Practicum 10 - C - HOND EN KAT Flashcards Preview

Digestie > Practicum 10 - C - HOND EN KAT > Flashcards

Flashcards in Practicum 10 - C - HOND EN KAT Deck (147):
1

Welk onderscheid dien je te maken bij braken?

Is het braken of regurgiteren. Regurgiteren is passieve, retrograde expulsie van keel-, slokdarm- of maaginhoud. Er is geen reflex zichtbaar, expulsie onder invloed van positie kop en hals, zwaartekracht, intrathoracale druk, drukverhouding tussen thorax en abdomen en druk in abdoemn. Bij braken is er voorafgaand aan retrograde expulsie contractie van de buikspieren. Inleiding vaak met slikken, speekselen en onrust (misselijk). Reflexbepaald. Het braakcentrum wordt geprikkeld.

2

Waar kan regurgiteren tijdens voedselinname op duiden?

Onvermogen van de proximale slokdarmsfincter om te relaxeren (cricofaryngeale achalasie) of op farynxparalyse.

3

Waar duidt regurgiteren van grote hoeveelheden voedsel of slijm op?

Paralyse van de slokdarm en bij pylorusstenose.

4

Wanneer zie je regurgiteren in de vorm van vochtige oprispingen?

Bij disfunctie van de cardia, maar ook bij pylorusstenose.

5

Wanneer is er sprake van diarree?

Karakteristieken van feces zijn veranderd: volume en/of percentage aan water is toegenomen. Ook als de defecatiefrequentie is toegenomen spreek je van diarree. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen dunnedarm- en dikkedarmdiarree.

6

Wanneer is er sprake van dunnedarmdiarree?

Effluent van de dunne darm naar dikke darm is qua volume en samenstelling zodanig veranderd dat, ondanks de reservecapaciteit van het colon om water te absorberen, de uiteindelijke coloninhoud en daarmee de feces te volumineus en/of te waterig zijn. Kan door verhoogde osmotische waarde, verhoogde secretie en/of exsudatie van het darmslijmvlies en/of door afwijkende diarree.

7

Wanneer treedt dikkedarmdiarree op?

Abnomarle motiliteit colon, verminderd absorberend oppervlak van slijmvlies of toegenomen secretie en/of exsudatie in colon.

8

Waarnaar informeer je in de aanvullende anamnese?

- Ontstaan van de klachten. Voedselintolerantie is vooral een probleem van jonge dieren, enteritis wordt gezien bij jonge dieren en dieren op leeftijd en tumoren worden pas gezien op oudere leeftijd.
- Verloop van de klachten. Continu of episoden. Enteritis is vaak episodisch. Bij exocriene pancreasinsufficiëntie is er een continu probleem.
- Nadere karakterisering probleem. Anorexie, slikbroblemen, bloed in feces, braken, regurgiteren.
- Bijkomende verschijnselen. Verminderde eetlust, gewichtsverlies, pica, ziek voorkomen, abdominale pijn

9

Wanneer zie je verminderde eetlust?

Met gewichtsverlies is dit te beschouwen als een ernstig probleem. Gedachten kunnen uitgaan naar maligniteit (maagcarcinoom, maligne lymfoom)

10

Geef de karakteristieken van dunnedarmdiarree.

Lage defecatiefrequentie, zelden tenesmus, hoog volume feces, zelden mucus bij de feces, zelden bloed bij de feces, dikwijls polydipsie, dikwijls polyfagie, dikwijls borborygmi en flatulentie, dikwijls gewichtsverlies.

11

Geef de karakteristieken van dikkedarmdiarree.

Hoge defecatiefrequentie, dikwel persisterende tenesmus, laag volume feces, dikwijls mucus bij de feces, dikwijl bloed bij de feces, zelden polydipsie, zelden polyfagie, zelden borborygmi en flatulentie, zelden gewichtsverlies.

12

Waar duidt gewichtsverlies op?

Niet perse op verminderde inname, ook malabsorptie en maldigestie kan de oorzaak zijn.

13

Waar duidt pica op?

Neiging tot eten van oneetbare dingen. Gevolg van extreme honger zoals bij EPI. Eten van gras of planten kan prodromi (voorboden) van braken zijn (nausea)

14

Waar duidt een ziek voorkomen op?

