Lichaam Flashcards Preview

Parole > Lichaam > Flashcards

Flashcards in Lichaam Deck (230):
0

Colonna vertebrale

De Ruggengraat
Het Ruggenmerg
Rugwervel
Tussenwervel.schijf
Pees legamento
Bekken pelvi

1

Cranio

Schedel
Voorhoofdsholte
Kaak mascella
Onderkaak mandibola
De slaap
De jukbeen zigomo

1

sensi

zintuigen

2

Genitali

Baarmoeder
Testikel
Schaamlippen
Penis
Prostaat
Tepel

2

sembrare

lijken

3

Polmoni

Long , de diafragma
Luchtpijp
Stembanden
Ribben
Bronchie:n
Amandelen tonsille
Strottdnhoofd
Gehemelte

3

impressione

de indruk

4

Organi parenchimatosi

Het orgaan
Nier
Lever
Milt
Klier
Eierstok

4

assomigliare

lijken op

5

Addome

Navel
Maag
Dikke, dunne, blinde daarm
Endeldaarm
Galblaas
Blaas
Anus

5

apparire

schijnen

6

Arto inferiore

Billen natica
Bovenbeen
Het been (dijbeen , scheenbeen)
Spier
Kuit
De hiel
Gewrichtsband
De heup (fianchi)de knie, de enkel

6

a quanto pare

naar het schijnt

7

Torace

De thorax
Borstkas
Ribben
Slokdarm
Sleutelbeen
De tepel

7

risultare apparire

blijken

8

Faccia
Sopracciglia
Ciglia
lentiggine
Occhi orecchio naso

Het gezicht : get gelaat (form)
De wenkbrauw
De wimper
Het sproetje
Het oor het oog de neus

8

accorgersi

merken

9

La Circolazione
Il cuore
L arteria

Het hart
Kloppen
Het bloedvat : de ader
De slagader
De Bloedomloop

9

notare

opmerken

10

Labbro superiore

Bovenlip
Onderlip

10

l attenzione

sdw aandacht de attentie

11

Respirare

Ademhalen
Inhalen
Hoesten
Zijn neus snuiten
Niezen
Zuchten
Hikken

11

stare attenti

opletten

12

Reazioni cutanee


Uitslag
Rillen (b)
Beven (t)
Jeuken/krabben
Blozen/een kleur krijgen
Kippenvel
Zweten
Trillen

12

osservare

observeren

13

Masticare

Kouwen
Slikken
Likken
Boeren/ een boer laten
Bijten
Zuigen

13

guardare di soppiatto da una porta socchiusa

gluren door een kier

14

Movimenti espressivi

Knipogen
Fronzen
Lachen
Glimlachen
Geeuwen

14

riconoscere

herkennen

15

Dormire

Slapen
Dromen
Snurken
Overeind
Ik heb akelig gedroomd vannacht

15

notarsi

opvallen

16

La bocca
La gengiva
La lingua
Dente
Estrarre
La carie
Sporgere la lingua

De mond, je mond houden
Het tandvlees
De Tand
Een tand trekken
Je tong uitsteken

16

sentire

horen

17

Le 2 braccia sono sollevate

De 2 armen zijn geheven

17

ascoltare

luisteren naar

18

La testa
I capelli

Het hoofd
Het haar

18

ascoltare qualcosa

beluisteren

19

Nudo

Bloot
Naakt

Het lichaam , het lijf

19

il suono

het geleuid

20

Avere cura del proprio corpo

Je lichaam verzorgen

20

suonare

klinken

21

La vasca
La doccia

Fare un bagno
Fare la doccia

Het bad
De douche

Een bad nemen
Douchen

21

il suono

de klank

22

Lavarsi
Il sapone
Sporco
Pulito

Zich wassen
De zeep
Vuil
Schoon

22

il rumore

het lawaai de herrie het rumoer

23

L asciugamano
L accappatoio

De handdoek
De badjas

23

fare rumore

lawaai maken

24

Lavarsi
Rinfrescarsi

Zich wassen
Zich opfrissen

24

forte

Hard = luid

25

L igiene
Lo spazzolino da denti
Il dentifricio
Spazzolare i denti

De hygiene
De tandenborstel
De tandpasta
Je tanden poetsen

25

piano

zacht

26

Radersi
Il rasoio
La lametta
La schiuma

Zich scheren
De scheerapparaat
Het scheermesje
Het scheerschuim
De scheercreme , zeep

