Hoorcollege 7 - B Flashcards Preview

Digestie > Hoorcollege 7 - B > Flashcards

Flashcards in Hoorcollege 7 - B Deck (37):
1

Hoeveel liter secretie doet een mens per dag?

Ongeveer 7 liter

2

Waarvandaan komt al die secretie en wat is het?

Speekselklieren, maag, darmen, pancreas en lever. Het bestaat uit water, mucus, bicarbonaat, NaCL, kaliumionen, natriumionen en enzymen

3

Wat is diffusie?

De verplaatsing van moleculen van een gebied met een hoge concentratie naar een gebied met een lage concentratie. Zo wordt een evenwicht bereikt.

4

Hoe werkt osmose?

De deeltjes die opgelost zitten in water kunnen zich niet zelf over de membraan verplaatsen, maar het water wel. Water gaat zich dan van de lage concentratie verplaatsen naar de hoge concentratie.

5

Hoe beweegt diffusie en wanneer stopt het? Zeg ook iets over de snelheid.

Diffusie is passief en beweegt van een hoge concentratie naar een lage concentratie. Het stopt bij een equilibtium (dan is er geen netto beweging meer, moleculen verplaatsen zich wel). De snelheid is afhankelijk van membraaneigenschappen, temperatuur, afstand en grootte.

6

Waarover vindt osmose plaats? En hoe wordt er dan bewogen? Geef de formule.

Osmose vindt plaats over semi-permeabele membranen. Water beweegt zich van een lage concentratie opgeloste stoffen naar een hoge concentratie opgeloste stoffen.

Pi = RTc

Een osmotische druk wordt bepaald door de concentratie opgeloste deeltjes, niet door de soort opgeloste stof. Waterbeweging is recht evenredig met het osmotisch drukverschil. Als een epitheel een osmotisch drukverschil kan genereren, dan kan dit epitheel in principe water uitscheiden!

7

Hoe wordt secretie globaal gereguleerd?

Neurohumoraal

8

Geef in korte punten de neurale regulatie van secretie weer.

Autonoom zenuwstelsel (extrinsiek)
> parasympaticus: n. vagus
> sympaticus n. splanchnicus (geen secretie)

Enteric nervous system (ENS, intramuraal) werkt intrinsiek (vanuit MDK zelf).

9

Waar zit het enteric nervous system?

Deze is verdeeld in een myenterische plexus en een submucosale plexus. De submucosale plexus zit tussen de mucosa en de circulaire spierlaag en de myenterische plexus zit tussen de circulaire spierlaag en de longitudinale spierlaag.

10

ENS en autonoom werken samen?

Het ENS en het autonome zenuwstelsel werken nauwlettend samen en beïnvloeden elkaar ook. De parasympaticus en de sympaticus grijpen aan op interneuronen van het ENS.

11

Beschrijf de humorale regulatie van secretie

Endocrien: gastrine, CCK, GIP en secretine

Paracrien: histamine en somatostatine

12

Endocrien

Effect via bloed op andere cel

13

Paracrien

Lokaal effect op ander type cel

14

Autocrien

Lokaal effect op dezelfde soort cel

15

Wat is synergie?

Ook wel potentiëring. Het effect van de modulatoren samen is sterker dan de som van de effecten van de modulatoren individueel. 1 + 1 = 3

16

Beschrijf feedback mechanismen.

Het kan zo zijn dat de voedselbrok een respons opwekt die er juist voor zorgt dat de stimulus weer zal dalen (negatieve feedback). Er is ook positieve feedback. Dat komt minder voor omdat we er uiteindelijk op gericht zijn om homeostase te bereiken en te behouden. Een voorbeeld is een bevalling. Contracties worden steeds heftiger tot de baby geboren is. Het is een soort sneeuwbal effect.

17

Wat is het feedforward mechanisme?

Anticiperende responsen die starten als reactie op een verandering die nog gaat komen. Bijvoorbeeld speekselen bij het zien of ruiken van voedsel.

18

Hoe is een speekselklier opgebouwd?

De speekselklier bestaat uit acinaire cellen (dit zijn de secernerende cellen) en ductus cellen. De ductuscellen kunnen het speeksel nog modificeren.

19

Waaruit bestaat speeksel?

1. Mucines
Glycoproteïnes, vormen mucus bij menging met water. Zij maken het voedsel zacht

2. Enzymen.
Lysozymen hebben een antibacterieel effect. Ze helpen bij de vertering en zijn leeftijd- en diersoortafhankelijk (amylase bij de mens en varken)

3. Ionen. Ook dit is diersoortafhankelijk. Speelt een rol bij de pH regulatie, vooral door de aanwezigheid van buffers zoals bicarbonaat

20

Hoe komt het dat herkauwers veel bicarbonaat in hun speeksel hebben?