Lethargie kan ook het gevolg zijn van secundaire dehydratie. Lusteloosheid kan door de ziekte zelf komen. Ook oorzaken die buiten het mdk liggen kunnen braken veroorzaken, zoals nierinsufficiëntie.

15

Waar duiden uitingen van abdominale pijn op?

Pijnlijke processen zoals acute pancreatitis, corpus alienum met (pre)perforatieve peritonitis geven spontane pijnuitingen. Biddende houding van de hond, plotseling opspringen, beven, rusteloos rondlopen.

16

Wat zijn de knipkiezen?

Vierde premolaren in de bovenkaak en eerste molaren in de onderkaak.

17

Welke spieren van de kauwmusculatuur worden onderzocht?

De m. masseter en de m. temporalis. Beide zijn belangrijk voor het sluiten van de bek.

18

Hoe noem je de bovenlip?

Labium maxillare. Deze loopt over in de neusspiegel.

19

Hoe noem je de onderlip?

Labium mandibulare

20

Hoe noem je de mondhoek?

Angulus oris

21

Waar monden de glandula parotis en de glandula zygomatica uit?

In het dorso-caudale deel van het wangslijmvlies, tegenover/boven respectievelijk de vierde premolaar en de eerste molaar van de bovenkaak.

22

Hoe noem je de gemiddelde hondenkop?

Mesocefaal.

23

Hoe noem je kortschedelige honden? En langschedelig?

Brachycefale schedels en dolichocefale schedels.

24

Wanneer spreek je van een ondervoorbijter en wanneer van een bovenvoorbijter?

Bij een bovenvoorbijter is de bovenkaak relatief langer dan de onderkaak en bij een ondervoorbijter is de onderkaak relatief lander dan de bovenkaak.

25

Waar moet je op bedacht zijn bij bovenvoorbijters?

Slijmvliesbeschadigingen (druk ondercanini in palatum durum)

26

Hoe werkt het kwadrant?

1 = rechtsboven
2 = linksboven
3 = linksonder
4 = rechtsonder

27

Welke functie hebben de rugae palatinae?

Hebben een functie bij het transport van voeding.

28

Waar ligt de papilla incisiva? Wat mondt hier uit?

Achter de middelste snijtanden. Aan weerszijden mondt hierin de ductus nasopalatinus uit, die een open verbinding vormt tussen mond- en neusholte.

29

Hoe noem je de ruimten die het frenulum verdeelt?

Recessus sublinguales laterales.

30

Waar monden de glangula mandibularis en sublingualis uit?

In de carunculae sublingualis of hongertepels.

31

Waarvoor wordt de tong gebruikt?

Opnemen en transport voedsel, sorteren en proeven voedsel, toilet maken (kat), warmteregulatie, communicatie en verzorging jongen.

32

Hoe noem je de platte tongrug en de groeve?

Het dorsum linguae. Hierop is een overlangse groeve aanwezig, de sulcus medianus linguae.

33

Welke papillen vind je op de tong?

Filiformes, fungiformes, vallatae, foliatae en cornicae.

34

Melkgebit van de hond.

Bovenkaak: 3-1-3
Onderkaak: 3-1-3

35

Melkgebit van de kat

Bovenkaak: 3-1-3
Onderkaak: 3-1-2

36

Hoe voer je het onderzoek naar de kop uit?

Inspecteer de kop, aandacht voor m. masseter en m. temporalis. Atrofie, zwelling en asymmetrie kunnen op afwijkingen duiden. Kijk naar aansluiting lippen en deformiteiten. Speekselen en het al dan niet gesloten zijn van de bek kunnen belangrijke bevindingen zijn. Palpeer nu de kauwmusculatuur (pijnlijkheid, consistentie, warmte en omvang). Mondslijmvlies werd bij het algemeen onderzoek al verricht, kan nogmaals. Open de bek en inspecteer de binnenkant van de bek.

37

Hoe open je de bek bi jeen hond?

