Persoonlijke gegevens Flashcards Preview

Parole > Persoonlijke gegevens > Flashcards

Flashcards in Persoonlijke gegevens Deck (114):
0

Giapponese

Japanner

1

Cinese

Chinees

2

Messicano

Mexicaan

3

Marocchino

Marokkaan

4

Canadese

Canadees

5

Americano

Amerikaan

6

Il portogallo e' famoso per via del Porto

Portugal is beroemd vanwege de produktie van Port.

7

A nord degli Usa si trova lo stato del canada

Noordelijk van de VS ligt het land Canada

8

Il portogallo confina con la spagna

Portugal grenst AAN Spanje

9

L olanda ha 10'000 km di piste ciclabili.

NL heeft X kilometer fietspad.

10

Il nome
In nome di
Il nome proprio/ il cognome
Il nomignolo
Il soprannome

De naam
Uit / in naam van
De voor , de acthernaam
De roepnaam
De bijnaam

11

La lettera
Fare lo spelling

De letter
Spellen

12

Chiamarsi

Dare il nome

Heten

Noemen

13

Anonimo

Anoniem

14

Il signore
La signora

De meneer
De mevrouw

De heer
De dame

15

Il passaporto
L identita'
La carta di identita'
Il documento di identita'
Dare prova della propria identita'

Het paspoort
De identiteit
De identiteitskaart
De legitimatie
Zich legitimeren

16

La nazionalita'

De nationaliteit

17

Firmare
La firma

Ondertekenen
De handtekening

18

L indirizzo
La residenza
Il numero civico
Il numero di telefono
Il prefisso

Het adres
De woonplaats
Het huisnummer
Het telefoonnummer
Het kengetal

19

Il biglietto da visita

Het visitekaartje
Het naamkaartje

20

Venire da

Komen uit

21

Nascere
Il giorno e luogo di nascita
La nascita
Il conpleanno

Geboren
De geboorte datum of plaats
De geboorte
De verjaardag
Geboren en getogen

22

L eta'
Coetaneo
contemporaneo
Di mezza eta'

De leeftijd
De leeftijd.genoot
De tijdgenoot
Van middelbare leeftijd

23

Vecchio
La vecchiaia

Oud
Ouderdom

24

Il genere
Maschile
Femminile

Het geslacht
Mannelijk
Vrouwelijk

25

Single

Scapolo

Alleenstand of single

Vrijgezel

26

Sposato
Moglie
Marito
Divorziato
Vedova vedovo

Getrouwd
De man de vrouw
Deschieden
De weduwe
De weduwnaar (m)

27

La famiglia (tutti)
Il nucleo famigliare
L albero genealogico

De familie
Het gezin
De stamboom

28

Venire da
Paese
Terra dei padri

Komen uit
Het land
Het vaderland

29

La lingua
La lingua madre
L area linguistica
La lingua ufficiale

De taal
De moedertaal
Het taalgebied
De voertaal

30

Lo straniero/a
Estero
L origine
Originario di

De buitenlander/landse of de vreemdeling
Buitenlands
De. Afkomst
Afkomstig uit

31

Lo straniero
L autoctono
L alloctono
Emigrare
Immigrare
Il migrante

De vreemdelingen
De autochtoon
De allochtoon
Emigreren
Immigreren
De migrant

32

I negri
Le persone di colore
Bianco

De zwarten
De kleurlingen
Blank

33

Olanda
Un olandese
In Olandese
La lingua olandese
Parlante madrelinga olandese

Nederland
De Nederlander
In Het Nederlands
Nederlandstalig

34

Belgio
Il belga / la belga

Belgie
De Belg
De Belgische

35

Le fiandre
Fiammingo
Il fiammingo (m)
La fiamminga (f)

Vlanderen
Vlaams
De Vlaming
De Vlaamse

36

Vallonia
Vallone

Wallonie
Waals

37

Inglese
Francese
Tedesco
Spagnolo
Polacco

Engelsman
Fransman
Duitser
Spanjaard
Pool

38

Nativo
In quanto nativo olandese amo lo stufato

Inheems
Als inheemse Nederlander houd ik van stompot.

