L2.4 - Nakoming van geldschulden en verrekening Flashcards Preview

Overeenkomstenrecht > L2.4 - Nakoming van geldschulden en verrekening > Flashcards

Flashcards in L2.4 - Nakoming van geldschulden en verrekening Deck (22):
1

Waartoe strekken veel verbintenissen?

Veel verbintenissen strekken tot betaling van een geldsom, zoals de essentiële verplichting die voor iedere koper uit een koopovereenkomst voortvloeit (art. 7:1 BW ).

2

Waar vinden we bepalingen die van toepassing zijn tot betaling van een geldsom?

Afdeling 6.1.11 (artt. 6:111-126 BW) is van toepassing op alle verbintenissen tot betaling van een geldsom. Alle in deze afdeling neergelegde bepalingen zijn van regelend recht. In verspreide wetsbepalingen zijn nog bijzondere regels gegeven. Deze kunnen van regelend of dwingend recht zijn. 

3

Op de verbintenissen tot betaling van een geldsom zijn...?

Op de verbintenissen tot betaling van een geldsom zijn de bepalingen omtrent de subjecten der betaling (art. 6:30 t/m 37 BW), het tijdstip waarop moet worden betaald (art. 6:38 t/m 40 BW) en de bepalingen omtrent de kosten en bewijs van betaling (art. 6:47 en 6:48 BW) van overeenkomstige toepassing. 

4

Betaling van een geldsom kan op drie wijzen geschieden?

door middel van chartale betaling (d.w.z. contant d.m.v. een wettig betaalmiddel). Bij contante betaling wordt de verkrijger van een geldsom direct rechthebbende.

door middel van het aanbieden van een papier waarin een recht op het verkrijgen van geld is belichaamd, bijvoorbeeld een cheque. Het geschrift zelf is geen geld maar bewijsmiddel van een betalingsopdracht aan een derde. De schuldeiser mag in beginsel een dergelijke betaling weigeren. Aanvaardt hij het papier, dan geschiedt dit onder voorbehoud van goede a$oop (art. 6:46 BW).

door middel van girale betaling
De schuldenaar is bevoegd om giraal te betalen, tenzij de schuldeiser girale betaling heeft uitgesloten (art. 6:114, eerste lid, BW). Bij girale betaling is de giro-instelling (hieronder vallen ook de banken) rechthebbende van de rekeningen die bij haar worden gehouden. De rekeninghouder heeft een vorderingsrecht op deze instelling. De opdrachtgever verliest zijn vorderingsrecht voor het bedrag waartoe de opdracht strekt. De begunstigde verwerft een vorderingsrecht ter hoogte van dit bedrag.

5

De rechtsverhouding tussen rekeninghouder en giro-instelling vertoont eigenschappen van verschillende rechts#guren, maar kan met geen van deze #guren volledig worden vereenzelvigd. In de rechtsverhouding zijn elementen te vinden van...?

• opdracht (titel 7, Boek 7 BW). De giro-instelling verbindt zich om in opdracht van de rekeninghouder betalingen te doen, en betalingen voor de rekeninghouder te ontvangen.

* geldlening (art. 7A:1791 BW). De rekeninghouder stelt aan de giro- instelling een bepaald bedrag aan geld ter beschikking en staat toe dat de giro-instelling het geld gebruikt.

* (oneigenlijke) bewaargeving/bewaarneming (titel 9 Boek 7 BW). De giro- instelling neemt geld van de rekeninghouder in bewaring. In tegenstelling tot bewaargeving is de giro-instelling niet verplicht om hetzelfde geld aan de rekeninghouder terug te geven. 

6

Wat is de positie van een bank in het girale betalingsverkeer?

Banken zijn in het girale betalingsverkeer noch gemachtigden noch lasthebbers maar opdrachtnemer (HR 31 maart 1989, NJ 1990, 1 Vis q.q.-NMB) . Een girale betaling (die door de giro-instelling wordt uitgevoerd) is een rechtstreekse betaling van de debiteur aan de crediteur.