26

tranquillo

rustig

27

Il pettine
Pettinarsi
Spazzolarsi
Il gel

De kam
Kammen
Borstelen
De gel

27

silenzioso

stil
de stilte

28

Il lavandino
Lo shampoo
Il fohn

De wastafel : de wasbak
De shampoo
De fohn

28

in silenzio

in stilte

29

Il parrucchiere
Il negozio del parrucchiere
La acconciatura
De pruik

De kapper
De kapsalon
Het kapsel
De pruik

29

tacere

zwijgen

30

Truccarsi
Il trucco

Zich opmaken
De make up

30

sordo

doof

31

Il profumo
La crema
La crema solare

Het parfum
De creme
De zonnebrand.creme

31

sentire per caso

opvangen (toevallig horen)

32

La cipria
Il rossetto
Il proteggilabbra

De poeder
De lippenstift
De lippenbalsem( de labello)

32

odorare qualcosa

ruiken

33

Gli occhiali
La custodia per occhiali

De brillen
De brillen.koker

33

l odore

de geur

34

L ombretto
La Matita
La palpebra
La ciglia
De mascara

De oogschaduw
De eyeliner
De wimpers
De ooglid
De mascara

34

di buono di cattivo

lekker vies

35

Lo smalto per unghie
L acetone

De nagel.lak
De aceton

35

assaggiare

proeven

36

L essere umano
Il corpo
La parte del corpo
Nudo

De mens
Menselijk
Het lichaam, het lijf
Het lichaamsdeel
Bloot : naakt

36

trovo la birra cattiva

bier vind ik vies!
Naar

37

La testa
Il cervello
Usa il cervello
Impara a memoria
I capelli
La gola, il collo, la nuca

Het hoofd : de kop
De hersenen
Je hersenen gebruiken
Uit her hoofd leren
Het haar
De keel, de hals, de nek

37

il sapore

de smaak

38

La fronte
Le tempie
Il mento
La guancia

Het voorhoofd
De slaap
De kin
De wang

38

avere sapore

smaken

39

Arto superiore

De oksel
De arm
De onderarm
De elleboog
De pols

39

guardare
Sbirciare (da una porta socchiusa)

kijken
Door een kier ... Gluren

40

La mano

De hand
Wat is aan de hand?
Uit de hand lopen
De vinger opsteken
De nagel , de vuist

40

osservare

bekijken

41

L addome
L inguine
Il lombo
Il sedere

De buik
De lies
Le lende
Het zitvlak : de kont

41

guardare negli occhi

aankijken

42

Il sangue
I grI gb
le piastrine
Un lago di sangue

Het bloed
De rode/witte bloedlichaampjes
De bloedlichaampjes
Een bloedplaas

42

alzare gli occhi

opkijken

43

Scheletro
Il cranio
La colonna
Gabbia toracica
Il bacino
L articolazione

Het geraamte
De schedel
De wervelkolom
De borstkas
Het bekken
Het gewricht

43

guardare con rispetto

opkijken tegen

44

fissare

staren

45

guardarsi in giro

rondkijken

46

alcuni bambini stanno a guardare fuori durante la lezione invece di stare attenti

sommige kinderen zaten tijdens de les naar buiten te staren in plaats van op te letten

47

lo sguardo

de blik

48

dare uno sguardo

een blik werpen op

49

portare gli occhiali o le lenti

een briel of contactlenzen dragen

50

cieco

blind

51

visibile

zichbaar

52

Sono ingrassato. Sono aumentato di 2 kili.
Dimagrire.

Ik ben dikker woorden. Ik ben 2 kilo aangekomen.
Afvallen.

52

la sensazione

de sensatie

53

la sensazione (interiore)

gevoel

54

i sensi

de zintuigen

55

sentire

voelen

56

godersi qualcosa

genieten van een ijsje

57

soffice duro

zacht hard

58

freddo fresco caldo caldissimo

koud fris en koel warm heet

59

prudente! La zuppa e 'calda!

voorzichtig! De soep is heet!

60

La glottide

De glottis

61

Pelle Secca grassa dura liscia /
Raggrinzita
Sensibile

Droge vette dikke gladde huid /
Schrompelige huid
Gevoelige huid

62

Lo sviluppo

De ontwikkeling

63

Sporgere la lingea
Tendere la gamba
Egli ha teso la gamba per..

Zijn tong uitsteken
Zijn been uitsteken
Hij stak zijn been uit om...

