L7: Bedreiging, misbruik van omstandigheden en de actio Pauliana Flashcards Preview

Overeenkomstenrecht > L7: Bedreiging, misbruik van omstandigheden en de actio Pauliana > Flashcards

Flashcards in L7: Bedreiging, misbruik van omstandigheden en de actio Pauliana Deck (28):
1

Wat is bedreiging?

Bedreiging (of dwang) is de onrechtmatige handelwijze waardoor men iemand een zodanige vrees voor een mogelijk nadeel inboezemt, dat deze daardoor wordt bewogen een rechtshandeling te verrichten teneinde de verwezenlijking van dit nadeel te voorkomen (art. 3:44, tweede lid, BW).  

2

Vernietiging op grond van bedreiging vereist?

* een (actief ) bewegen tot het verrichten van een rechtshandeling. De bedreiging kan tegen de betrokkene zelf gericht zijn, maar ook tegen een derde. Het nadeel kan zowel materieel als immaterieel zijn, bijvoorbeeld het verliezen van de goede naam.

* objectieve relevantie. Een redelijk oordelend mens moet door de bedreiging tot het verrichten van de rechtshandeling bewogen kunnen worden. Persoonlijke omstandigheden kunnen hierbij een rol spelen. Bedreiging van een bejaard persoon waarvoor de bejaarde in de kracht van zijn leven niet zou zijn gezwicht, kan dus tot vernietiging van een rechtshandeling op grond van bedreiging leiden.

* een onrechtmatige bedreiging. Indien werknemers door te dreigen met staking hun werkgever bewegen tot het overeenkomen van gunstiger arbeidsvoorwaarden, zal in het algemeen geen sprake zijn van onrechtmatige bedreiging. Bedreiging is onrechtmatig indien gebruik wordt gemaakt van een ongeoorloofd middel (bijv. een wapen), maar ook indien het geoorloofde middel voor een ander doel wordt gebruikt dan waarvoor het is gegeven (bijv. dreigen met aangifte).
* een causaal verband tussen de bedreiging en het verrichten van de rechtshandeling. 

3

Wat is misbruik van omstandigheden?

Financiële moeilijkheden, emotionele afhankelijkheid enz. kunnen iemand ertoe brengen een rechtshandeling te verrichten waartoe hij onder meer normale omstandigheden niet zou zijn overgegaan.  

4

Waar staan de omstandigheden van misbruik opgesomd?

De opsomming van omstandigheden in artikel 3:44, derde lid, BW is enuntiatief. 

5

Vernietiging van een rechtshandeling op grond van misbruik van omstandigheden vereist?

een bijzondere omstandigheid

die een rechtssubject ertoe brengt een rechtshandeling te verrichten die hij

anders niet verricht zou hebben, dat wil zeggen een causaal verband tussen de bijzondere omstandigheid en het verrichten van de rechtshandeling (meestal het sluiten van een overeenkomst)

wetenschap bij de wederpartij dat de ander in een bijzondere omstandigheid verkeert (kenbaarheid) en er desondanks toch op aansturen dat de rechtshandeling totstandkomt (misbruik). 

6

Is de enkele wetenschap dat de wederpartij onder de druk van een bepaalde omstandigheid een rechtshandeling verricht die hij anders niet zou hebben verricht voldoende?

Enkele wetenschap dat de wederpartij onder de druk van een bepaalde omstandigheid een rechtshandeling verricht die hij anders niet zou hebben verricht, is niet voldoende voor het aannemen van misbruik van omstandigheden. 

7

Geef een voorbeeld van geen misbruik?

Voorbeeld

A verkeert in !nanciële moeilijkheden. Hij probeert een geldlening te sluiten. Omdat A niet in staat is zekerheid te verschaffen (bijv. in de vorm van een pand of hypotheek) blijkt dat geen eenvoudige zaak te zijn. Uiteindelijk verklaart B zich bereid A een som geld te lenen, maar hij bedingt daarvoor een hogere rente dan gebruikelijk. Of hij bedingt dat A gedurende zekere tijd uitsluitend producten van B in zijn bedrijf zal aanbieden (vgl. de zgn. bierbrouwersbedingen). Op zichzelf behoeft daarin nog geen misbruik van omstandigheden gelegen te zijn. B kent de !nanciële problemen van A, maar daarmee is nog niet gezegd dat B om die reden zichzelf behoort te distantiëren van de overeenkomst tot geldlening. Immers, zonder die lening zou A wel eens veel verder in de problemen kunnen raken. 