Sta voor de hond, neem met de linkerhand over de snuit met duim en wijsvinger de vobenlip op. Duim en wijsvinger plaats je caudaal van de haaktanden. Met de wijsvinger van de rechterhand druk op snijtanden onderkaak uitoefenen. Doe dit langzaam en rustig. Voor onderzoek van het meest caudale deel van de mondholte moet de rechterhand verplaats worden, zodat met wijs- en middelvinger de tongwortel naar beneden en craniaal kan worden gedrukt. De linkerhand omvat de snuit, waarbij de duim tegen het palatum durum rust. De bek gaat reflexmatig open.

38

Hoe open je de bek van een tegenstribbelende hond?

Probeer eerst met bandjes de boven- en onderkaak door.

39

Hoe open je de bek bij katten?

Druk uitoefenen op snijtanden van de onderkaak. Meestal moeten de voorpoten gefixeerd worden.

40

Waar let je op bij het openen van de bek?

Passieve bewegingsmogelijkheid en/of pijnlijkheid van het kaakgewricht, foetor ex ore (halitosis), slijmvlies beoordelen, gebit, palatum durum, ventrale deel cavum oris proprium en tong onderzoeken.

41

Wat heb je vaak nodig voor een goede inspectie van de bek?

Sedatie of anesthesie

42

Wanneer wisselen honden en katten?

Bij de hond en de kat is het volledig gebit gewisseld op een leeftijd van 5 tot 7 maanden. Enige rasafhankelijke variatie. Blijvende kiezen komen het laatst.

43

Wat onderzoek je aan het gebit?

Controlleer de volledigheid en hoe ver het dier is met wisselen. Bij afwezigheid van elementen röntgenfoto’s maken om ontbrekende elementen te onderscheiden van niet doorgebroken. Let op occlusie van het gebit. Let op aanwezigheid tandplaque (cremor dentium), tandsteen (calculus dentium) en abnormale bestanddelen tussen tanen en/of kiezen zoals haren en voedselresten. Controleer beschadiging van elementen, glazuurdefecten en tand- en/of kiesafwijkingen. Controleer gingiva (roodheid, zwellingen en bloedingen die op gingivitis of paradontitis kunnen duiden).

44

Hoe noem je correcte occlusie van de incisiva?

Schaargebit. Incisale rand van ondersnijtanden raakt de achterzijde van de bovensnijtanden.

45

Hoe horen de canini aan te sluiten?

De canini van de onderkaak behoren te sluiten tussen de derde incisivi en de canini van de bovenkaak.

46

Hoe staan molaren en premolaren in een juist gebit?

Alternerend ten opzichte van elkaar.

47

Waar moet je op letten bij malocclusie?

Slijmvliesbeschadigingen. Een vaninus van de onderkaak met een afwijkende stand kan het palatum durum beschadigen, met als gevolg pijn en moeilijkheden met voedselopname.

48

Hoe noem je melktanden die blijven zitten? Waar kan dit toe leiden?

Retentie van het melkgebit of persisterende melkelementen. Dit kan occlusieproblemen, slijmvliesbeschadegingen, voedselresten en eventueel tandsteen (calculus dentinum) geven.

49

Hoe doe je een volledig onderzoek van het gebit?

Onder volledige anesthesie met behulp van scherpe sonde en pocketsonde.

50

Kun je leeftijd schatten aan de hand van het gebit?

Enigszins. Melkgebit naar blijvend, afslijting lobben op de snijtanden en ontwikkeling van tandplaque en tandsteen. Slijtage van snijtanden kan sterk verschillen door grote variatie in occlusie en gebruik van het gebit.

51

Waarmee kun je een grove schatting van de leeftijd maken bij een volwassen hond?

Houding, gedrag, lichaamsproporties, vacht, ogen (cataract) en gebit. Dit blijft een grove schatting. Voor katten geldt hetzelfde, en is het gebit zelfsf nog minder tijdsgebonden.

52

Waarop beoordeel je het palatum durum?

Het slijmvlies wordt beoordeeld op kleur, vochtigheid, bloedingen, laesies. Kijk of het gehemelte intact is en kijk naar deformiteiten.

53

Waarop beoordeel je de tong?

Kleur, aard van het oppervlak, aanwezigheid van papillen, gelokaliseerde dikten en corpora aliena.

54

Waarom onderzoek je corpora aliena in de tong?

Zij veroorzaken zwelling en stuwing hele tond. Tong kan afsterven. Frenulum kan hierin meespelen bij de kat (draden onder de tong). Corpora aliena kunnen ook laesies veroorzaken.

