Leerdoelen thema 10 (2) Flashcards Preview

Thema 10 > Leerdoelen thema 10 (2) > Flashcards

Flashcards in Leerdoelen thema 10 (2) Deck (45):
1

Hoe uit cervicogene hoofdpijn zich bij patiënten?

- Unilateraal “sidelocked”
- Start occipitaal
- Niet pulserend
- Uitlokbaar
- (Vaak) cerv. bew. beperking
- Arm/schouderpijn mogelijk (ipsilateraal)
- Uren tot weken

2

Wat is het diagnostisch cluster volgens Zito et al. voor cervicogene hoofdpijn?

- Verminderde ROM cervicale flexie/extensie
Verminderde ROM (h)CWK
- Hogere incidentie van een pijnlijke hogere cervicale gewrichtsdysfunctie
- Hypertone spieren
- Verminderd coördinatievermogen ventraalflexoren
- Hypertonie cervicale regio

3

Wat zijn de kenmerken van de atlas?

Atlas (C1)
- Geen wervellichaam
- bovenste gewrichtsvlakken zijn concaaf en de onderste convex
- rudimentair proc. spinosus
- relatief grote proc. transversus met een foramen (massa transversalis)

4

Wat zijn de kenmerken van de axis?

Axis (C2)
- Dens is de tand van de draaier
- fascies articulare anterior en posterior
- fovea articularis superior en inferior
- krachtige proc. spinosus
- zwak proc. transversus

5

Benoem de beweeg mogelijkheden tussen C0-C1-C2

Bewegelijkheid C0-C2
Flexie-extensie: 45°
- 29° tussen C0-C1
- 16° tussen C1-C2

Rotatie: 83° li+re
- 2° tussen C0-C1
- 81° tussen C1-C2

Lateroflexie:
- 8° li+re

6

Wat zijn de passief stabiliserende structuren hoog cervicaal? Benoem de kenmerken.

*Lig. transversum atlantis
- loopt transversaal in C1, houd de dens op zijn plek
*Fasciculus longitudinale
- loop van C2 (basis dens) naar os occipitale, houd de dens op zijn plek
*Lig cruciatum atlantis (transversum en longitudinale samen)
- kruisen achter de dens, houden de dens op de plek

Lig. alaria
- lopen in een V-vorm van apex dens naar os occipitale, belangrijk voor het meebewegen van de schedel met de WK
Lig. apicis dentis
- loopt van apex (apicis) dens naar os occipitale, houd de dens op zijn plek

7

Waar kan spondylose op lange termijn voor zorgen?

Spondylolyse = breuk in de wervelboog
- ontstaat vaak door overmatige strek activiteit

Spondylolisthesis = verschuiving van wervel naar anterior tov wervel daar onder
- ontstaat door hypermobiliteit, hyperlordose

Spondylodesis = operatief vastzetten van de wervels
- operatieve handeling voor bv spondylolyse

8

Benoem het verband tussen gele vlaggen - cortisol - bindweefselbelastbaaheid - herstel.

Gele vlaggen kunnen voor stress zorgen, waardoor het ‘stresssysteem’ geactiveerd wordt. Na een langere activatie van de hypothalamus wordt CRH afgegeven richting de hypofyse, waardoor er een binding plaatsvindt die zorgt voor afgifte van ACTH in de bloedbaan. ACTH komt terecht bij de bijnierschors, wat er voor zorgt dat de bijnierschors cortisol gaat produceren

Cortisol heeft een negatieve terugkoppeling op de hypothalamus en hypofyse, maar indien de stressor blijft aanhouden werkt deze negatieve terugkoppeling niet goed meer en blijft cortisol geproduceerd worden, wat erg nadelig is. Cortisol zorgt voor het langdurig volhouden van de stressreactie en kan er voor zorgen dat eiwitten worden omgezet in glucose (gluconeogenese), wat de energieleverancier is voor de hersenen

Bindweefsel (langdurige stress): Vertraging wondgenezing tot 40%

Verminderde migratie en differentiatie fibroblasten, verminderde aanmaak matrix en collageen, verhoogde eiwitafbraak (gluconeogenese, er moet energie vrijkomen in de vorm van glucose waardoor eiwitten worden afgebroken), afname ontstekingsrespons (cortisol remt de het immuunsysteem)

9

Geef een beschrijving van de vertebrale, rib-wervel en SI gewrichten.