Zou er door B een exorbitant hoge rente of een afnameplicht voor een buitengewoon lange tijd zijn bedongen, dan is er wel sprake van misbruik van omstandigheden. 

8

Omschrijf arrest Brandwijk?

In HR 2 november 1979, NJ 1980, 429 (Brandwijk) werd dan ook bepaald dat het enkel misbruik maken van de economische dwangpositie waarin een partij zich bevindt, in zijn algemeenheid niet het oordeel rechtvaardigt dat misbruik van omstandigheden heeft plaatsgevonden. Daarvoor is meer nodig, bijvoorbeeld dat de wederpartij voor zichzelf of voor een derde een klaarblijkelijk onevenredig voordeel heeft bedongen. 

9

Is de eis dat de rechtshandeling nadelig is?

Hoewel voor misbruik van omstandigheden niet de eis wordt gesteld dat de rechtshandeling nadelig is voor degene die bewogen wordt tot het verrichten van de rechtshandeling (o.a. HR 5 februari 1999, NJ 1999, 652 Ameva-Van Venrooy), zal niettemin het al of niet aanwezig zijn van nadeel vaak relevant zijn voor het oordeel of er sprake is van misbruik van omstandigheden, waarbij nog moet worden aangetekend dat ook immaterieel nadeel een rol kan spelen.
Dat nadeel meestal een belangrijke rol speelt, blijkt ook uit artikel 3:54 BW. Dit artikel behandelt de mogelijkheid van wijziging van de rechtsgevolgen van een rechtshandeling ter opheffing van het nadeel (vgl. art. 6:230 BW, dat in geval van dwaling van toepassing is). 

10

Wat is de cruciale term bij bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden?

Bij bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden gaat het steeds om een ongeoorloofde beïnvloeding van de wilsvorming. Uit het woord ‘iemand’ (art. 3:44, tweede, derde en vierde lid, BW) blijkt dat die beïnvloeding in beginsel niet behoeft uit te gaan van de wederpartij maar kan ook zijn veroorzaakt door een derde. Wel bepaalt het vijfde lid van artikel 3:44 BW dat de wederpartij wordt beschermd indien hij geen reden had het bestaan van bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden door iemand anders te veronderstellen. 

11

Geef een voorbeeld van samenloop?

Indien iemand met beperkte verstandelijke vermogens kan aantonen dat zijn wederpartij bij een gesloten overeenkomst misbruik heeft gemaakt van die omstandigheid (en hij de overeenkomst dus kan vernietigen op grond van een wilsgebrek), is niet ondenkbaar dat hij ook zou kunnen aantonen dat ten gevolge van die geestelijke tekortkoming zijn wil in het geheel niet gericht was op het sluiten van de overeenkomst (zodat de overeenkomst ook vernietigbaar is op grond van art. 3:34, tweede lid, BW).

Het is daarnaast goed denkbaar dat zowel de vereisten voor een beroep op

Bekijken we nogmaals ons voorbeeld. Zou er door B een exorbitant hoge rente of een afnameplicht voor een buitengewoon lange tijd zijn bedongen, dan is er wel sprake van misbruik van omstandigheden.

dwaling als voor bedrog zijn vervuld. Ook samenloop van bedrog en misbruik van omstandigheden behoort tot de mogelijkheden.

12

Is bij samenloop een vordering tot vernietiging ogv dwaling/bedrog met een vordering tot schadevergoeding ogv toerekenbare tekortkoming en/of ontbindinding mogelijk?

Samenloop van een vordering tot vernietiging op grond van dwaling/bedrog met een vordering tot schadevergoeding op grond van toerekenbare tekortkoming (art. 6:74 BW) en/of ontbinding (art. 6:265 BW), is ook goed denkbaar. Deze samenloop doet zich vooral bij dwaling en bedrog voor. Bij de koopovereenkomst is met name de samenloop van dwaling, bedrog en non-conformiteit (art. 7:17 BW) van belang (zie voor deze samenloop het arrest Schirmeister-De Heus  

13

Samenloop met onrechtmatige daad?

Naast vernietiging van de rechtshandeling, bestaat voor degene die zich op een wilsgebrek kan beroepen meestal ook de mogelijkheid om een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) in te stellen. Gaat het om ongeoorloofde beïnvloeding door een derde, dan is een vordering op grond van onrechtmatige daad vaak de enige mogelijkheid, omdat vernietiging van de rechtshandeling dan afhankelijk is van de vraag of de wederpartij reden had het bestaan van een beïnvloeding te veronderstellen (zie art. 3:44, vijfde lid, BW). Ook een beroep op dwaling kan met een vordering op grond van onrechtmatige daad worden gecombineerd. Bij wederzijdse dwaling is een vordering op grond van onrechtmatige daad moeilijk voorstelbaar, het vereiste van toerekening in artikel 6:162 BW zal dan meestal een te zware hindernis vormen. 