55

Hoe maak je de recessus sublingualis lateralis en het cavum sublingualis cranialis zichtbaar?

Beweeg de tong met één vinger opzij en omhoog.

56

Waar kijk je naar onder de tong?

Slijmvlies van onderkant tong, frenulum, locatie sublinguale speekselklieren, speekselcysten (ranulae).

57

Hoe bekijk je de farynx?

Bij een gesedeerde hond kan dit slechts ten dele, alleen als de tonwortel met de vingers naar ventraal wordt gedrukt.

58

Wat denk je als de tonsilla palatina verscholen zitten?

Dan wordt aangenomen dat er geen afwijkingen zijn. Bij jonge dieren is dit wat actiever en dus beter zichtbaar. Bij oudere dieren is altijd sprake van vergroting bij zichtbaarheid.

59

Wat beoordeel je aan de tonsilla palatinae?

Zichtbaarheid, kleur, eventuele vaatinjectie, regelmaat van het oppervlak en vorm.

60

Hoe krijg je meer informatie over de farynx?

Bij uitwendige palpatie van het gebied tussen de caudale rand van de kaaktakken en de larynx. Houdt met één hand de snuit iets omhoog, zodat het gebied voor de andere hand makkelijk toegankelijk is. Ook de tongbeentjes kunnen zo worden onderzocht. Let op aanwezigheid deformiteiten en eventuele pijnlijkheid.

61

Waar ligt de orale slokdarmsfincter?

Dorsaal van de larynx.

62

Waar bevindt de slokdarm zich in het halsgebied?

Links van de trachea, terwijl in de thorax de slokdarm meer dorsaal van de trachea ligt.

63

Wat kan er abnormaal zijn aan de slokdarm in termen van grootte?

De slokdarm kan verwijd zijn (dilatatie) door een afwijking in de peristaltiek. Hierdoor vermindert de tonus van de slokdarm. Vloeistof, voedsel en lucht kunnen ophopen.

64

Is de slokdarm palpabel?

Bij gezonde dieren niet.

65

Hoe doe je het onderzoek van de hals?

Let bij inspectie op de positie van de hals. Ga voor de hond staan en beweeg de snuit met één hand omhoog. Zo kunnen soms deformiteite nworden vastgesteld. Besteed extra aandacht ana de borstholte om vast te stellen of er een dilatatie is. Dan zie je bij inspectie synchroon met de uitademing ter plaatse een uitpuiling.

66

Wanneer is inhoud in de slokdarm waarschijnlijk?

Als de borstingang links vol aanvloelt. Bij aanwezigheid van vloeistof of lucht kunnen klotsgeluiden op te wekken zijn.

67

Waar duidt een gestrekte en laag gehouden hals en kop op?

Pijnlijkheid veroorzaakt door een slokdarmafwijking. Ook speekselen ten gevolge van onvoldoende slikken komt voor.

68

Sondeer je een vreemd voorwerp in de slokdarm?

Nee. Er is een te hoog risico op perforatie.

69

Wanneer wordt het gehele abdomen onderzocht?

Voor het lichamelijk onderzoek van lever, pancreas, maag en darmen.

70

In hoeveel compartimenten verdelen we de buik? En hoe doen we dat?

In achttien compartimenten. Epi-, meso- en hypogastrium; dorsaal, mediaal en ventraal; links en rechts.

71

Waar ligt de grens tussen epi- en mesogastrium?

Denkbeeldig transversaal vlak juist caudaal van dertiende rib.

72

Waar ligt de grens tussen meso- en hypogastrium?

Denkbeeldig transversaal vlak juist vraniaal van dijmusculatuur.

73

Hoe voer je de inspectie van het abdomen uit?

Let op omvang en vorm van de buik en breng in verband met andere gegevens van de hond. Aanzienlijke vergroting van de lever of overvulling van de maag kunnen omvangvermeerdering van epi- en mesogastrium veroorzaken. Bij sterke overvulling van het darmkanaal vallen darmlissen op. Bij vrij vocht (ascites) zie je een ventrale uitzetting van de buik (druppelvormig).

74

Hoe voer je de palpatie van het abdomen uit?