Voorste intervertebrale gewricht:
- Symphysis intervertebralis
- Twee corpussen met de tussenliggende discus; draaipunt zit ‘midden in’ de discus

Achterste intervertebrale gewricht
- Art. zygapophysialis
- Beide facet gewrichten tussen de 2 wervels
- Cervicaal: transversale vlak, longitudinale as
- Thoracaal: frontale vlak, sagittale as
- Lumbaal: sagittale vlak, transversale as

Art. capitis costae
- Caput van de rib met de corpus van de vertebra

Art. costotransversaria
- Tuberculum van de rib met de proc. transversus van de wervel

SI-gewricht
- Combinatie van vormsluiting en krachtsluiting
- Ruw oppervlak gewrichtsvlakken

10

Geef aan wat de bewegingsmogelijkheden zijn van de vertebrale, rib-wervel en SI gewrichten.

- Voorste intervertebrale gewricht (symphysis intervertebralis) en achterste intervertebrale gewricht (art. zygapophysialis): rotatie, lateroflexie, flexie, extensie
- Art. capitis costae en art. costotransversaria: inademen bovenste ribben craniaal e ventraal, de onderste ribben craniaal lateraal
- SI-gewricht: contranutatie, nutatie

11

Beschrijf de bouw van een discus.

Nucleus pulposus (stootvast) en een anulus fibrosis (trekvast)

Anulus fibrosus:
- Vezels maken hoek van +/- 30° met eindplaat
- Vezels van opeenvolgende lamellen hebben tegengestelde richting
- Rotaties geven rek en ontspanning, compressie geeft rek

Waar bestaan de stukken uit:
- Anulus fibrosus: collagene vezels
- Nucleus pulposus: gelatine (water, gelei-achtig, slijmig-viscieus weefsel)

12

Beschrijf de bewegingsmogelijkheid van de verschillende facetgewrichten.

Cervicaal: transversale vlak, longitudinale as, rotaties (50 graden)

Thoracaal: frontale vlak, sagittale as, lateroflexie (20 graden)

Lumbaal: sagittale vlak, transversale as, flexie/extensie

13

Benoem de etiologie, pathogenese en symptomen bij osteoporose.

Disbalans tussen botafbraak en botaanmaak. Er is een verhoogde botresorptie van osteoclasten.
- pijn
- kromme rug
- afgenomen evenwichtsgevoel

14

Benoem de gele vlaggen voor lage rugklachten.

psychologische en psychosociale stress
pijngerelateerde angsten/vermijdingsgedrag
somatisatie
depressieve klachten

15

Benoem de rugspier systemen.

Spinaal systeem:
- M. spinalis
- Mm. interspinalis

Transversospinaal systeem:
- Mm. Rotatores breves; Thoracaal
- Mm. Rotatores longi; Thoracaal
- M. multifidus; Hele rug
- M. semispinalis; Thoracaal en cervicaal

Lateraal systeem:
*Transversaal/sacrospinaal
- M. iliocostalis
- M. longissimus

*Intertransversaal
- Mm. intertransversarii

Spinotransversaal systeem
- M. splenius
- Capitis; Cervicaal tot je hoofd
- Cervicis; Hoog thoracaal en cervicaal

16

Beschrijf de rol van de spier corset in de romp ten aanzien van de stabiliteit.

Is een samenwerking van het middenrif, de buikspieren, de bekkenbodem en de rugspieren

Aanspanning van de spieren zorgt voor een verhoogde intra-abdominale druk, waardoor je hele core stabieler wordt

17

Benoem de 3 sturingssystemen volgens het stabiliserend systeem.

