Politiek Flashcards Preview

Parole > Politiek > Flashcards

Flashcards in Politiek Deck (73):
0

Il partito
La frazione
Il partito di sinistra

De partij
De fractie
De linkse partij

1

Nazionale

Nationaal

2

Maggior eta'

De meerderheid

3

Votare

Stemmen

4

Le elezioni

De verkiezingen
Houden

(Usato al plurale)

5

Il voto

De stem

6

Il candidato

De kandidaat

7

Scegliere

Verkrijgen

8

La forza

De macht

9

La cpagna elettorale

De verkiezing campagne

10

Il survey

De opinie. Peiling

11

Il politico

De politicus

12

La tendenza

De tendens

13

L accordo

Het akkord

14

La proposta
H

Het voorstel
Voorstellen

15

L intervento

De interventie

16

Il governo

De regering
Regeren

17

Cittadino

Burgerlijk

18

Parlamentare
Il membro del parlamento

Parlamentair
Het parlements.lid

19

L oposizione

De opositie

20

Designare

Benoemen

21

I fondamentalisti

De fondamentalisten

22

Federale

Federaal

23

Dittatura

Dictatuur

24

Democrazia
Monarchia

De democtratie
De costittutionele monarchie
De republiek

25

Il regime

Het regime

26

Il patriota

De patrioot

27

Il regionalismo

Het regionalisme

28

La commissione

De commissie

29

Di destra , sonistra, moderato

Rechts, gematigd

30

Progressista
Conservatore

Progressief
Conservatief

31

L amministrazione pubblica

Het openbaar bestuur

32

La camera
Il senato

Eerste kamer

33

Il parlamento

Het parlement

34

Il presidente

De president

35

Il ministro
Il ministero
Il primo ministro nl
Il primo ministro

De minister
Het ministerie
De minister-president
De premier

36

Il senatore

De senator

37

Il governatore

De gouverneur

38

L indirizzo politico

Het beleid

39

I rapporti internazionali

De internationale betrekkingen

40

Il primo ministro

De premier
De minister president

41

Approvare

Goedkeuren

42

L elezione
Il voto
La regola
Votare - scegliere

De verkiezing
De stem
De regel
Kiezen

43

L elezione

De verkiezing

44

Ls classe operaia
Le classi superiori

De arbeidende klasse
De hogere standen

45

Il socialismo

Het socialisme

46

Quello vale per tutti?

Geld dat voor iedereen?

47

Formare il governo

De regering vormen

48

Le tasse

De belasting

49

La disillusione

De ontgoocheling

50

La politica (il tipo di governo , la strategia politica)

Het beleid

Buitenlands beleid

51

La sinistra

Rechts

52

Abdicare

Afstand doen van de troon

53

Un istituzione (ente) pubblica

Een openbare instelling

54

Il vantaggio

Het voordel

55

Oppositore

Dwars.ligger

56

Scorta

Het Escorte

57

La escort

De escort.girl

58

Una parete preminente o notevole
Una parte ragguardevole

Een aanzienlijk deel
Een behoorlijk deel

59

Background

Achtergrond

60

La crisi

De economische crisis

61

A societa
La comunita

De maatschappij
De gemeen.schap

62

Il distretto cittadino

De stads.deel

63

La prosperta'

De wel.vaart

64

La discriminazione

De discriminatie

65

Schierarsi dalla parte degli agenti

Zich scharen
Achter de agenten

66

La societa'

Samenleving
Maatschappij
Gemeente

67

Il politico
Il parlamentare

De politicus
Het parlement.lid

68

Impedire una riforma

Een hervorming
Tegenhouden

69

Crisi economica

Econimische crisis

70

Il programma
Di benessere (servizi) sociale

Sociale Welvaarts.programma

Welvaarts.staat

71

Subire le conseguenze di
Essere la vittima di

De duoe zijn van
Hoge parkeerkosten

72

Governare
Regolamentate

Regeren
Regelen