten?

We kunnen deze inschatting beoordelen of een chemische analyse met of zonder correctie voor benutting.

7

Geef de oorsprong van de Weende analyse.

Dit is een welbekende chemische analyse van voedsel. Deze is in 1864 bedacht door Wilhelm Henneberg en Friedrich Stohmann. Het is eigenlijk een analysesysteem wat bedacht is voor herkauwers. De naam Weende analyse heet zo omdat het huis waat dit bedacht is toevallig in weende stond.

8

Uit welke fracties bestaat de Weende analyse?

Voer of grondstof bestaat uit 6 fracties:
1. Ruw water
2. Ruw eiwit (RE)
3. Ruwe vet (RVET)
4. Ruwe celstof (RC)
5. Ruw as (RAS)
6. Overige koolhydraten (OK) = restfractie

9

Gebruiken we de Weende analyse nog?

De weende analyse neemt een centrale rol in in de waardering van voer. Het CVB (Centraal Veevoeder Bureau) brengt nog ieder jaar een boek uit waar de Weende analyse voor elk voedermiddel is uitgevoerd.

10

Hoe bepaal je het ruwe water en de droge stof (DS) volgens Weende?

Je begint simpelweg met de bepaling van de hoeveelheid water die in het voeder zit. Je pakt een beetje voedermiddel, je weegt hoeveel je in een oventje doet, de over zet je op 105 graden en alles wat verdampt bij 105 graden noem je water. Na een uur of 6 bepaal je hoeveel gewicht je nog over hebt en het verschil noem je het ruwe water. Dit is dus het gewichtsverlies na het drogen. Alles wat verdampt bij die 105 graden wordt gezien als water, daarom ruw water. Wat je nog over houdt is de droge stof (DS).

11

Waarom krijg je geen natte handen van wortel?

Het water zit verpakt in celletjes.

12

Hoe bepaal je de OS en RAS volgens Weende?

In de droge stof zit een deel anorganische stof. De droge stof ga je in een oventje verhitten tot 550 graden celcius. Alle organische stof (OS) zal dan CO2 worden, wat er overblijft is de anorganische stof oftewel de ruwe anorganische stof (RAS).

13

Hoe bepaal je het ruw eiwit (RE) volgens Weende?

De organische stof bestaat uit koolhydraten, vetten en eiwitten. Die moeten we proberen te kwanitifeceren. De eiwit fractie (RE) wordt geanaliseerd volgens de Kjeldahl methode. Dat is een zeer brute methode. Je pakt geconcentreerd zwavelzuur, dat gooi je over het voedingsmiddel heen en alle stiksofhoudende verbindingen verworden dan tot ammoniak. De hoeveelheid ammoniak probeer je op te vangen en te meten wat het is. Dan krijg je een indruk van hoeveel stikstof er in die voeding zit. Die hoeveelheid stikstof vermenigvuldig je met 6,25. Zo krijg je in grammen het berekende ruwe eiwit (RE).

14

Waar komt de 6,25 vandaan bij de bepaling van ruw eiwit?

Gemiddeld genomen bevat eiwitten 16% stikstof. 1 : 0,16 = 6,25.

15

Waarom ruw eiwit?

In 2008 kwamen zes kinderen in china om na het drinken van met melamine aangelengde melk. In China zijn zeven mensen opgepakt omdat ze melk zouden hebben aangelengd met de giftige stof melanine. Soortgelijke casus wordt ook gezien bij katten in Amerika. Eiwit is duur. Melanine is een stofje waar een hele hoop stikstof in zit. Als je daar zwavelzuur overheen gooit, wordt dat allemaal ammoniak. Als je dat vermenigvuldigt met 6,25 heb je ineens een helehoop vals eiwit. Melanine: N = 57%. Dit wordt dus als eiwit gerekent en maakt dus misbrukt van de Weende analyse. 0,57 x 6,25 = 3,56 gram RE. Een liter melk + een gram melanine = eiwitgehalte + 12%.

16

Hoe bepaal je het ruwe vet (RVET) in de weende analyse?

Ruw vet is materiaal oplosbaar in organische oplosmiddelen. Voeg petroliumether toe aan het voer. Petroliumether gaat alle stoffen oplossen die lipofiel van karakter zijn. Door vervolgens dat petroliumether af te dampen, hou je gewoon de lipidefractie in het maatkolfje over en kun je het wegen. Dit is dan het Ruw Vet van het voer (RVET). Dit zijn alle lipiden.

17

Hoe bepaal je de koolhydraten in de weende analyse?

De koolhydraten gaan we onderverdelen in koolhydraten die niet oplosbaar zijn tijdens het koken in zwak zuur en loog (dit is de ruwe celstof RC) en in overige koolhydraten (OK), wat de berekende restfractie is (wel oplosbaar in het koken in zwak zuur en loog).