14

Regeling oneerlijke handelspraktijken?

De regeling van de oneerlijke handelspraktijken in artikel 6:193a e.v. BW is een specie#eke uitwerking van de onrechtmatige daad die tot doel heeft om consumenten te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken. De regeling van de wilsgebreken en die van de oneerlijke handelspraktijken zijn naast elkaar van toepassing, de benadeelde kan ook beide combineren. Op grond van oneerlijke handelspraktijken kan uitsluitend schadevergoeding worden gevorderd, geen vernietiging van de overeenkomst. 

15

Wat tav de ' voortbouwende overeenkomst'?

Partijen kunnen een overeenkomst sluiten die tot doel heeft een nadere regeling te treffen ten aanzien van (een bepaald onderdeel van) een tussen hen bestaande rechtsverhouding. Blijkt achteraf dat die rechtsverhouding ontbreekt, dan komt die voortbouwende overeenkomst ‘in de lucht te hangen’. Een voortbouwende overeenkomst is op die grond vernietigbaar, behalve wanneer dit ontbreken voor rekening behoort te blijven van degene die zich erop beroept (art. 6:229 BW).

Voorbeeld

– A en B komen overeen dat A met ingang van de volgende maand elf procent in plaats van tien procent rente verschuldigd is over een door B aan A verstrekte

[page79image560]

geldlening (zie art. 7A:1791 e.v. BW). Achteraf blijkt dat het geleende bedrag op dat moment al volledig was terugbetaald. 

16

Effect art 6:229 BW?

In dergelijke gevallen is samenloop met dwaling soms mogelijk. Het voordeel van vernietiging ex artikel 6:229 BW is dat aan minder vereisten dan artikel 6:228 BW behoeft te worden voldaan (zie MvA II , PG Boek 6, blz. 913). Artikel 6:229 BW vereist dat partijen er tegenover elkaar van zijn uitgegaan dat aan de gesloten overeenkomst een bestaande rechtsverhouding ten grondslag ligt. Ook indien een van beide partijen weet dat deze veronderstelling onjuist is, kan een beroep op artikel 6:229 BW gerechtvaardigd zijn. Artikel 6:230 BW is ook van toepassing op de voortbouwende overeenkomst. 

17

Geef een voorbeeld van voortbouwende en samenhangende rechtsregelingen?

Voorbeelden

– B lijdt schade doordat een grote ruit van zijn woonkamer sneuvelt. Vóór het huis van B speelde een groepje kinderen met een voetbal welke op een gegeven moment met kracht tegen de ruit is getrapt. B gaat ervan uit dat de bal is getrapt door Jaap, het tienjarige zoontje van A. A erkent wel ex artikel 6:169, eerste lid, BW aansprakelijkheid, maar twist met B over de omvang van de schade. Zij komen overeen de omvang van de schade te stellen op € 800. Een dergelijke overeenkomst noemt men een vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 BW). Achteraf komt vast te staan dat Jaap op het moment dat de bal werd getrapt niet bij het groepje kinderen aanwezig was. A kan de erkenning van de aansprakelijk ex artikel 6:169, eerste lid, BW (een eenzijdige rechtshandeling) dan op grond van dwaling (ex art. 6:228, eerste lid, sub a of sub c, jo 6:216 BW) vernietigen. De vaststellingsovereenkomst kan in dat geval vernietigd worden op grond van artikel 6:229 BW. Er is geen aanleiding te oordelen dat het ontbreken van de rechtsverhouding, casu quo de dwaling voor rekening van A behoort te blijven. Zou daarentegen achteraf komen vast te staan dat de werkelijke (door Jaap veroorzaakte) schade van B niet € 800 maar € 500 bedraagt, dan is vernietiging van de gesloten vaststellingsovereenkomst niet mogelijk. Niet op grond van artikel 6:229 BW omdat de onderliggende rechtsverhouding niet ontbreekt. Niet op grond van artikel 6:228 BW omdat partijen in hun overeenkomst juist hebben verdisconteerd dat de schade hoger of lager kon zijn. De aard van de vaststellingsovereenkomst (art. 7:900, eerste lid, BW) brengt met zich dat de overeenkomst niet vernietigbaar is (art. 6:228, tweede lid, BW).