Neurale systeem (zenuwen + CZS)
Actieve systeem (spieren, pezen)
Passieve systeem (wervels, disci, ligamenten)

18

Beschrijf de begrippen:
- Instabiliteit
- Neutrale zone
- Motor control impairment
- Muscle onset

Instabiliteit: Volgens Panjabi wanneer één van de drie systemen (neuraal, actief, passief) faalt

Neutrale zone: Dit is de zone tot waar de ligamenten op spanning komen bij bepaalde bewegingen. Dus bijvoorbeeld de uiterste stand van flexie. Dit is een zone waarbij de ligamenten en het kapsel de minste weerstand ondervinden. Dit gaat over het passieve systeem, dus de ligamenten en het kapsel

Motor control impairment: Er is een matige relatie tussen patho-anatomische bevindingen (segmentale instabiliteit o.b.v. toegenomen translatiemogelijkheden op een specifiek segment), de ernst van pijn en de mate van de beperkingen. Deze subgroep onderscheidt zich door een veranderd motorisch aanspanningspatroon.

Muscle onset: Het voor de beweging uitvoeren aanspannen van een spier

19

Benoem de de clinical prediction rules voor stabiliteit in de LWK.

leeftijd onder de 40
SLR boven de 91 graden
Aberraties
Positieve prone instability test

3/4 positief is indicatie voor stabiliteit training

20

Benoem de fasen van stabiliteitstraining.

Cognitieve fase
- Geïsoleerd trainen van het lokale spiersysteem, zonder inschakeling van het globale spiersysteem

Associatieve fase
- Aanleren specifieke deelbewegingen met inschakeling van het globale spiersysteem en controle op co-contractie van het lokale spiersysteem

Autonome fase
- Integreren specifieke bewegingen in ADL

21

Benoem de verschillende keuzes in de triage voor lage rug, en benoem de kenmerken.

Eenvoudige lage rugklachten (aspecifiek)
- Hoofdzakelijk tussen 20-55 jaar
- Lumbosacraal, gluteaal en bovenbenen
- Pijn wordt mechanisch beïnvloed
• Varieert door lichamelijke activiteit
• Varieert per tijdstip
- Geen algemene ziekteverschijnselen

Radiculair beeld
- Unilaterale pijn in been > rugpijn
- Pijn straalt in het algemeen uit tot voet/tenen
- Niet alleen discogeen van oorsprong
- Paraesthesie, sensibiliteitsstoornis
- Neuromeningeale prikkeling
• Afgenomen straight leg raising, slump.
- Motorische, sensibele of reflex functie afname
• Passend bij één segment

Ernstige pathologie
- <20 jaar of >55 jaar
- Trauma
- Constante progressieve pijn, onafhankelijk van belasting
- Pijn thoracaal
- Voorgeschiedenis (carcinoom, steroïden, medicatie misbruik etc.)
- Aanhoudende ernstige flexiebeperking
- Koorts
- Onverklaarbaar gewichtsverlies
- Blaasdisfunctie
- Extrasegmentale neurologie
- Structurele deformiteiten

22

Een THP kan op twee manieren worden aangebracht, welke zijn dit?

Gecementeerd: er wordt cement gebruikt, de prothese is gladder bij de cup en de steel. Ook zitten er groeven in de prothese, zodat er meer ruimte is voor het cement en er ook met meer cement gewerkt kan worden. Hier kiest men voor als de botdichtheid minder hoog is, de botconditie is slechter.

Ongecementeerd: een langere steel, met een ruwer oppervlak. Er wordt geen cement gebruikt, maar de opp. is ruw, zodat er eigen bot aan/overheen kan groeien. Hier is over het algemeen minder afweerreactie door het lichaam.

23

Er zijn verschillende benaderingen van de heup als het gaat om het plaatsen van een THP, benoem deze.

Postero-laterale: achterzijde, iets lateraal, door de kleine exorotatoren. Het is makkelijk benaderbaar en goed zichtbaar. Gelieve in het begin geen endorotatie te maken, niet meer dan 90 graden flexie, en adductie

Antero-laterale: voorzijde, iets lateraal. Exorotatie is provocerend

Anterieure: via de voorzijde naar binnen, lastiger om bij de kop te komen. Snelle revalidatie

Direct laterale: gaat meer via de zijkant, gluteus medius. Exorotatie is provocerend

24

Een THP wordt geplaatst aan de hand van de ernst van de degeneratie. Er zijn 3 soorten protheses voor de mate van ernst, benoem deze.