Wanneer schuldenaar A aan giro-instelling X opdracht geeft zijn schuld aan B te betalen, dan wordt door de overboeking de vordering van B op A vervangen door een vordering van B op X. De aard van de vordering verandert ook. De grondslag van de vordering die B op A had, is immers in de verhouding tussen B en X niet aanwezig. Er is een nieuwe grondslag die voortvloeit uit het rekeninghouderschap.

[page34image10496]

Voorbeeld

B heeft een vordering op A uit arbeidsovereenkomst. Wanneer A zijn bank opdracht geeft het door hem verschuldigde bedrag over te boeken op de rekening van B, vervalt de vordering die B uit de arbeidsovereenkomst op A had en ontstaat een vordering van B op de bank. Tussen B en de bank bestaat echter geen arbeidsovereenkomst waardoor deze overeenkomst ook niet meer de grondslag van de vordering is.

NB: in de praktijk wordt de verhouding tussen rekeninghouder en giro-instelling beheerst door de algemene voorwaarden die door deze instelling zijn opgesteld! 

7

Bij girale betaling zijn vier situaties te onderscheiden (1)?

a. betaling via een schriftelijke betalingsopdracht: zowel A (opdrachtgever/betaler) als B (begunstigde) houden een rekening bij giro-instelling X.
A geeft aan X schriftelijk opdracht geld over te boeken op de rekening van B. De rekening van A wordt gedebiteerd (en X wordt ten laste van A gecrediteerd en ten gunste van B gedebiteerd). De rekening van B wordt gecrediteerd.

 

8

Bij girale betaling zijn vier situaties te onderscheiden​ (2)?

b. betaling via een schriftelijke betalingsopdracht: A (opdrachtgever/betaler) houdt een rekening bij giro-instelling x en B (begunstigde) houdt een rekening bij giro-instelling y.
A geeft aan X schriftelijk opdracht geld over te boeken op de rekening van B (bij giro-instelling y). De rekening van A wordt gedebiteerd (en X wordt ten laste van A gecrediteerd). X geeft opdracht aan Y om de rekening van B te crediteren (tussen X en Y vindt verrekening plaats en Y wordt ten gunste van B gedebiteerd). De rekening van B wordt gecrediteerd. 

9

Bij girale betaling zijn vier situaties te onderscheiden​ (3)?

c. betaling via storting aan de kas van een giro-instelling: A is opdrachtgever/ betaler en B houdt een rekening bij giro-instelling X.
A geeft, onder gelijktijdige storting van het geld, opdracht aan X het geld bij te boeken op de rekening van B (x wordt ten gunste van B gedebiteerd). De rekening van B wordt gecrediteerd. 

10

Bij girale betaling zijn vier situaties te onderscheiden​ (4)?

d. betaling via storting aan de kas van een giro-instelling: A is opdrachtgever/ betaler en B houdt een rekening bij giro-instelling Y.
A geeft, onder gelijktijdige storting van het geld, opdracht aan giro-instelling X om het geld bij te boeken op de rekening van B bij giro-instelling Y. X geeft opdracht aan Y om de rekening van B te crediteren (tussen X en Y vindt verrekening plaats en Y wordt ten gunste van B gedebiteerd). De rekening van B wordt gecrediteerd. 

11

Tijdstip van betaling bij girale betaling?

De algemene regels omtrent het tijdstip van betaling gelden ook voor de betaling van een geldsom. Wanneer een tijdstip van betaling is overeengekomen dient rekening te worden gehouden met de tijd die verstrijkt alvorens het bedrag op de rekening van de begunstigde is overgeschreven. 

12

Bij girale betaling rijst dan ook de vraag op welk moment de betaling is voltooid. Er zijn verschillende tijdstippen denkbaar?

het moment waarop de betaler de (onherroepelijke) opdracht tot overboeking van het geld geeft, het moment waarop de rekening van de betaler wordt gedebiteerd, het moment waarop de giro-instelling waarbij de begunstigde een rekening houdt, wordt gecrediteerd, het moment waarop de rekening van de begunstigde wordt gecrediteerd en het moment waarop de schuldeiser kennis draagt van de creditering van zijn rekening. De wetgever heeft als tijdstip van betaling gekozen voor het moment waarop de rekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd (art. 6:114, tweede lid, BW); deze regel is van aanvullend recht, er kan derhalve bij overeenkomst van worden afgeweken!