– Gesteld dat A weet dat hij tegenover B niet aansprakelijk is, omdat Jaap op het fatale moment elders was. Hij wil echter ruzie met buurman B over het voorval voorkomen, omdat er op dat moment al genoeg problemen zijn in het gezin van A. Hij stemt toe in betaling van de € 800 om de lieve vrede te bewaren. Tevergeefs: ondanks de vergoeding van zijn schade start buurman B een hetze tegen het gezin van A.

De onderliggende rechtsverhouding waarop de afspraak om € 800 schadevergoeding te betalen berust, ontbreekt. A zou de overeenkomst kunnen vernietigen op grond van artikel 6:229 BW, tenzij het ontbreken van de onderliggende rechtsverhouding

voor rekening van A behoort te blijven. Of deze omstandigheid voor A’s rekening behoort te blijven, is niet zeker.
NB: van dwaling bij A bij de erkenning van de aansprakelijkheid is geen sprake, omdat A’s betaling van de € 800 niet werd beïnvloed door een verkeerde voorstelling van zaken, nu hij wist dat Jaap er niet bij betrokken was. 

18

Wat is een uitgangspunt in het vermogensrecht?

Uitgangspunt van het vermogensrecht is dat de debiteur met zijn gehele vermogen (verhaals)aansprakelijk is jegens zijn schuldeisers (art. 3:276 BW). De schuldeisers hebben er dan ook belang bij dat het vermogen van de debiteur voldoende is en blijft om daarop hun vordering te kunnen verhalen.  

19

Actio Pauliana?

De actio Pauliana (art. 3:45 e.v. BW) biedt een schuldeiser buiten faillissement de mogelijkheid te voorkomen dat zijn verhaalsrecht in gevaar komt doordat de schuldenaar benadelende transacties met derden afsluit. Het verhaalsrecht van de schuldeiser beperkt de beschikkingsbevoegdheid van de debiteur niet. De schuldenaar is in beginsel vrij om over het vermogen te beschikken. Als derde moet men in beginsel een tussen twee personen gesloten overeenkomst accepteren, ook indien men daar feitelijk door benadeeld wordt. De Pauliana kan dan ook alleen worden ingeroepen door een crediteur indien hij benadeeld is in zijn verhaalsmogelijkheden. 

20

Voorbeeld actio pauliana?

Voorbeeld

Verkoopt en levert de debiteur een hem toebehorende auto aan een derde voor een koopprijs die niet beneden de waarde van de auto ligt, dan worden de crediteuren daardoor veelal niet benadeeld. Weliswaar behoort de auto daarna niet meer tot het vermogen van de schuldenaar, maar in de plaats daarvan is (het recht op betaling van) de koopprijs tot dat vermogen gaan behoren. Het vermogen is per saldo niet kleiner geworden.

NB: bijkomende omstandigheden, zoals dat de derde onvoldoende verhaal biedt voor de verschuldigde koopsom, of dat de verhaalsmogelijkheden van de schuldeisers op het vermogen van de verkoper door de transactie zijn bemoeilijkt, kunnen tot een ander oordeel leiden. Stelplicht en bewijslast van zulke omstandigheden berusten bij de schuldeiser die de nietigheid van de betrokken rechtshandeling inroept. 

21

Een succesvol beroep op de Pauliana (art. 3:45 BW) vereist?

• De debiteur heeft een rechtshandeling verricht.

De rechtshandeling geschiedde onverplicht, dat wil zeggen dat het om een rechtshandeling gaat, waartoe men op grond van de wet of een overeenkomst niet verplicht was.

De rechtshandeling benadeelt een of meer schuldeisers in hun mogelijkheid tot geldelijk verhaal (vgl. de artt. 3:276 e.v. BW).

De debiteur wist of behoorde te weten dat de rechtshandeling deze benadeling tot gevolg zou hebben.

Bij een meerzijdige en een eenzijdige gerichte rechtshandeling die anders dan om niet zijn verricht, moet ook de geadresseerde of de wederpartij hebben geweten of behoren te weten dat de rechtshandeling deze benadeling tot gevolg zou hebben. 

22

Waar ligt de bewijslast?

De bewijslast ten aanzien van de twee laatste punten rust op de crediteur die zich op de Pauliana beroept. De wetgever komt de crediteur hierbij tegemoet door een aantal wettelijke vermoedens (zie artt. 3:46 en 3:47 BW). 

23

Voorbeeld actio pauliana?