Repair: resurfacing
Rebuild: nieuwe kop en kom
Restore: het bot wordt ook voor een groot deel vervangen

25

Wat is Artrosis Deformans?

Primaire artrosis deformans van de heup:
Er is sprake van een geleidelijke min of meer regelmatige vermindering van de hoogte van de kraakbeenlaag van de heup kom. Deze vorm zien we vooral bij oudere vrouwen. Door de artrose wordt het bewegen steeds pijnlijker en moeilijker en ontstaat er een mankend looppatroon.

26

Wat zijn de verschillen tussen primaire en secundaire gonartrose?

Primair (geen specifieke oorzaak)

Secundair (zijn vaak eerdere aandoeningen geweest)
- Meniscusletsel, kruidbandproblematiek, beschadiging van het kraakbeen, standsafwijking OE, overgewicht

27

Benoem de chirurgische ingrepen bij gonartrose.

- Unicompartimentele knieprothese, hydrogel, mozaïekplastiek, totale knie prothese, ACI (autologe chondrocyten implantatie)

- Gewrichtsartrodes het vastzetten van het gewricht zodat normale bewegelijkheid niet meer mogelijk is

- Osteotomie het operatief rechtzetten van een bot, om botscheefstand te corrigeren of de belasting op een gewricht te wijzigen
*Varusstand: door mediale afname kraakbeen gaat de mechanische as (drukpunt) naar mediaal, hierdoor komt er nog meer belasting op het mediale deel en neemt de kraakbeen nog meer laag. Wat ze hier aan doen is een stukje bot weghalen, een driehoekje van de laterale zijde, waardoor het been weer gelijk staat

28

Wat zijn de bewegingsmogelijkheden in art. coxae en wat zijn de beperkende structuren?

- Anteflexie – retroflexie
- Adductie – abductie
- Endorotatie – exorotatie

- Lig. pubofemorale remt: retroflexie + abductie + exorotatie
- Lig. iliofemorale pars superior remt: retroflexie + adductie+ exorotatie
- Lig. iliofemorale pars inferior remt: retroflexie
- Lig. ischiofemorale remt: retroflexie + abductie + endorotatie

29

Wat zijn de bewegingsmogelijkheden in art. genus en wat zijn de beperkende structuren?

- Flexie – extensie
- Endorotatie – exorotatie

- Lig. collaterale laterale remt: varusstand, endorotatie, exorotatie
- Lig. collaterale mediale remt: valgusstand, endorotatie, exorotatie
- Lig. cruciatum anterior remt: flexie, extensie, endorotatie, voorste schuiflade
- Lig. cruciatum posterior remt: flexie, extensie, endorotatie, achterste schuiflade
- Kapsel, banden, spieren, pezen

30

Wat zijn de bewegingsmogelijkheden in de enkel?

BSG (art. talocruralis):
Kop: talus
Kom: tibia en fibula
Gewrichtsvlakken:
- lateraal (tussen fibula en talus)
- centraal (tussen tibia en talus)
- mediaal (tussen tibia (malleolus) en talus)
Plantairflexie – dorsaalflexie

OSG (art. talocalcaneonavicularis):
Achterste kamer (= art. subtalaris)
- Kop (covex): facies art. posterior calcaneus
- Kom (concaaf): facies art. posterior talus

Voorste kamer (= art. talocalcaneonavicularis)
Pars taloclacaneare:
- Kop: facies art. anterior/media talus
- Kom: facies art. anterior/media calcaneus
Pars talonaviculare:
- Kop: facies art. naviculare talus
- Kom: facies art. os naviculare

31

Wat is de bewegingsrichting van de menisci bij de bewegingen in de knie?

- Extensie menisci naar ventraal
- Flexie menisci naar dorsaal
- Endorotatie tibia mediale meniscus naar ventraal, laterale meniscus naar dorsaal
- Exorotatie tibia mediale meniscus naar dorsaal, laterale meniscus naar ventraal

32

Beschrijf wat een tendinose, tendinitis, tendinopathie is.

