Hoorcollege 4 - A Flashcards Preview

Digestie > Hoorcollege 4 - A > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 4 - A Deck (43):
1

Geef het bouwplan van het digestiestelsel

1. Mond
2. Oesophagus
3. Maag > verschillende typen
4. Darmtractus
5. Extramurale spieren

2

Waaruit bestaat de darmtractus?

Duodenum
Jejunum
Ileum
Caecum
Colon
Rectum

3

Opbouw darmwand van luminaal naar interstitieel

- Tunica mucosa (darmslijmvlies)
- Tunica submucosa
- Tunica muscularis
- Tunica serosa of tunica adventitia

4

Wanneer zie je de tunica serosa en wanneer de tunica adventitia?

Tunica serosa: in borst/buikholte
Tunica adventitia: in mondholte, slokdarm, rectum

5

Waaruit bestaat de tunica mucosa?

1. Lamina epithelialis
> eenlagig epitheel (intestinaal)
> meerlagig plat epitheel, soms verhoornd (cutaan)

2. Lamina propria
Losmazig bindweefsel, klieren, lymfoïde cellen (afhankelijk locatie en dier)

3. Lamina muscularis mucosa. Glad spierweefsel. Niet altijd aanwezig, vaak wel

6

Waar vind je cutaan epitheel en waar vind je intestinaal epitheel in de tunica mucosa?

Cutaan epitheel vindt je vooral aan het begin en aan het eind van de tract. Dat zie je dus in de mondholte, in het rectum en in de slokdarm. Het is een meerlagig epitheel en de functie daarvan is dat het bescherming biedt. Cutaan epitheel is niet handig als je voedingsstoffen wilt opnemen. Daarom vindt je vanaf de maag en in de darm eenlagig cylindrisch epitheel. Dit zorgt voor een makkelijke secretie en absorptie.

7

Beschrijf de tunica submucosa.

Bindweefsellaagje onder de mucosa. Er kunnen bloedvaten, lymfevaten en klierweefsels inzitten. Bindweefsel is hier losmazig. Je vindt hier ook een zenuwplexus: de plexus submucosus. Of er klierstructuren inzitten hangt er vanaf waar in de tract en welke diersoort.

8

Beschrijf de tunica muscularis.

Dit is een spierlaag bestaande uit twee lagen. De spiervezels in die lagen hebben een verschillende oriëntatie. De binnenste laag is altijd circulair dus die loopt om de buis heen en de buitenste laag is altijd longitudinaal dus die loopt in de lengte met de buis mee. Ook hier is weer een zenuwplexus: de plexus myentericus. Deze zit tussen de spierlagen in.

9

Hoe zit het met de nerveuse innervatie van de darmwand?

De autonome innervatie van de darmwand gebeurt door de plexus submucosus en de plexus myentericus. Het is zowel de parasympatische (rest & digest) als de sympatische (fight & flight) innervatie van de klieren in de tunica submucosa en het gladde spierweefsel in de tunica muscularis.

10

Hoe heet de plexus submucosus ook wel?

Plexus van Meissner

11

Hoe heet de plexus myentericus ook wel?

Plexus van Auerbach

12

Wat valt op aan de histologie van de oesophagus van een herbivoor?

Wat opvalt is dat vooral bij de herbivoor het epitheel heel erg gekeratiniseerd is en heel dik is. Bij de carnicoor zie je onderin slijmklieren, die vind je bij een herbivoor niet.

13

Beschrijf de overgang oesophagus naar kliermaag.

Bijna de hele oesophagus heb je dat meerlagig cutaan epitheel. Op een gegeven moment gaat het epitheel acuut over van een meerlagig cutaan epitheel naar een éénlagig intestinaal epitheel. Dit is de overgang van oesophagus naar kliermaag. De tunica mucosa is veel dikker in de kliermaag. We zien een kliermaag dus dit gaat over een carnivoor.

14

Beschrijf het bouwplan van de enkelvoudige maag.

Over de hele wand van de maag vind je in de tunica mucosa kliercellen. Het is een klierrijke maag. Afhankelijk van waar in de maag je kijkt noemen het cardiaklieren of fundusklieren. Bij de overgang naar het duodenum zit nog een kringspier. Die spier heet de pyloric sphincter. In de maag vindt je op eigenlijk elk stukje oppervlak rugae.