39

Cerco i tuoi dati nel computer

Ik zoek uw gegevens op - in de computer

41

carta di identita'

het identiteitsbewijs

42

certificato di nascita

het geboortekaartje

43

il domicilio

de woonplaats

44

la foto

de foto

45

foto formato tessera

de pasfoto

46

firma

de handtekening

47

carta persoanle

het personlijke kaartje

48

permesso di soggiorno

de verbijfs.vergunning

49

il passato

het verleden

50

la perdita

het verlies

51

la biografia

de biografie

52

sono olandese

ik ben nederlandse

53

sono studentessa

ik ben studente

54

sono turista (f,m)

ik ben turist

55

sono sposata con

ik ben getrouwd met

56

vivo nel nord di milano
Vivo a nord di milano

ik woon in het noorden van Milaan.
Ik woon ten noorden van Milaan.

57

quanti anni compi?

Hoe oud word je?

58

io peso

Ik weeg ….

59

sono abile

ik ben bedreven

60

sono curioso

ik ben nieuwsgierig

61

sono miope

ik ben bijziend

62

sono timido

ik ben verlegen

63

sono soddisfatto

ik ben tevreden

64

sono freddoloso

ik ben kauwelijk

65

il futuro

de toekomst

66

il compleaano

de verjaardag

67

possedere

Il proprietario/a

bezitten

De bezitter

68

ricordare

zich herinneren

69

dimenticare

vergeten

70

herinneringen ophalen

rivangare i vecchi tempi

71

non dimenticare

onthouden

72

perdere

missen

73

attuale

tegenwoordig

74

provare

proberen

75

misurare

meten

76

la taglia, la misura

de maat

77

pesare

wegen

78

compiere

jarig zijn

79

prossimo

volgend

80

Contemporaneo
Coetaneo

Tijdgenoot
Lijftijdgenoot

81

Il Madrelingua

Die native speaker is

82

Effetti personali
Oggetti di valore

Persoonlijke bezittingen
Waardevolle voorwerpen

83

Appartenere a

Toebehoren aan

84

La somiglianza, la rassomiglianza

De overeenkomst

Anche: l accordo

85

Da quale paese vieni?

Uit welk land kom je vandaan?

86

Io sono della classe media

Ik ben uit de middenklasse.

87

L uomo , il marito
La persona
La gente

De man
De mens
Men

88

Quanto sei alto?
Sono 1 metro e 80

Hoe lang ben je?
Ik ben 1meter 80.

89

Questa borsa appartiene a me

Deze tas behoort aan mij.
Dit gebouw behoort aan de gemeente.

90

Nato e cresciuto in italia.
Il tuo proprio bagaglio culturale.
Venire in contatto

Geboren en getogen in Italie zijn.
Je eigen culturele achtergrond.
In aanraking komen

91

Originario da
Proveniente da

Oorspronkelijk uit
Afkomstig uit

92

Europei

Europesen

93

Un paese prospero con una grande misura di liberta individuale

Een welvarend land met een grote mate van individuele vrijheid.

94

Qualita' , caratteristiche

Eigenschappen

95

Originario di
Proveniente da

Oorspronkelijk van
Afkomstig van

96

Infiacchirsi, afflosciarsi
Scoraggiarsi

Verslappen
Ontmoedigd raken

97

La tessera di ingresso e' strettamente personale.

Het toegangs.kaart
Is strikt presoonlijk.

98

Scaduto

Vervallen

99

Peso 65,550

Ik weeg
65 kilo en een half
65 kilo en 550 gram

100

E' alto 1,87

Hij is
Een meter en zevenentachtig groot.

101

Lui ha 20 anni

Hij is 20.
Hij is 20 jaar.
Hij is 20 jaar oud.

102

Anna e' un olandese.
Lei e' olandese.

Anna is een Nederlandse.
Ze is Nederlands.

103

Tom e' un olandese.
Tom e' olandese.

Tom is een Nederlander.
Hij is Nederlands.

104

Nome da nubile

De meisjes.naam

105

Benvenuto, entra pure!

Welkom, kom maar binnen.

106

E' stato bello incontrarti.

Het was leuk
U te ontmoeten.

107

Arrivederci, stammi bene.

Tot ziens. Hou je goed!
We houden contact, he'?

108

Se torni ancora a parigi, fammelo sapere!

Als je nog naar Parijs komt,
Laat het me
Dan weten.

109

Io faccio musica

Ik doe aan musiek.

110

Vado pazzo per viaggiare

Ik ben
Dol / gek
Op reisen.

111

Sono una pesona tenace, irriducibile

Ik ben een
Doorzetter - doorzetster

112

A quei tempi sedicenne

Een
Destijds zesjarige
jongen

113

A quei tempi sedicenne

Een
Destijds zesjarige
jongen

114

Apporre la propria sigla
Sigla, iniziali

Zijn paraaf zetten
De paraaf