Tendinitis: ontsteking van een pees
- Ontstekingsfase – proliferatiefase - remodulleringsfase

Tendinose: degeneratie van een pees (afwijkend bindweefsel biochemisch en histologisch)
- Vaak verdikking van de pees zichtbaar
- Bij veel mensen calcificaties

Tendinopathie: pijn in de pees zonder aanwezigheid van een ontsteking

33

Benoem de factoren die persherstel kunnen belemmeren.

Intrinsieke factoren:
- Over use; te veel gebruikt en te weinig/niet genoeg herstel (overbelast)
- Hormonen (cortisol); nadelig effect op de opbouw van peesweefsel
- Diabetes; verandering van de hormoonhuishouding en het verhoogde glucosegehalte hebben een nadelig effect op het peesweefsel
- Obesitas; hoger gewicht, meer belasting op de pees
- Microcirculatie (zuurstofgehalte 1/7) daalt

Extrinsieke factoren:
- Verkeerde houding/beweging
- Antibiotica (synthetisch) collagenolysis
- Gebruik van NSAID’s zorgen voor een verminderde celproliferatie door een verminderde collageen aanmaak

Afwezigheid peritendonale structuren
- Bursa, peritenon, spier, peesschede, indirecte overgang (periost), bloedvaten

Plaats van de pees (zone calcificata)
- Wanneer er een directe aanhechting is van een pees is dit nadelig, omdat er een stukje kraakbeen daar zit i.p.v. collagene vezels, waardoor zo’n stukje het minst goed hersteld (niet doorbloed)

34

Benoem de prognostische factoren binnen de richtlijn meniscectomie.

Bevorderend:
- participatie in sport (pre operatief)
- goede voorbereiding op sport (post operatief)

Belemmerend:
- gecompliceerd letsel
- plaats van de resectie
- hoeveelheid verwijderd weefsel
- financiële compensatie werkgever
- eerdere operaties
- preparatieve pijn

35

Benoem de behandelfasen uit de richtlijn meniscectomie.

Fase 1a acuut:
- 10-50% belasten van het been (twee krukken)
- Duurt in principe 0 tot 5 dagen, maar kan bij sommige patiënten langer duren (tot 10 dagen)
Kenmerken:
- Knie pijnlijk en gezwollen
- Sprake van een verminderde bewegingsuitslag
- Patiënt kan/durft nog niet volledig steun te nemen op het geopereerde been

Fase 1b subacuut:
Kenmerken bij een normaal herstel (functie en activiteiten toename en pij afname):
- Zwelling en pijn zijn afgenomen
- Actief bewegen knie mogelijk
- Toename belastbaarheid
- Kwaliteit van bewegen met krukken neemt toe (50-100% belast)
Het kenmerk van patiënten met een vertraagd herstel is dat zij te lang met krukken blijven lopen en langdurig niet-dynamisch lopen

Fase 2 belast:
- Criterium om te starten met deze fase aanwezigheid van een dynamisch gangpatroon zonder krukken
- Bij normaal herstel kan participatie in werk, sport en hobby gemiddeld in vier tot zes weken worden bewerkstelligd

36

Benoem de parameters voor krachtuithoudingsvermogen.

Kracht-UHV:
Er dient neuromusculaire overload rondom het gewricht plaats te vinden en/of de oefening is technisch niet meer uitvoerbaar (1 correctie is toegestaan, daarna wordt de oefening gestaakt)
- Series: 3-6
- Herhalingen: 20-40
- Seriepauze: 30-60 seconden
- Bewegingssnelheid: 2-0-2
- Energiesysteem: aeroob

37

Benoem de parameters voor hypertrofie.

Hypertrofie:
Er dient neuromusculaire overload rondom het gewricht plaats te vinden en/of de oefening is technisch niet meer uitvoerbaar (1 correctie is toegestaan, daarna wordt de oefening gestaakt)
- Series: 3-6
- Herhalingen: 6-12
- Seriepauze: 1 minuut
- Bewegingssnelheid: 1-0-1 of 1-0-2 (a.d.h.v. functie)
- Energiesysteem: anaeroob

38

Benoem de parameters voor submaximaal.