15

Beschrijf de fundusklieren.

Je kijkt in het opbollende stuk van de maag. De epitheellaag gaat heel sterk plooien. Door die plooiingen krijg je een soort buizen. Een lamina propria zie je eigenlijk niet meer, die is helemaal opgevuld met kliercellen. In de lamina propria liggen klierbuizen (recht en niet vertakt). Daar vindt je ook muceuze halscellen (produceren heel veel slijm), parietaalcellen en hoofdcellen.

16

Welke cellen vindt je allemaal in de klierbuizen van de fundusklieren?

1. Slijmnapcellen: productie muceus secreet ter bescherming maagwand
2. Muceuze halscellen: productie taai slijm
3. Stamcellen (zie afbeelding)
4. Parietaalcellen: productie maagzuur (zoutzuur)
5. Hoofdcellen: pepsine-productie eiwitvertering
6. Entero-endocriene cellen: gastrine – maagsapsecretie omhoog. Deze vindt je ook in de darm. Ze zijn hormonaal, reguleren afgifte van de pancreas via het bloed. Gastrine is hun product.

17

Welke maagtypen kennen we allemaal?

Enkelvoudige maag
Enkelvoudige samengestelde maag
Meervoudige samengestelde maag

18

Wie hebben een enkelvoudige maag? Beschrijf de tunica mucosa

Hond, kat, mens
Klierrijke tunica mucosa in hele maag

19

Wie hebben een enkelvoudige samengestelde maag? Beschrijf de tunica mucosa

Varken, paard, knaagdier.
Klierloze regio cutaan slijmvlies (pars proventricularis, pH hoog) en klierrijke regio (pars glandularis, pH laag)

20

Wie hebben allemaal een meervoudige samengestelde maag? Beschrijf de tunica mucosa

Herkauwers, nijlpaard (4 magen)
Groot deel klierloos, differentiatie klierloze voormagen en een kliermaag.

21

Hoe breken herkauwers cellulose af en waarom is een grote maag van belang?

Cellulose is lastig af te breken. Bacteriën breken het af tot glucose. Die bacteriën gebruiken de glucose zelf. Er komen vrije vetzuren vrij en die kunnen de herkauwers opnemen. Voedsel kan door grote ruimte lang in de maag blijven, er is veel tijd voor fermentatie.

22

Hoe werkt het herkauwen van de herkauwersmaag?

Koe eet het voer op. Dit voer gaat naar pens of naar de netmaag (kan naar beide). Daar blijft het een tijdje. De koe slaat het even op. Als hij dan eenmaal gaat herkauwen gaat hij ergens rustig liggen en dan komen de voedselbrokken steeds weer terug in de bek. Het voedsel gaat een paar keer heen en weer. Uiteindelijk komt het in de boekmaag terecht en vanuit de boekmaag gaat het naar de lebmaag. De lebmaag is vergelijkbaar met een kliermaag van de carnivoren. Kalfjes nemen nog nauwelijks vast voer tot zich. Daar is het voormagencomplex nog niet zo sterk ontwikkeld. De melk gaat dan direct naar de lebmaag. Als het dier vast voer tot zich gaat nemen worden die voormagen steeds groter. Uiteindelijk is de pens 75% van de hele maag.

23

Benoem alle voormagen en de kliermaag.

Voormagen: rumen (pens), reticulum (netmaag), omasum (boekmaag).
Kliermaag: abomassum (lebmaag).

24

Wat is de functie van het voormagencomplex

Voorvertering van cellulose-rijk voedsel

- Mechanische verkleining
- Vertering door bacteriën
- Vorming en absorptie vluchtige vetzuren

25

Wat is de histologie van de voormagen globaal?

Meerlagig cutaan epitheel (klierloos) met specialisaties van de tunica mucosa

26

Beschrijf de histologie van het rumen.

Als je kijkt naar het pens gedeelte, zie je een vrij grote tunica muscularis. Dit betekent dat die maag flink gespierd is en goed kan kneden en bewegen. De tunica mucosa heeft een duidelijk cutaan epitheel (paarse laag). De vlokken kunnen ongeveer een centimeter groot worden.