Speeksel is vanuit de acinaire cellen vooral een oplossing van natriumchloride. Bij verplaatsing door de ductus zullen de ductuscellen zoveel mogelijk natrium en chloor op proberen te nemen en de ductuscellen zullen dan nog wat bicarbonaat en kalium toevoegen.

21

Geef de 3 fases van het voedsel met betrekking tot de secretie

- Cefale fase (denken, zien, ruiken, proeven)
- Gastrische fase (slokdarm, maag)
- Intestinale fase (darm)

22

Wie zorgen er voor stimulatie en wie voor remming van de secretie in de cefale fase?

Parasympaticus (n. vagus) zorgt voor stimulatie

Sympaticus (n. splanchnicus) zorgt voor remming. In sommige diersoorten zorgt ook deze voor stimulatie, maar dit heeft geen functie voor de vertering, bij honden voor klaarmaken aanvallen

23

Geef de opbouw van de maagklier.

Mucus nekcellen produceren mucus en bicarbonaat. Deze lagen zijn van belang om je te beschermen tegen het zoutzuur (HCl) wat de pariëtale cellen uitscheiden. Verder heb je ook enterochromaffinelike cellen (ook wel ECL cellen) die histamine produceren. Hoofdcellen maken pepsinogeen, de D cellen maken somatostatine en de G cellen maken gastrine.

24

Geef de samenstelling en functie van maagsap

- Zoutzuur (HCL) zorgt voor denaturatie van eiwitten en onschadelijk maken micro-organismen.

- Pepsinogeen > lage pH > pepsine. Zorgt voor afbraak van eiwitten.

- Alkaltisch slijm (mucus met bicarbonaat) zorgt voor bescherming van de maagwand tegen de lage pH in het lumen

- Water

- Ionen: Na+ en K+

25

Geef kort de neurohumorale regulatie van de maagsapsecretie.

Neuraal.
- ENS (mechano + chemo) zorgen voor stimulatie.
- Parasympaticus (n. vagus met ACh) zorgt voor stimulatie

Endocrien
- Gastrine zorgt voor stimulatie

Paracrien
- Histamine zorgt voor stimulatie
- Somatostatine zorgt voor remming

26

Geef van gastrine aan waar en hoe de afgifte plaatsvind, wat voor stimulatie van die afgifte zorgt en wat de functie van de stof is.

Afgifte: endocrien door G-cellen in het antrum en duodenum

Stimulatie: hoge pH, aminozuren, peptiden, acetylcholine in de maag

Functie(s): stimuleren van maagzuursecretie van de pariëtale cel

27

Geef van histamine aan waar en hoe de afgifte plaatsvind, wat voor stimulatie van die afgifte zorgt en wat de functie van de stof is.

Afgifte: paracrien door ECL-cellen in de fundus.

Stimulatie: gastrine, acetylcholine (n. vagus) in de maag

Functie(s): grijpt aan op de H2 receptoren, krachtigste stimulator voor maagzuursecretie

28

Geef van somatostatine aan waar en hoe de afgifte plaatsvind, wat voor stimulatie van die afgifte zorgt en wat de functie van de stof is.

Afgifte: paracrien door D-cellen in het corpus

Stimulatie: (te) lage pH in maaglumen, gastrine, enterogastronen, ENS in maag

Functie(s): remmen van maagzuursecretie van de pariëtale cel

29

Wat is er anders aan histamine van de mestcellen dan histamine van de ECL-cellen?

Mestcellen produceren ook histamine, maar dan grijpt het aan op H1 receptoren. Dit is belangrijk om te weten omdat bij gastro-esofegale reflux (reflux van maagzuur) wel eens remmers gegeven worden voor die H2¬ receptoren.

30

Geef de percentuele maagsapsecretie per voedingsfase

Cefale fase: 30%
Gastrische fase: 60%
Intestinale fase: 10%

31

Beschrijf de cefale fase van maagsapsecretie.