Belangrijkste deel buikonderzoek. Het dier staat. Neem plaats aan korte zijde van de tafel. Onderzoek systemisch alle compartimenten. Beoordeel alle organen en voer handelingen bimanueel uit met vingertoppen van min of meer vlakke hand. Zo kan het epi- en mesogastrium worden benaderd. Het hypogastrium kun je bij grote rassen beter van achteren bereiken. Breng handen van achteren af tussen achterpoten door naar de buik. Palpatie begint in het dorsale epigastrium en wordt van dorsaal naar ventraal en/of van ventraal naar dorsaal uitgevoerd. Onderzoek van epigastrium naar hypogastrium.

75

Hoe voer je de oppervlakkige palpatie uit?

Buikwand wordt bij palpatie zo weinig mogelijk ingedrukot om zo eventuele afwijkingen te bepalen. De buikinhoud blijft volledig op zijn plaats liggen. Bepaal spierspanning. Overvulde darmlissen en abnormale dikten worden bij oppervlakkig palperen niet zodanig vervormd of weggedrukt dat ze niet meer waarneembaar zijn. Voorwaarde is dat de abnormale delen min of meer contact maken met de buikwand.

76

Waar duidt een hoge spierspanning van de buik op?

Verzet van het dier of pijn. Een gespannen, pijjnlijke buik kan voorkomen bij acute, heftige ontstekingen in de buik en bij afwijkingen in het wervelkanaal met druk op ruggenmerg en/of uittredende zenuwen.

77

Hoe voer je de diepe palpatie van het abdomen uit?


1. Herhaald bewegen met vingers van beide handen van oppervlakkig tot zo diep mogelijk.

2. Eerst de vingers van beide handen palperend zo veel mogelijk bij elkaar brengen om de vingers vervolgens naar dorsaal of ventraal te verplaatsen, waarbij de buikinhoud gedwongen wordt tussen de vingers van beide door te gaan
Stel vast of er abnormale structuren zijn, of er sprake is van orgaanvergroting, pijnlijkheid, een verdikte darmwand, abnormale darminhoud, crepitatie enzovoort.

78

Hoe palpeer je de lever?

Ligt in het epigastrium binnen de ribbenboog, wat meer naar rechts dan naar links, en is bij een gezonde hond niet te palperen. Bij honden met een brede thorax wel. Bij honden met een diepe thorax ligt hij te ver naar craniaal. Bij katten kan de achterrand worden aangetipt. Bij homogene vergroting is de lever in het ventrale epigastrium te voelen (bij oppervlakkige palpatie). Bij voortschrijdende vergroting ook in het mediale epigastrium, zeker bij diepe palpatie. Stel bij palpatie structuur van oppervlak en pijnlijkheid vast.

79

Hoe palpeer je de milt?

Ligt links in het epigastrium tegen de curvatura major van de maag. Binnen de ribboog, dus kan niet worden gevoeld. Milt en maag zijn vrij losjes verbonden door het ligamentum gastrolienale, zodat de milt zich bij vergroting (verzwaring) verplaatst naar ventraal en caudaal. Splenomegalie is te vinden in het ventrale en mediale mesogasttrium en kan bij oppervlakkige palpatie worden aangetroffen. Bij diepe palpatie kan een min of meer ovale doorsnede worden vastgesteld. In tegenstelling tot de lever kan de milt al palperend naar caudaal verplaatsen. Indien de milt palpabel is, probeert men vast te stellen of de normale configuratie is behouden.

80

Hoe palpeer je de pancreas.

Dit is normaal niet palpabel. Het orgaan ligt in het rechter ventrale/mediale mesogastrium.

81

Hoe palpeer je de maag?

Bij een normale grootte van de lever ligt de maag, indien leeg, geheel binnen de ribboog en is niet palpabel. Na een flinke maaltijd maakt het epigastrium een volle indruk door een slecht omschreven, indrukbare massa: de gebulde maag. In uitzonderlijke situaties kan eventueel een sterk verdikte maagwand of een corpus alienum in het ventrale deel van de maag worden gepalpeerd. Door het dier vóór op te tillen, kan de maag zich enigszins naar caudaal verplaatsen en daarmee misschien bereikbaar worden.

82

Hoe palpeer je het darmkanaal?