18

Waarom RUW?

Weende analyse is een oude, niet zo specifieke methode. Schoenen met leer, motorolie, steentjes, wasbenzine, plastic en stijfsel kan samen ook voor een geschikt diervoeder zorgen volgens de Weende analye. De Weende analyse zegt niets over de nutriënten zelf.

19

Geef de pluspunten en minpunten van de Weende analyse.

Minpunten:
- Specificiteit is slecht
- Voedingsfysiologische betekenis onbekend
- Tijdrovend

Pluspunten
- Algemeen toegepast
- Eenvoudig

20

Waarom leren we nog steeds de Weende analyse?

Er is een wettelijke verplichte declaratie. Het moet op het zakje voer staan.

21

Noem een alternatief op de Weende analyse.

De NIR (Nabij Infrarood Spectroscopie) die wordt uitgevoerd door de firma eurofins. Deze voederwaarde-onderzoeker voor ruwvoeders voor agrarische ondernemers onderzoekts zo’n 500.000 monsters op jaarbasis.

22

Hoe werkt de NIR methode?

Je gaat het voer blootstellen aan een klein stukje van het spectrum van het licht (700 tot 2500 nm). Dat voer bestaat uit allemaal organische deeltjes en die absorberen en reflecteren een deel van dat licht. Het resultaat is een grafiekje van de NIR meting. Je stopt een zakje voer in de machine en drukt op een knop. In 2 seconden is een monster bepaald. Op basis van het absorptiespectrum wordt de voederwaarde van het voer bepaald. Dat doe je door een modelvoer te nemen (bijvoorbeeld gras). Daar voer je vervolgens een Weende analyse op uit. Vervolgens maak je daar een absorptiespectrum van. Via een wiskundig model kun je dat absorptiespectrum koppelen aan de chemische analyse van het voer. Vervolgen kun je willekeurig gras nemen, daar een NIR meting van maken en dan kun je met het wiskundig model berekenen wat dan de voederwaarde is van het voer. Je doet dus eerst een NIR-meting met een model om referectiewaarde te krijgen en dan doe je een NIR-meting met het voer om een vorspelling te maken.

23

Wat zijn de voor- en nadelen van de NIR methode?

Voordelen
- Snel
- Weinig preparatie

Nadelen
- Niet zo nauwkeurig
- Betrouwbaarheid afhankelijk van uitgebreidheid ref. meting

24

Noem twee chemische analyses van voer

1. Weende analyse
2. NIR methode

25

Wat bepaal je bij de bepaling van de benutting door het dier?

Vaststellen van het percentage van het nutriënt dat door het dier wordt verteerd/geabsorbeerd.

26

Met welke bekende methode bepaal je in vitro de vertering van herkauwers?

Met de Tilley & Terry methode (1961). In feite probeer je het maagdarmkanaal na te bootsen. Je neemt voer, stopt dit in een potje met pensvloeistof en een buffer en laat dit 48 uur incuberen. Vervolgens doe je er pepsine en zuur bij en laat je dit weer 48 uur incuberen. Daarna analyseer je het residu. Dan heb je een soort schatting van de verteerbaarheid van het voer.

27

Noem een in vitro methode voor het bepalen van de vertering van voedsel door monogastrische dieren.

De Boisen methode (1997) voor varkens. Voer wordt eerst in een potje met pepsine en HCL (pH 2) gestopt om de maag na te doen. Dit laat je 2 uur incuberen. Vervolgens wordt er pancreatine en NaOH (pH 6.8) bijgedaan. Dit laat je 4 uur incuberen en doet de dunne darm na. Als laatste doe je er microbiële carbo-anhydrases bij (pH 4.8) en dit laat je 18 uur incuberen om de dikke darm na te doen. Dan wordt het residu geanalyseerd.

28

Welke in vitro methode ken je voor het bepalen van de vertering van mens, hond, kat en varken?

TNO intestinaal Model (TIM) uit 1997.

29

Hoe werkt TIM-1?

De maag en de dunne darm (in drie delen: duodenum, jejunum en ileum) zijn nagemaakt. Links en rechts van de dunne darm zitten apparaten die de motiliteit van de darm proberen na te doen. In ieder stuk kun je een aftapping maken en dit analyseren. TIM-1 haalt via een membraansysteem zelf nutriënten uit het lumen zodat dit kan worden geanalyseerd. Aan het einde van TIM-1 worden onverteerde delen uitgescheiden en deze kunnen geanalyseerd worden en vervolgens in TIM-2 (dikke darm) gestopt worden. Dit is dus een meer dynamisch model.

30

Wat is het ultieme model om de vertering in te bepalen?

Het dier

31

Hoe meet je in vivo de verteerbaarheid van voedsel?