Stimuli: denken aan / zien, ruiken, proeven van voedsel. Dit geeft een vagale reflex. De nervus vagus innerveert pariëtale cellen en G-cellen. De secretie van maagsap vindt dus al plaats voordat er voedsel in de maag aankomt. De nervus vagus wordt geactiveerd en scheidt ACh uit waardoor de pariëtale cel wordt aangestuurd om zoutzuur te gaan produceren. Daarnaast zal het ook de G-cellen aanzetten met behulp van ACh. Dit zal dan gastrine uitscheiden wat via het bloed ook de pariëtale cellen aanzet tot productie en secretie. Cefale fase heeft ongeveer 30% maaltijdrespons. Dit is dus een feedforward respons. De maag heeft nog geen voedsel maar bereidt zich voor op voedsel.

32

Beschrijf de gastrische fase van maagsapsecretie

Stimulus: rek maagwand. Dit prikkelt de vagovagale reflex en het ENS, vervolgens vindt er innervatie van de pariëtale cellen en de G-cellen plaats. Opnieuw zal door de nervus vagus ACh aan beide cellen worden afgegeven en de G-cellen produceren dan weer gastrine wat weer paracrien zorgt voor een activering vna de pariëtale cellen. ACh zorgt ook direct voor activering van de pariëtale cellen. Het ENS systeem zit in de maagwand zelf en zorgt ook voor dat de pariëtale cellen en de G-cellen worden gestimuleerd. Stimuli: aminozuren, peptiden zorgen voor activatie van G-cellen. Gastrische fase ongeveer 60% maatijdrespons.

33

Beschrijf de intestinale fase van maagsapsecretie

Stimulus: rek in duodenum. Prikkelt de vagovagale reflex: innervatie van G-cellen. Stimuli: aminozuren en peptiden in chymus (naam voor voedselbolus in de darm) in darm zorgen voor stimulatie van G-cellen in de darm. Stimuli: aminozuren en peptiden in bloed kunnen directe stimulatie op pariëtale cellen geven. Intestinale fase ongeveer 10% maaltijdrespons.

34

Welke twee soorten gastrine bestaan er en waar worden ze geproduceerd?

G17: little gastrin, wordt geproduceerd in het antrum (maag), halfwaardetijd 7 minuten

G34: big gastrin, wordt geproduceerd in het duodenum, halfwaardetijd 38 minuten

Zeverschillen in de hoeveelheid aminozuren waaruit ze bestaan

35

Hoe zorgt een pariëtale cel voor maagsapsecretie?

De pariëtale cel bevat een bepaald enzym. Dit enzym heet koolzuur anhydrase (CA). Dit enzym kan H2O en CO2 dat zo de cel in kan, om te zetten in H+ en bicarbonaat. Vervolgens zal H+ via een pomp de cel uit gewerkt worden (naar de lumenzijde), waarbij K+ de cel in komt. Dit is actief transport (kost energie). Vervolgens heb je H+ in je lumenzijde. Er komt veel H+ in het lumenzijde. Het geproduceerde bicarbonaat wordt uitgewisseld tegen chloorionen in het bloed. Die chloorionen kunnen via een kanaal direct aan de lumenzijde weer naar buiten. Nu zit er zoutzuur in de lumenzijde. Omdat er nu veel ionen in de lumenzijde zitten, ontstaat er een osmotische gradiënt. Dit zorgt ervoor dat liquijuntions water wordt aangetrokken en zich naar het lumen verplaatst. Maagzuur is nu compleet.

36

Hoe kan de pariëtale cel aangezet worden tot secretie van maagsap?

ACh (van n. vagus), gastrine en histamine hebben een stimulerend effect en somatostatine heeft een remmend effect. ACh van de nervus vagus zal direct de pariëtale cel aanzetten maar ook indirect door aan de G-cel te binden en dan zal de G-cel gastrine maken. Door aan de ECL cel te binden kan ACh zorgen voor de productie van histamine. Gastrine zal aan de pariëtale cel binden, maar ook aan de ECL cel waardoor nog meer histamine wordt gemaakt. En dat histamine zal ook op de pariëtale cel binden. Als gastrine, histamine en ACh allemaal binden, zorgen ze voor een enorme reactie: potentiërend effect of synergistisch effect. Één op één kunnen ze ook al versterkend werken.

37

Hoe kan de pariëtale cel geremd worden in de secretie van maagsap?

Somatostatine is de grote remmer. De lage pH (veel H+) in het lumen zorgt ervoor dat de D-cellen zullen worden aangezet tot de productie van somatostatine. Ook gastrine zelf gaat de D-cel aanzetten tot productie van somatostatine. Somatostatine bindt direct aan de pariëtale cel om zo te remmen. Daarnaast bindt het ook aan de ECL-cel en de G-cel en remt beide in hun productie. Bij meer somatostatine heb je dus een groter remmend effect. ACh in zijn eentje bereikt niet zoveel.