27

Hoe kan het cutane epitheel van het rumen toch geschikt zijn om vluchtige vetzuren op te nemen?

Dit komt doordat er direct onder de epitheellaag een capillair netwerk ligt en daar kunnen die vluchtige vetzuren worden opgenomen. Je ziet in de kern van de vlok weer de lamina propria.

28

Beschrijf de histologie van het reticulum

Hier zie je dat de honinggraat-structuur gemaakt wordt door de tunica mucosa, net als de vlokken in de pens. In de randjes zit spierweefsel van de muscularis mucosa. Daarmee kunnen die randen ook omlaag getrokken worden. Er is weer cutaan epitheel zichtbaar (donkerpaars randje).

29

Beschrijf de histologie van het omasum

De uitstulpingen van de tunica mucosa zijn nog wat extremer. In deze structuur zit niet alleen spierweefsel van de muscularis mucosa maar ook van de circulaire spierlaag. De nummering van de bladen worden vaak de bladen van de 1e tot de 5e orde genoemd, waarbij het langste blad van de 1e orde is. Er zitten puntjes op, de bladen kunnen langs elkaar heen bewegen waardoor het voer nog verder uitgeperst wordt en het vloeibare gedeelte gaat dan naar de lebmaag.

30

Waaruit bestaat de dunne darm?

Duodenum, jejunum en ileum.

31

Beschrijf de histologie van de dunne darm.

In de dunne darm heb je de darmvilli. De functie van de darmvilli is het oppervlakte zo groot mogelijk maken want hier moeten voedingsstoffen geabsorbeerd worden. De tunica mucosa gaat sterk plooien. Uitstulpingen vormen de villi en instulpingen vormen de crypten. Een villus bestaat uit het epitheel met de lamina propria. De lamina muscularis mucosa plooit niet mee de villus in

32

Op welke drie manieren wordt voor oppervlaktevergroting van de dunne darm gezorgd en hoeveel vergroting heb je dan uiteindelijk?

Niet alleen de villi zorgen voor oppervlaktevergroting. Er zijn nog twee structuren die bijdragen aan (bij de mens) een voetbalveld aan absorptieoppervlak. Van macroscopisch naar microscopisch: (1) plooing hele tunica mucosa (inclusief lamina muscularis mucosa) heet het plooien van Kerckring. 3 x meer oppervlakte. (2) Villi (plooiing epitheellaag met lamina propria). 10 x meer oppervlakte. (3) De epitheelcellen zelf hebben microvilli. 20 x meer oppervlakte. In totaal 600 x meer oppervlak dan wanneer het glad zou zijn.

33

Welke cellen kom je tegen in de villi en de crypten van de dunne darm?

De epitheelcellen die zorgen voor de absorptie van voedingsstoffen en die de microvilli bezitten noemen we de enterocyten. Tussen de enterocyten in zitten Gobletcellen. Dit zijn epitheelcellen die slijm produceren. Slijm kleurt niet aan, zie je als wit bolletje. Halverwege de crypt vinden we entero-endocriene cellen die darmhormonen produceren. Ook stamcellen (hals van crypt) zijn aanwezig. Helemaal onderin liggen de Paneth cellen. Dit zijn cellen die meedoen aan de afweer. Zij maken een lysozym waarmee je bacteriën kunt lyseren.

34

Wat is er speciaal aan de tunica submucosa van het duodenum?

Daar valt op dat je een grote tunica mucosa hebt, maar in de tunica submucosa zie je heel veel klierweefsel liggen. Van de bindweefselstructuur zie je niets meer terug omdat het volgepakt ligt met klierweefsel. Dit noemen we de klieren van Brunner. Zij maken een bicarbonaat rijk secreet wat zij afgeven aan het duodenum. De functie daarvan is dat als de zure maaginhoud in het eerste stuk van de dunne darm terecht komt, het geneutraliseerd moet worden. Bicarbonaat haalt het zure effect eraf. Dit vind je vooral bij de carnivoren.