64

Battere forte

Bonzen

65

Sputare

Spugen

66

Visitare

Onderzoeken

67

Prendere in giro qq

Iemand in het ootje nemen

68

Puzzare di

Stinken naar
De stank

69

Ingrassare
Dimagrire

Aankomen
Afvallen

70

Battere forte

Bonzen

71

Essere senza fiato

Kort.ademig zijn

72

Il corpo inanimato

De ontzielde lichaam

73

Completamente nudo
A piedi nudi
A capo scoperto

Spiernaakt : poedelnaakt
Op blote voeten
Blootshoofds

74

L ossatura
Lo scheletro
Il cranio (il teschio)

Het gebeente
Het geraamte
Het schedel

75

Fare il solletico

Soffrire il solletico

Kietelen

Niet tegen kietelen kunnen

76

La posizione .
Il portamento

De houding

77

Testicolo

Teelbal

78

Pancreas

Alvlees.klier
Pancreas

79

Pube
Pelo pubico
Grandi labbra

Schaambeen
Schaamhaar
Schaamlippen

80

Alzare lo sguardo oppure
Guardare con ammirazione

Opkijken

Tegen iemand opkijkent

81

Vedere da vicino

Van dichtbij zien

82

Eccitare
Eccitato

Opwinden
Opgewonden

83

Alzare gli occhi

De ogen opslaan

84

La saliva
Lo sputo il catarro
Sputare

Het speeksel
Het spuug
Spugen

85

Gesti e espressioni del volto

Gebaren
En gelaats.uitdrukkingen

86

Lo sguardo fisso
Fissare

De starende blik

87

Il contatto visivo

De oog.contact

88

L inchino

De buiging

89

Il segno della vittoria

De overwinnings.teken

90

Il ghigno beffardo

De grijns

91

Pollici su

"Duimen omhoog"

92

Aggrottare le ciglia

Fronsen

93

Fissare

Staren

94

Scambiarai una stretta di mano

Elkaar de hand schudden
Schudden van het lachen

95

Fare un cenno col capo

Knikken

Zijn knieen knikken (gli cedono le ginocchia)

96

Fare l occhiolino

Knip.ogen

97

Avere uno sguardo
Serio
Mogio

Kijken
Serieus?
Sip

98

Fare ciao con la mano
Sbracciarsi

Zwaaien
Met zijn armen maaien

99

Con mano sicura
Con voce sicura

Met vaste hand
Met vaste stem

100

Addormentarsi
Cascare dal sonno

In slaap vallen
Omvallen van de slaap

101

Mi viene sonno

Ik krijg slaap

102

Schiarirsi la gola

Zijn keel schrapen (grattare)

103

Assorbente
Tampone
Salvaslip

Maandverband
Tampon
Inleg.kruisje

104

Menopausa

De overgang

105

Tetta

Tiet

106

Fare il solletico

Kietelen

107

(Fare)
il ditone
Le dita incrociate

Middelvinger
Gekruiste vingers

108

Salutare con la mano

Zwaaien
Of
Wuiven

Per allontanarsi : elkaar uitwuiven

109

Guardare
Guardarsi da qualcuno
Guardarsi intorno
Guardarsi le spalle (stare all' erta, in guardia)


Kijken
Pas op voor de hond
Zij Kijken om zich heen
Op zijn hoede zijn- ik ben op mijn hoede
Hoede : protezione

110

Gettare uno sguardo di nascosto

Een blik
Heimelijk
Werpen

111

Tessuto
Stato avanzato di decomposizione

Weefsel

Verregaande staat van ontbinding

112

Scuotere qq dal sonno

Iem wakker schudden

113

Ingrassare
Dimagrire/ snellirsi
Perdere 10 kg

Aankomen
Afvallen = (op de heupen) afslanken
10 kg kwijt.raken

Kwijt.raken: perdere, oppure liberarsi di

114

Prevenire l obestita'

Obesitas te voorkomen

115

Avere eccesso di peso =
Essere sovrappeso

Over.gewicht te hebben

Het over.gewicht

116

Generare, procreare un bimbo

Een kindje
Verwekken

117

Tremare
il tremore

Beven van (de ) angst

Ik sta
Op mijn benen
Te trillen

De trilling

118

Il brivido

De rilling

Rillen

119

Il sedere

Het achterwerk (form)
De billen , de bil
De billen.knijper
De kont (lekker kont!) / het kontje

120

Il tatuaggio
Il tatuaggio al fondoschiena

De tattoo
Het aarse.gewei

121

Fare la cacca

Kakken

122

Il pizzicore

De kriebel

123

Avere odore di buono
Annusare una rosa
Fiutare ( figurato ) un pericolo

Lekker ruiken
Ruiken aan een roos
Een gevaar ruiken

124

Il culo (peggiorativo)