Bij ernstige overvulling van het dunnedarmpakket kan dit bij oppervlakkige palpatie worden waargenomen. Bij diepe palpatie wordt de dunne darm beoordeeld, terwijl de buikinhoud tussen de vingers van beide handen passeert. Let op: dikte van de wand, inhoud van het darmkanaal (diameter), lokale verdikkingen en eventuele pijnlijkheid. Bij gezonde dieren zijn het soepele lisjes. Inhoud kan opvallen door een knisperend gevoel. Lokale verdikkingen en/of onregelmatigheden kunnen een indicatie zijn voor corpora aliena, adhesies, granulomen en tumoren. Bij een belemmerde passage heb je te veel inhoud, wijde darmlussen en klotsgeluiden. Pijn kan dan duiden op een peritoneale reactie. Bij de meeste dieren valt in het dorso-mediale meso- en hypogastrium een wat stevige streng op, waarvan de diameter kan variëren. Bij nauwkeurige palpatie is deze streng vna (bijna) het epigastrium tot het hypogastrium te volgen. Deze streng is het colon. De diameter wordt bepaald door het volume. Meestal wordt een duidelijk gevuld colon aangetroffen, behalve als het dier enkele dagen niet gegeten heeft. Bij de kat is dontlasting meer gesegmenteerd dan bij de hond. Extreme vulling komt voor bij obstipatie en megacolon: de feces kunnen dan door indikking keihard worden. De wand van een leeg colon voelt steviger dan de wand van de dunne darm. De diameter van het lege colon is ook groter dan die van de dunne darm. Indien de ontlasting niet hard is, kan door voorzichtig indrukken een deformatie worden veroorzaakt, waarmee we ontlasting onderscheiden van een wekedelenstructuur zoals een lymfeknoop of van een corpus alienum. Vaste ontlasting in het colon wijst er ook op dat de patiënt geen diaree heeft. Een uitgebreide gegeneraliseerde pathologische verandering van het colon kan leiden tot een palpabele verdikking en versteviging van de colonwand. Palpatie van het colon kan voor zo’n dier pijnlijk zijn.

83

Hoe palpeer je de buiklymfeknopen?

Let op de mesenteriale en de colonlymfeknopen. De mesenteriale lymfeknopen, en de rechter en de middelste colonlymfkneopen bevinden zich in het mediale mesogastrium. De linker colonlymfknopen bevinden zich meer op de overgang van meso- naar hypogastrium. Zonder pathologische vergroting zijn de lymfeknopen niet te palperen.

84

Wanneer voer je percussie van het abdomen uit?

Als de buikomvang van het dier is toegenomen. Met de resultaten van percussie kan men iets meer zeggen over de oorzaak van de toegenomen buikomvang.

85

Wat is de gebruikelijke percussietechniek?

Vinger-op-vingerpercussie. Deze wordt uitgevoerd in een drietal verticale lijnen over de wand van het mesogastrium. Bij percussie wordt toonhoogte vastgesteld, evenals de aanwezigheid van eventuele lokale dempingen of een horizontale dempingslijn. De aanwezigheid van een horizontale dempingslijn kan worden bevestigd door de hond opnieuw te percuteren, maar dan in een andere positie, bijvoorbeeld zittend. In het geval van ascites zal na positieverandering opnieuw een horizontale demping worden gevonden. De percussietoon wordt bepaald door de buikinhoud: veel gas in het darmkanaal heeft een tympanische toon tot gevolg, vocht geeft een gedemte toon. Gelokaliseerde ruimte-innemende processen veroorzaken lokale demping.

86

Wat is het doel van auscultatie van het abdomen?

Waarnemen van de geluiden die ontstaan in het maagdarmkanaal (borborygmi). Voorwaarden voor borborygmi is de anawezigheid van gas en vloeistof in combinatie met het optreden van peristaltiek.

87

Wat zegt borborygmi je?

De frequentie van de borborygmi zegt indirect iets over de aard van e peristaltiek. Uiteraard is het al of niet in digestie zijn van groot belang. Bij een totaal leeg darmkanaal kan elk geluid ontbreken. Bij een darmkanaal ‘in digestie’ zijn de opgewekte geluiden onderbroken, weinig frequent, vrij laagtonig en niet erg luid.