Voorbeeld

A heeft aan B goederen verkocht voor een bedrag van € 60.000. In vertrouwen dat de koopprijs na enige tijd betaald zou worden, heeft A de goederen aan B geleverd zonder contante betaling te eisen.
B schenkt een deel van de gekochte goederen aan zijn dochter D. Op het andere deel vestigt hij pandrecht ten behoeve van een crediteur C, die al enige keren heeft gemaand tot betalen en gedreigd heeft beslag te laten leggen op de goederen van B. (Een pandhouder kan zijn vordering bij voorrang verhalen op de opbrengst van de verpande goederen; zie art. 3:227 BW.) C heeft B in verband met dat pandrecht uitstel van betaling gegeven. De koopprijs krijgt A niet betaald en het overige vermogen van B is niet toereikend om de € 60.000 aan A te betalen.

Moet A de overeenkomsten van B met C en D respecteren, ondanks het feit dat hij door deze overeenkomsten wordt benadeeld?
Passen wij art. 3:45 ev. BW toe op dit voorbeeld.

Het betreft rechtshandelingen van B.

Deze rechtshandelingen geschiedden onverplicht. Immers, B was niet verplicht zijn

dochter goederen te schenken en crediteur C zekerheid te verschaffen.

Door deze rechtshandelingen is A benadeeld in zijn mogelijkheid van verhaal.

A moet bewijzen dat B wist of behoorde te weten dat deze benadeling het gevolg

zou zijn. Dat bewijs lijkt in dit geval niet zo moeilijk. Bij de schenking geldt zelfs een

wettelijk vermoeden als A zich binnen een jaar op de Pauliana beroept (art. 3:47 BW).

A zal moeten bewijzen dat ook C wist of behoorde te weten dat benadeling het

gevolg zou zijn (vestiging van pand is een meerzijdige rechtshandeling; deze geschiedde anders dan om niet nu de crediteur uitstel van betaling verleende).
De kans dat A de schenking kan vernietigen op grond van artikel 3:45 is bijzonder groot. Of de overeenkomst tot vestiging van pandrecht vernietigd kan worden, is afhankelijk van de vraag of A kan bewijzen dat C wist (kon weten) dat benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn. 

24

Faillissement en actio pauliana?

in geval van faillissement van de schuldenaar kan de actio Pauliana uitsluitend door de curator worden ingesteld (zie de artt. 42-47 Fw). 

25

Omschrijf arrest Brandwijk?


Brandwijk HR 02-11-1979, NJ 1980, 429 
WB 146, 162, 374 
TB 187 
Bierafnameverplichting voor 25 jaar. 
De rechter stelt vast dat de brouwerij met het bierafnamebeding misbruik maakte van de 
onderlinge verhouding, in het bijzonder de afhankelijke positie van de cafe-houder en het 
vertrouwen dat de brouwerij moet worden geacht bij hem te hebben genoten. Het enkel 
misbruik maken van de economische dwangpositie waarin een partij zich bevindt, 
rechtvaardigt in zijn algemeenheid niet het oordeel dat misbruik van omstandigheden 
heeft plaatsgevonden. Daarvoor is meer nodig, bijv. Dat de wederpartij voor zichzelf of 
voor een derde een klaarblijkelijk onevenredig voordeel heeft bedongen. 
 

26

Omschrijf arrest Ameva - van Venrooy?


Ameva-Van Vemooy HR 05-02-1999, NJ 1999-652 
WB 146 
Het al of niet nadelig zijn van de rechtshandeling is vaak relevant voor het oordeel of er 
sprake is van misbruik van omstandigheden. Ook immaterieel nadeel kan een rol spelen. 
 

27

Omschrijf arrest Jans- Fiat Credit?


Jans-Fiat Credit HR 23-01-1998, NJ 1999, 97 
WB 149, 160, 329, 341 
6 : 229 
TB 191, 305a 
De huurkoper van een auto beriep zich Op dwaling, omdat de auto gebreken bleek te 
behorende financieringsovereenkomst met de bank evenmin in stand kon blijven. De HR 
oordeelde dat hissen beide overeenkomsten inderdaad een zodanige samenhang kan 
bestaan (bijv. Indien beide overeenkomsten in een akte zijn opgenomen), dat de 
fïnancieringsovereenkomst het lot van de huurkoopovereenkomst moet delen. 
 

28

Omschrijf arrest van Meurs- Ciba/Geigy?


Van Meurs-Ciba/Geigy HR 27-03-1992, NJ 1992, 377 
WB 162 TB 183, 189 
Economische bedreiging. 
Ex-werknemer tekent finale kwijting ("ter zake van alle vorderingen voortvloeiend uit het 
dienstverband dat tussen partijen heeft bestaan"), omdat anders de reeds overeengekomen 
schadevergoeding niet zal worden gestort. 

Decks in Overeenkomstenrecht Class (63):