Leçon 20 Flashcards
(51 cards)
1
Q
Il est depuis 3 ans (déjà)
A
Hij is al drie jaar
2
Q
Déjà
A
Al
3
Q
L’affaire
A
De zaak
4
Q
Agréable
A
Aangenaam
5
Q
Dans 10 ans
A
Over tien jaar
6
Q
A 20 Minutes de sa maison
A
20 Minutes van zijn huis vandaan
7
Q
À vélo
A
Op de fiets
8
Q
Il répond au téléphone
A
Hij neemt de telefoon aan
9
Q
En une matinée
A
Op een morgen
10
Q
La tasse de café
A
De kop koffie
11
Q
Une dizaine de minutes
A
Een tiental minuten
12
Q
Il regrette que
A
Het spijt hem dat
13
Q
J’ai le temps
A
Ik heb tijd
14
Q
Une firme bruxelloise bien connue
A
Een welbekende Brusselse firma
15
Q
En hiver
A
In de winter
16
Q
Noir
A
Zwart
17
Q
Consommer de l’essence
A
Benzine verbruiken
18
Q
Au printemps
A
In de lente
19
Q
En été
A
In de zomer
20
Q
La saison
A
Het seizoen
21
Q
Le printemps
A
De lente(s)
22
Q
L’été
A
De zomer(s)
23
Q
L’automne
A
De herfst / het najaar
24
Q
L’hiver
A
De winter(s)
25
Aller à vélo
Fietsen
26
Ici (quand)
Als
27
Pleuvoir
Regenen
28
En forme
In goede conditie
29
Quelques kilomètres
Een paar kilometer
30
C'est pourquoi
Daarom
31
Froid
Koud
32
Chaud
Warm
33
Par/à travers
Door
34
Le bois
Het bos
35
Surtout
Vooral
36
En automne
In de herfst
37
L'arbre
de boom
38
La couleur
De kleur
39
Bleu
Blauw
40
Vert
Groen
41
Jaune
Geel
42
Rouge
Rood
43
Mauve
Paars
44
Blanc
Wit
45
Gris
Grijs/grijze
46
Noir
Zwart
47
Brun
Bruin
48
J'attends le bus
I wacht op de bus
49
La place
Het plein
50
Le fonctionnaire
De ambtenaar(en/s)
51
Le garage
De garage(s)