88

Hoe voer je ausculatie uit?

Gedurende een aantal minuten met de fonendoscoop op de ventrale buikhuid. Frequente, luide borborygmi met een zeer variabele toonhoogte wijzen op een zeer sterke motoriek.

89

Waar duidt afwezigheid van borborygmi op?

Afwezigheid van borborygmi, terwijl toch inhoud in de darmlissen is te palperen en klotsgeluiden zijn op te wekken, wijst op het ontbreken van peristaltiek. Dit past bij darmobstructie (ileus).

90

Wanneer kunnen klotsgeluiden worden opgewekt?

Als er in een afgesloten ruimte zowel gas als een grote hoeveelheid vocht aanwezig is. Vloeistofophopingen zonder gas, zoals ascites, een overvulde blaas en een vergrote uterus gaan niet gepaard met klotsen; de voorwaarden voor klotsen zijn dan niet aanwezig. Klotsgeluiden zijn op te wekken als er in de maag en/of de darmen veel gas en vocht aanwezig is.

91

Hoe wek je klotsgeluiden op?

Met beide handen op de buikwand wordt de buikinhoud snel op en neer bewogen, terwijl men het oor zo dicht mogelijk bij de buik te luisteren legt, of terwijl men de fonendoscoop tegen de buikwand gedrukt houdt. Indien men klotsgeluiden hoort, stelt men tevens vast van welke plaats in de buik de geluiden komen, en daarmee van welk deel van het maag-darmkanaal. Klotsgeluiden in het epigastrium zijn meestal in de maag ontstaan. Dit gegeven kan een aanwijzing zijn voor een slechte maaglediging. Klotsgeluiden in het hele abdomen wijzen op een ophoping van gas en vloeistof in de dunne darm. Hieraan kan een passagebelemmering, al of niet met een gelokaliseerde oorzaak, ten grondslag liggen. Klotsgeluiden in het medio-dorsale mesogastrium kunnen afkomstig zijn uit het colon, hetgeen wijst op dunne inhoud c.q. diarree. Uiteraard worden deze bevindingen gerelateerd aan gegevens uit de anamnese en aan de rest van het lichamelijk onderzoek.

92

Wanneer doe je een undulatieproef?

Bij dieren met een toegenomen buikomvang die bij percussie een gedemte percussietoon laten horen, om te bepalen of dit komt door ascites of door vergroting van buikorganen of sterke vetophoping.

93

Hoe voer je de undulatieproef uit?

Achter het dier staande met een vlakke hand op één laterale zijde van de buikwand geeft de onderzoeker met de vingers van de andere hand een korte, scherpe tik aan de andere kant tegen de buikwand. De hierdoor opgewekte drukgolf verplaatst zich in de vloeistof en wordt praktisch op hetzelfde moment met de andere hand waargenomen. Bij een niet sterk behaarde hond kan deze golf ook worden gezien, daar de buikwand even in beweging komt.

94

Bij welke dieren kun je een pseudo-undulatie krijgen?

Bij hele dikke dieren. Het vet golft ook. Ook bij aanwezigheid van cyste of veel urine in de blaas, waarbij contact bestaat tussen cyste- of blaaswand en linker en rechter buikwand, kan de undulatieproef ook positief zijn. Nauwkeurige palpatie leert dan dat er geen ascites is.

95

Welke spieren spelen een rol voor structuur en functie van anus en rectum?

De m. coccygesu en de m. levator ani. Het rectum wordt door deze spieren zodanig ingesloten dat van een ondersteunende structuur kan worden gesproken.

96

Waaruit bestaat de anus?

Uit de sphincter ani internus en de sphincter ani externus. Tussen deze twee sfincters in zijn de anale zakjes (sacci paranales) te vinden. De afvoergangen lopen langs de caudale rand van de interne sfincter en monden ventro-lateraal uit in het interne deel van de zona cutanea van het anale kanaal. De anale zakjes vormen een reservoir voor de secretieproducten van de anale zakkliertjes. Het geproduceerde sereuze tot meer pasteuze vocht heeft een grijzige kleur en heeft voor de mens een onaangename geur. De anale zakjes worden geledigd tijdens de defecatie en tijdens plotseling aanspannen van het anale gebied (verzet, angst).