[page36image10256]

Voorbeelden

A en B zijn rekeninghouders bij bank X. Op 1 december geeft A aan X opdracht om
€ 1000 over te boeken op de rekening van B. Op 2 december wordt de rekening van A met € 1000 gedebiteerd. Op 5 december wordt de rekening van B met € 1000 gecrediteerd. Het moment van betaling is 5 december.

A is rekeninghouder bij bank X. B is rekeninghouder bij bank Y. Op 1 december geeft A aan X opdracht om € 1000 over te boeken naar de rekening van B. Op 2 december wordt de rekening van A met € 1000 gedebiteerd. Op 5 december ontvangt Y van X de opdracht om de rekening van B met € 1000 te crediteren. Op 8 december wordt de rekening van B met € 1000 gecrediteerd. Het moment van betaling is 8 december. 

13

Het moment van girale betaling is om verschillende redenen van belang?

Wanneer niet tijdig is betaald komt de schuldenaar in verzuim; een beslagene of gefailleerde kan nadat het beslag is gelegd of het faillissement is uitgesproken, geen rechtsgeldige betalingen meer doen. In het arrest Vis q.q.-NMB kwam de vraag aan

de orde of indien op de dag van de faillietverklaring de rekening van de schuldenaar wordt gedebiteerd, de curator het ́betaalde ́ nog kan terugvorderen (NB: faillissement werkt terug tot 00.00 uur van de dag waarop het is uitgesproken). De Hoge Raad oordeelde dat het beginsel van artikel 23 Fw mee brengt dat de curator het aldus betaalde kan terugvorderen, ́indien de giro-instelling aan welke de overschrijvingsopdracht werd gegeven, bij de aanvang van de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen had verricht die zij als opdrachtnemer van de schuldenaar ter effectuering van de betaling aan diens schuldeiser gehouden was te verrichten. ́ Tot deze handelingen behoort de afschrijving van de rekening van de schuldenaar. Indien het gaat om een rekening bij dezelfde giro- instelling, valt ook de bijschrijving op de rekening van de schuldeiser tot deze handelingen. Het betaalde valt nog in het faillissement zolang bedoelde handelingen niet zijn verricht. 

14

Ook bij wetsbepaling kan een ander moment van betaling zijn bepaald?

Zo bepaalt artikel 475h Rv dat een betaler die vóór het derdenbeslag een opdracht tot betaling heeft gegeven, zich jegens de beslaglegger op een geldige betaling kan beroepen wanneer hij stelt en bij tegenspraak bewijst dat hij de betalingsopdracht niet tijdig meer kon intrekken. De betaling is dan van waarde, ongeacht het feit dat deze nog niet is voltooid. Het betaalde valt niet meer onder het beslag. 

15

Effect Giro-arrest?

De Hoge Raad besliste in het giro-arrest (HR 7 juni 1929, NJ 1929, blz 1285) dat onder het derdenbeslag ook de vorderingen van de geëxecuteerde (i.c. de schuldeiser) op de derde-beslagene (i.c. de giro-instelling) vallen, die op het tijdstip van het beslag reeds bestaan. Op het tijdstip van het beslag heeft de geëxecuteerde, dit is in casu de schuldeiser, een recht op creditering op de giro-instelling. Deze vordering valt derhalve onder het beslag, ondanks het feit dat de betaling nog niet is voltooid.

Voorbeeld
Schuldenaar A geeft opdracht aan een giro-instelling om de rekening van zijn schuldeiser B met een bepaald bedrag te crediteren. Een beslaglegger legt derdenbeslag onder de giro-instelling ten laste van B. De giro-instelling heeft op dat moment de betalingsopdracht ontvangen, maar de rekening van de schuldeiser nog niet gecrediteerd. Het door A betaalde valt onder het op de rekening van B gelegde beslag. 

16

Verrekening?