Je stopt een bepaalde hoeveelheid in het dier. De feces vang je op. Je berekent het verschil tussen wat eruit komt en erin gaat. Dit geeft de schijnbare fecale verteerbaarheid van een nutriënt. Het sommetje wat daarbij hoort is: VC = ((opname-feces) / opname) X 100. De verteringscoëfficient.

32

Hoe doe je een in vivo bepaling van de vertering?

In een metabole kooi kun je varkens, geiten, schapen, honden en katten stoppen. Het dier staat op een rooster. Op dat rooster valt alle feces en door de gaatjes komt de urine apart. Zo kan de fecale excretie worden bepaald. Bij paarden hang je een tuigje onder de staart om alle feces op te vangen.

33

Schijnbare fecale RE verteerbaarheid berekenen.

Je bepaalt hoeveel RE er in het voer zit en je bepaalt hoeveel RE er in de feces zit. Eiwitopname via voer: 100 g RE / dag. Eiwit excretie via de feces: 20 g RE / d. De VC van RE is dan ((100-20)/100) X 100 = 80%.

34

Wat doen we met de verteringscoëfficient?

Deze is van groot belang. Voor elk individueel voedermiddel wordt door het CVB in de veevoedertabel gezet wat per nutriënt de verteringscoëfficient is. Deze zijn nodig om uiteindelijk het energiegehalte van het voer te kunnen schatten. Op basis van de Weende analyse en regressie modellen berekenen we dan de energiedichtheid van het voer. Voorbeeld hieronder.

Energie voer (MJ/kg)=(((19.0 X VRE)+(37.8 x VRVET)+(16.3 X VRC)+(17.1 X VOK)))/100

35

Waarom gaat het om schijnbare vertering van RE?

Omdat het in de werkelijkheid allemaal wat moeilijker is. Het RE in de feces bestaat uit onverteerd voereiwit en endogeen fecaal eiwit. Dit endogeen fecaal eiwit bestaat uit mucus, enzymen en enterocyten en dat is door het dier zelf gemaakt eiwit. Ook de endogeen fecale eiwitten worden gemeten. Dit zou je eigenlijk moeten corrigeren.

36

Wat is dan de werkelijke fecale verteerbaarheid van RE?

Opname min het eiwit in de feces. Dit eiwit in de feces ga je dan corrigeren voor de endogeen fecale eiwitten. Dat ziet er als volgt uit:

〖VC〗_RE=((RE opname-(RE feces-endogeen fecaal RE)))/(RE opname) X 100%

37

Hoe kom je erachter hoeveel RE in de feces endogeen is?

Je geeft het dier tijdelijk voer zonder stikstofverbindingen, meet dan hoeveel stikstofverbindingen er toch nog in de feces zitten en beschouwt dit als endogeen fecaal RE.

38

Is de waarde van een nutriënt afhankelijk van de plaats van vertering?

In het eerste stuk van het darmkanaal (dunne darm) worden organische moleculen op basis van diereigen enzymen afgebroken tot aminozuren, glucose enzovoort. In de dikke darm vindt ook afbraak van voer plaats, maar dat gaat op basis van microbiële fermentatie. Dit levert microbieel eiwit en amoniak en vluchtige vetzuren op. Microbieel eiwit wordt niet vanuit het colon naar het bloed toe geabsorbeerd. Ook ammoniak heeft geen eiwitwaarde. Eiwit wat wordt afgebroken in de dikke darm is nutteloos. De vluchtige vetzuren kunnen deels nog wel worden opgenomen, maar minder dan glucose. Daarnaast raak je energie kwijt in de vorm van fermentatiewarmte. Het maakt dus voor de waarde van een nutriënt heel veel uit waar het wordt verteerd.

39

Geef verschillen van vertering in de dunne darm en de dikke darm.

Dunne darm.
Diereigen enzymen
Eiwitten > aminozuren
Zetmeel > glucose

Dikke darm.
Microbiële fermentatie
Eiwitten > microbiële eiwitten en NH3
Zetmeel > vluchtige vetzuren

40

Als je voor eiwit wilt weten wat de échte waarde is wat wil je dan weten?

Dan wil je de schijnbare ilale verteerbaarheid berekenen. Dit is de maat voor de enzymatische afbraak van eiwitten. Dit is voordat het microbieel wordt afgebroken. Om dat te weten te komen moet je een dier prepareren. Je brengt een canule aan op de overgang van ileum naar caecum. Zo probeer je daar te kijken hoeveel nutriënten er nog over zijn aan heteinde van de dunne darm. De berekening verscihlt niet zo. Ileale VC = ((RE voer – RE chymus) / RE voer) X 100%. Dit wordt altijd gebruikt bij varkens!! Altijd ileale verteerbaarheid.

41

Schatting waarde voer.

Waarde voor het dier is de (weende) chemische analyse en de verteerbaarheid (schijnbaar / werkelijk, fecaal / ileaal).