Submaximaal:
Er dient neuromusculaire overload rondom het gewricht plaats te vinden en/of de oefening is technisch niet meer uitvoerbaar (1 correctie is toegestaan, daarna wordt de oefening gestaakt)
- Series: 2-4
- Herhalingen: 1-6 (geen 1, want dat is 1RM)
- Seriepauze: minimaal 90 seconden, 3-5 minuten
- Bewegingssnelheid: 1-0-1 of 1-0-2 (a.d.h.v. functie)
- Energiesysteem: anaeroob

39

Benoem de parameters voor explosieve kracht.

Explosief:
Er dient (neuro)musculaire overload plaats te vinden. Uitvoerbaarheid is nu afhankelijk van de concentrische snelheid. Wanneer snelheid in de concentrische fase afneemt is er overload zichtbaar en/of de oefening is technisch niet meer uitvoerbaar (1 correctie is toegestaan, daarna wordt de oefening gestaakt).
- Series: 3-4
Herhalingen:
- 5-10 (PPT)
- 6-12
Seriepauze:
- Min. 90 seconden (PPT)
- Minimaal 2 minuten voor een volledig herstel fosfaatpool
- Bewegingssnelheid: maximaal concentrisch – 1 seconden vast – 1-2 seconden excentrisch
- Energiesysteem: fosfaatpool

40

Benoem de parameters voor snelkracht.

Snelkracht (zie hieronder)
Plyometrisch:
Er dient (neuro)musculaire overload plaats te vinden. Uitvoerbaarheid is nu afhankelijk van het geleverde vermogen. Wanneer snelheid binnen de oefening afneemt is er overload zichtbaar en/of de oefening is technisch niet meer uitvoerbaar (1 correctie is toegestaan, daarna wordt de oefening gestaakt).
- Belasting: +/- 10% extra
- Series: 3-4 series
Herhalingen:
- 8-12 > 8-10 sec (PPT)
- 6-12 > werken richting functie
Seriepauze:
- Min. 90 sec (PPT)
- Minimaal 2 minuten voor een volledig herstel fosfaatpool
- Beweging: van excentrisch activiteit gelijk door naar maximaal concentrisch
- Energiesysteem: fosfaatpool

41

Benoem de parameters voor sportspecifieke training.

Sportspecifiek:
Er dient (neuro)musculaire overload plaats te vinden. Uitvoerbaarheid is nu afhankelijk van het geleverde vermogen. Wanneer snelheid binnen de oefening afneemt is er overload zichtbaar en/of de oefening is technisch niet meer uitvoerbaar (1 correctie is toegestaan, daarna wordt de oefening gestaakt).
- Belasting: +/- 10% extra
- Series: 3-4 > richting functie
Herhalingen:
- 3-5 > richting functie (PPT)
- 6-12 > richting functie (BIJ Parameters)
Seriepauze:
- Min. 90 sec (PPT)
- Minimaal 2 minuten voor een volledig herstel fosfaatpool. Werken richting sportfunctie (BIJ Paramaters)
- Bewegingssnelheid: Functie specifiek
- Energiesysteem: fosfaatpool

42

Beschrijf het diagnostisch proces van de meest voorkomende knieletsels.

Voorste kruisbandletsel
- Lachman test
- Voorste-schuifladetest
- Pivot-shifttest

Achterste kruisbandletsel
- Gravity sign
- Achterste-schuifladetest

Meniscusletsel
- McMurray
- JLT
- Passieve flexie
- Passieve extensie
- Thessaly test
- Appley

Collateraalbandletsel
- Varus/valgus-stresstest

Fractuur
- Ottawa Knee Rules

43

Benoem de gradaties van enkelletsel.

1: verrekking lig. talofibulaire anterius: zwelling en palpatie pijn.

2: partiele ruptuur lig. talofibulaire anterius en bij hoger energetisch letsel evt. lig. calcaneofibulaire en lig. talofibulaire posterius: zwelling, palaptie pijn, hematoom en positieve voorste schuiflade test en evt. talar tilt test en veel pijn bij deze testen.