Bij verrekening worden schulden van personen die over en weer elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn met elkaar gecompenseerd, waardoor de verbintenissen tot het beloop van de verrekende vorderingen tenietgaan.

Artikel 6:127, tweede lid, BW, noemt de vereisten voor de bevoegdheid tot verrekening van de schuldenaar. 

17

Aan welke vereisten moet cumulatief zijn voldaan?

* Partijen moeten zowel elkaars schuldeiser als schuldenaar zijn.

* De door de schuldenaar te vorderen prestatie moet beantwoorden aan zijn schuld; de over en weer bestaande verbintenissen moeten tot gelijksoortige prestaties strekken. Hooguit mag verschil in kwantiteit bestaan (de grootste vordering gaat dan slechts gedeeltelijk teniet).

Voorbeeld

A is aan B 50 potten verf verschuldigd, terwijl A nog 50 potten zwarte verf van het merk X van B te vorderen heeft. A is in dit geval wel tot verrekening bevoegd, B kan echter niet verrekenen.

* De schuldenaar is bevoegd zijn schuld te betalen.

* De schuldenaar is bevoegd betaling van zijn vordering af te dwingen. Die bevoegdheid ontbreekt indien de vordering niet opeisbaar is (art. 6:38-40 BW), indien zij voorwaardelijk is (art. 6:21 BW), indien de wederpartij een opschortingsrecht heeft (art. 6:52 e.v BW) of indien het om een natuurlijke verbintenis gaat (art. 6:3 BW).

Voorbeeld

A is aan B 50 potten verf verschuldigd, terwijl A nog 50 potten zwarte verf van het merk X van B te vorderen heeft. A is in dit geval wel tot verrekening bevoegd, B kan echter niet verrekenen.

Voorbeeld

C heeft op 15 juni een schuld van € 500 aan D, waarvan zij afgesproken hebben dat C deze op 1 juli zal afbetalen, omdat hij dan zijn studiebeurs ontvangt. Op 21 juni krijgt C een vordering op D eveneens van € 500. D heeft in dit geval geen verrekeningsbevoegdheid omdat zijn vordering op C (nog) niet opeisbaar is. 

18

Moeten de vorderingen liquide zijn?

Niet vereist is dat de vorderingen liquide zijn (d.w.z. dat zij in rechte eenvoudig kunnen worden vastgesteld). In artikel 6:136 BW is echter aan de rechter de bevoegdheid toegekend om een vordering ondanks een beroep op verrekening af te wijzen. Een niet dadelijk te vereffenen vordering kan derhalve een beroep op verrekening in de weg staan. 

19

Uitzonderingen op de gestelde vereisten?

In een aantal gevallen is verrekening mogelijk, hoewel niet aan alle wettelijke vereisten voor verrekening in artikel 6:127 BW wordt voldaan.
Heeft de cedent een vordering op zijn schuldenaar gecedeerd, dan is de cessionaris schuldeiser van deze vordering geworden.  

20

In het schema van figuur 2.4.1 wordt de vraag uitgewerkt of, en zo ja tot welk moment de schuldenaar de gecedeerde vordering nog met zijn schuld aan de cedent kan compenseren?


INVOEGEN FIGUUR 2.41
 

21

Wordt op een vordering beslag gelegd, of door de schuldeiser een beperkt recht op zijn vordering wordt gevestigd, dan...?

Wordt op een vordering beslag gelegd, of door de schuldeiser een beperkt recht op zijn vordering wordt gevestigd, dan is de schuldeiser niet meer bevoegd om de vordering te innen en kan de schuldenaar niet meer bevrijdend aan zijn schuldeiser betalen. Kan in deze gevallen een schuldenaar die zelf ook een vordering op de schuldeiser heeft, zijn vordering nog met zijn schuld aan de schuldeiser compenseren? Het schema van #guur 4.1 kan ook op deze gevallen worden toegepast. Het tijdstip van beslaglegging of vestiging van een beperkt recht, moet dan worden gelijkgesteld met het moment van de (akte van cessie en) mededeling. 

22

Decks in Overeenkomstenrecht Class (63):