35

Beschrijf de histologie van de peyerse platen in het ileum

Peyerse platen zijn ophopingen van lymfefollikels en zij zorgen voor de afweer. Bij jonge dieren (bijvoorbeeld biggetje) kun je macroscopisch bij sectie deze grijswitte korrels terugvinden in de wand van de darm. Dit kunnen echt hele grote structuren worden. De hele submucosa kan er helemaal vol zitten en dit kan de structuur van de villi aanpassen. Je vindt deze structuren over de hele lengte van de dunne darm, maar voornamelijk in het ileum.

36

Waaruit bestaat de dikke darm?

Uit het caecum, het colon en het rectum

37

Beschrijf de cellen en de histologie van de dikke darm.

De dikke darm lijkt heel sterk op de dunne darm. Het grootste verschil is dat er wel crypten zijn, maar geen villi. De functie van de dikke darm is voornamelijk het indikken van de feces en dus het terugresorberen van vocht en voedsel. Hoe verder je in de dikke darm komt, hoe droger het woord, hoe meer mucus en slijm je nodig hebt om geen beschadigingen te krijgen. Het epitheel is nog steeds intestinaal en we vinden nog steeds enterocyten, maar het zijn er minder. Er zijn veel meer Gobletcellen aanwezig om meer mucus te kunnen produceren. Ook vinden we nog entero-endocriene cellen en stamcellen.

38

Wat zijn speekselklieren en wat is er anders aan een speekselklier dan aan een Brunnerse klier?

Extra-murale klieren: ze zitten buiten de digestietractus, maar geven hun secreet af aan de digestietractus. De Brunnerse klieren noem je intra-muraal omdat ze in de darmwand liggen.

39

Welke grote speekselklieren ken je? Geef ook aan welk type uitscheiding.

Glandula parotis - oorspeekselklier (sereus)
Glandula mandibularis - onderkaak (gemengd)
Glandula sublingualis - onderde tong (muceus)

40

Waar zitten verschillende kleine speekselklieren?

Lip, tong, wang, gehemelte.

41

Wat voorklieren zijn speekselklieren? Wat is het verschil tussen de grote speekselklieren en de kleine speekselklieren?

Speekselklieren zijn allemaal exocriene klieren. De grote speekselklieren geven hun secreet af als er voedsel in de mond aanwezig is en daarvoor eigenlijk niet. Het kan wel zijn dat als je iets lekkers ruikt en het water loopt je in de mond, dat dat komt doordat de grote speekselklieren zich legen. Ze worden dus gestimuleerd door een prikkel. De kleine speekselklieren maken continu speeksel aan en geven dit ook continu af om te zorgen dat de mond vochtig blijft.

42

Beschrijf de histologie van de speekselklieren

Speekselklieren zijn samengestelde tubulo-acinaire klieren. Tubulo wijst op dat er een buis aanwezig is die voor de afvoer zorgt. Acinair wijst op de structuur van de kliereenheid. Een acinus is eigenlijk een bes. Dit is in de vorm van een framboos. Ieder bolletje geeft zijn secreet af aan de binnenkant van die bes. De ascinus is dus het secernerende deel (afgifte regulerende gedeelte). Dit kan helemaal sereus zijn (secreet in granula), maar het kan ook gemengd zijn (altijd muceus met sereus). De muceuse delen maken dan slijm en de sereuse delen iets met enzym. Er ligt vaak myo-epitheel omheen. Dit kan samentrekken en zo kan het secreet worden afgegeven.

43

Beschrijf de bouw van de pancreas

De pancreas wordt ook wel de buikspeekselklier genoemd. Hij ligt in de bocht van het duodenum en hij geeft zijn secreet af op het moment dat er voedsel uit de maag in het duodenum wordt afgegeven. De pancreas is een gecombineerde klier. Er zit zowel een exocrien als een endocrien gedeelte in. Het endocriene gedeelte is nu niet aan de orde, maar dit zijn de eilandjes van langerhans die insuline en glucagon produceren wat te maken heeft met de regulatie van de bloedsuikerspiegel. Het exocriene deel lijkt op de speekselklieren. Er zijn weer sereuse cellen met een afvoerend gedeelte in het midden. Die mondigen uit in een verzamelbuis die de boel uiteindelijk naar het duodenum leidt.