3: ruptuur lig. talofibulaire anterius en evt. calcaneofibulaire en lig. talofibulaire posterius: forse hematoom en hydrops, palpatie pijn en positieve voorste schuiflade test en evt. talar tilt test, maar geen pijn bij deze testen.

44

Hoe ziet het therapeutische proces bij acuut enkel letsel eruit.

Licht letsel (functiescore >40)
Acute fase (0-3 dagen):
- reductie pijn en zwelling & partieel belasten,
- informatie/advies: RICE en belasten op geleide van pijn, actief bewegen voet en tenen,
- instructie: compressiebandage.
Eventueel herbeoordeling/controleafspraak na 1 week.

Zwaar letsel (functiescore <40)
Reactiefgerichte sporter
*Acute fase (0-3 dagen):
- reductie pijn en zwelling & partieel belasten
*Proliferatiefase (4-10 dagen):
- herstel van functies en activiteiten; opbouw belasting
- Tape of brace; afhankelijk van mate van belasting en voorkeur patiënt,
- Oefenen en functies en activiteiten: beweeglijkheid, actieve stabiliteit, coördinatie en
lopen.
*Vroege remodelleringsfase (11-21 dagen):
- Verbeteren spierkracht, actieve (functionele) stabiliteit en lopen
- Oefenen van functies en activiteiten: dynamische stabiliteit, evenwicht en coördinatie.
*Late remodelleringsfase transfer fase 1 (3-6 weken):
- Oefenen activiteiten: opbouw naar normale belasting en huiswerkoefeningen.
Bij normaal herstelproces behandelfreq. 1x per week, behandelduur maximaal 6 weken.

Zwaar letsel (functiescore <40)
Prestatiegerichte en maximale sporter
*Acute fase (0-3 dagen):
- Kleefbandage en tape
*Proliferatiefase (4-10 dagen):
- Vervangende arbeid om conditie en/of spierkracht op peil te houden, opbouw belasting
*Vroege remodelleringsfase (11-21 dagen) en late remodelleringsfase transferfase 1 (3-6 weken):
- Progressieve opbouw belasting en oefenen van functies en activiteiten van statisch naar
dynamisch, van enkelvoudig naar complex, van cyclisch naar acyclisch.
*Late remodelleringsfase transfer fase 2 (6-12 weken):
- Sportspecifieke revalidatie tot vereist sportniveau
Behandelfreq. Afhankelijk van sportniveau, behandelduur maximaal 12 weken.

45

Hoe ziet het therapeutische proces bij functionele instabiliteit.

Nieuw weefselschade
*Acute fase (0-3 dagen)
- reductie pijn en zwelling & partieel belasten,
- informatie/advies: RICE en belasten op geleide van pijn, actief bewegen voet en tenen,
- instructie: compressiebandage.

Functionele instabiliteit
Zowel bij recreatie- , prestatie en wedstrijdgerichte sporters.
*Doel: herstel van functies en activiteiten, wegnemen bewegingsangst / vertrouwen krijgen. Verrichtingen: oefenen van functies en activiteiten, (gedoseerd) gebruik van tape/brace Voorlichting/advies: (gedoseerd) gebruik tape/brace, schoeisel, dosering opbouw belasting, huiswerkoefeningen, preventie.
*Opbouw therapie: herstel gangpatroon en ongestoorde enkelfunctie, progressieve opbouw belasting tot ADL-niveau; opbouw belasting aan de hand van onstekingsreactie enkelgewricht en pijn; zo mogelijk tijdcontigent.
*Bij coachende rol fysiotherapeut en hoge therapietrouw patiënt: behandelfreq. 1x per 1 á 2 weken. Evaluatie elke 3 weken en aantoonbaar resultaat na 6 weken.

Functionele instabiliteit bij hoge belasting in ADL bij prestatiegerichte en maximale sporters.
*Doel: terugkeer op sportniveau.
*Verrichtingen: intensieve opbouw training op geleiden van belastbaarheid; toename belasting door middel van training coördinatie en balans, kracht, uithoudingsvermogen en snelheid: van statisch naar dynamisch, van enkelvoudig naar complex, van cyclisch naar acyclisch.
*Behandelfreq. En duur afhankelijk van (werk- en sportniveau).