Non gliene puo'
Fregare
Un cazzo / un tubo

De Reet
Het Hol

Het kan me
Geen hol/reet /// bal/barst
Schelen

125

Mozzafiato

Adem. Benemend

126

Le spoglie mortali

De stoffelijke overschotten

127

Essere ben piazzato

Wel in zijn vlees
Zitten

Gezet zijn

128

Imene

Membrana
Rompere le acque

Maagden.vlies

Vlies
Het breken van de vliezen

129

La menopausa

De overgang

130

Parlare con voce roca

Sgolarsi

Schor praten

Zich schor schreeuwen

131

La menopausa

De ondergang
La caduta dell impero

132

Riscontrare , constatare

Constateren

133

L anomalia congenita

De aangeboren afwijking

134

Abituare il corpo alle fatiche

Het lichaam
Aan inspanningen
Wennen

135

Tiroide

Schild.klier

136

Alzare le sopracciglia

Zijn wenkbrouwen
Optrekken

137

Denti storti

Een scheef gebit

138

A piedi nudi

Op blote voeten

139

Quanto sei alto?

Hoe lang ben je?

140

Faccia / viso
Conoscere qq di vista
Perdere la faccia
Fare le smorfie
Dire in faccia qq a qq

Het gezicht
Zijn gezicht verliezen
Iemand van gezicht kennen
Gezichten trekken
Iets in iemands gezicht zeggen

141

Assorbente

Maand.verband
Tampon

142

Costituzione, il fisico

De Lichaamsbouw

143

Il water
La piastrella
La vasca
La doccia

De wc
De tegel
Het bad
De douche

144

Fare il bagno
Fare la doccia

Zich baden
Douchen

145

La toilet

Het toilet

146

L asciugamano
La manopola per lavarsi

De handdoek
Het washandje

147

Il gel da doccia
La lozione

De douche.gel
De lotion

148

Il deodorante
La spazzola

De deodorant
De haar.borstel

149

Fare lo shampoo
Pettinarsi

Shampooe:n
Kammen
De kam

150

Il fon

De fo:hn

151

Visitare
Palpare

Onderzoeken
Palperen

152

Sveglia!
Il pisolino
La mancanza di sonno
Mezzo addormentato

Oogjes open!
Het tukje
Het slaapgebrek
Slaapdronken
Wakker
De wekker

153

Morire (tirare le cuoia)

Zijn klompen
Wegzetten

154

Allungare , stendere

Strekken

155

La gola

De strot

156

Stare in punta di piedi

Op zijn tenen staan

157

Gli borbotta lo stmaco

Het rommelt in zijn maag

158

L embrione

De embryo

159

Tiroide

Het schild.klier

160

Zigomo
Mandibola

Juk.been
Onder.kaak

161

Fare la cacca
Cacare
Cacarsi addosso

Poepen
Schijten
In zijn broek schijten

162

Tenere le braccia lungo il corpo

De armen houden
Langs
Het lichaam

163

Il didietro

De acther.werk
De billen
De kunt

165

Essere esperti in qualcosa

Iets onder de knie hebben/ krijgen

166

Crollare dal sonno

Omvallen
Van de slaap

167

Dormire come un ghiro
Parlare in continuazione

Slapen Als een roos
Praten als een ekster

168

Toccarsi il pisello

Aan zijn piemel
Zitten

170

Esibizionista

Potlood.venter

171

Gli borbotta lo stomaco

Het rommelt in zijn buik

172

Non toccare!

Kom niet aan!

Aankomen= toccare inavvertitamente

173

Sono aumentato 2 kili

Ik ben 2 kilo's aangekomen

174

Fare
un rutto

Een boer
Laten

175

Sonnecchiare
Appisolarsi

Dommelen
Indommelen

176

Scrutare

Turen

Hij tuurt en tuurt

177

Non ho la pancia piena

Ik heb geen volle maag
Ik had een volle buik

178

Una vuota formalita'

Een "wassen neus"

179

Dormire come un sasso

Als een blok
Slapen

180

Non toccare!

Afblijven!

181

Sonnecchiare
Appisolarsi

Dommelen
Indommelen

182

Soffrire il solletico

Je kunt tegen kietelen

183

Se la mestruazione
Non si verifica
Per piu' di 2 mesi

Non verificarsi

Als menstruatie
Langer dan 2 maanden
Uitblijft

Uitblijven

184

Stomaco vuoto

Holle maag

185

Non toccare

Niet aankomen!

186

Ti mostrero' dove...

Ik zal je
Laten zien waar...

Laten zien

187

Alito cattivo

Kegel

Kegel : cono