97

Hoe lang is het anale kanaal? Waar bevindt het zich? Hoe is het verdeeld?

Canalis analis. Ongeveer één centimeter. Het kanaal bevindt zich tussen het uiteinde van het rectum en de terminale opening van het darmkanaal: de eigenlijke anus. De mucosa van het anale kanaal wordt verdeeld in drie zones: de zona cutanea, de zona intermedia en de zona columnares.

98

Hoe zit het anale kanaal in elkaar?

Het heeft een extern en een intern gedeelte. Het externe gedeelte behoort niet tot het eigenlijke anale kanaal. De scheidingslijn tussen de twee gedeelten (de anus) is niet scherp, maar varieert met de positie van de staart. Bij een hangende staart is de anus zichtbaar in de vorm van een dwarse sleuf. Het externe deel van de zona cutanea is onbehaard. In het wand liggen de circumanale klieren. De omvan van de zone wordt sterk bepaald door de mate van ontwikkeling van de circumanale klieren. Bij oudere reuen kan de externe zone zeer breed zijn, waardoor het externe, dorsale, toch al langere deel naar ventraal hangt. Het kortere ventrolaterale deel loopt ventraal enigszins V-vormig uit. Het interne gedeelte van de zona cutanea is ongeveer 4 mm breed en heeft een wat vochtig oppervlak. De zona intermedia heeft een breedte van hooguit 1 mm en vormt een onregelmatige, vrij scherpe rand, de linea anocutanea. Deze rand verloopt min of meer gegolfd. De anale klieren (glandulae anales) monden uit in deze zone. Het secretieproduct van deze klieren is wat vettig. De wand van de zona columnaris bestaat uit longitudinaal of dwars verlopende richels met daartussen de anale sinussen (sinus anales). De omvang van deze laatste houdt verband met het verloop van de gegolfde linea anocutanea. De meeste sinus anales eindigen craniaal in een lijn die de craniale begrenzing van het anale kanaal vormt, de linea anorectalis. Het rectum is het caudale deel van het colon dat zich binnen de bekkenholte bevindt, tot de linea anorectalis. Dorsaal van het rectum bevindt zich het ventrale deel van de musculus sacro-coccygealis. Lateraal sluit voornamelijk de musculus levator ani aan op het rectum. Ventraal grenst bij de teef de vagina en bij de reu de urethra aan het rectum.

99

Hoe inspecteer je de anus?

Bij het vaststellen van de lichaamstemperatuur stelde je al enkele dingen vast (tonus, reinheid perineum, reflex). Bij honden met defecatie- of andere problemen doe je een uitgebreidere inspectie waarbij je op het volgende let:

- Is het gebied naast de staart verdikt? Een verlies aan steun door de m. coccygeus en of de m. levator ani kan leiden tot uitpuiling in dit gebied (hernia perinealis). Een dergelijke uitpuiling kan zowel links als rechts, of zelfs beiderzijds en ook ventraal aanwezig zijn.
- Zijn er perianale fistels aanwezig? Fistelopeningen wijzen op een uitgebreide ontsteking om de anus en eventueel om het rectum. De ontstekingsreactie en de pijn kunnen aanleiding geven tot defecatieproblemen. Fistelopeningen kunnen klein en onopvallend zijn.
- Bestaan er virvumanale tumoren? Zo ja, dan worden deze op de gebruikelijke manier beschreven.
- Zijn er proglottiden van lintworm aanwezig in de anus of de haren in de buurt van de anus?
- Zijn er aanwijzingen voor overvulling van de anale zakjes?

100

Hoe palpeer je de anus?

Met één hand, terwijl de andere hand de staart goed omhoog houdt. Let op toestand van de m. coccygeus en de m. levator ani. Het gebied links en rechts naast de anus behoort onder de huid stevig te zijn door de aanwezigheid van deze spieren. Bij het bestaan van een hernia perinealis kan de huid door de vingers vna de palperende hand langs het rectum naar binnen (craniaal) worden gedrukt. Dit indrukken is echter soms onmogelijk door bijvoorbeeld fecesophoping in het rectum. Vervolgens wordt het circumanale gebied gepalpeerd. Hierbij let men op de vulling van de anale zakjes, op verdikkingen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van tumoren en op eventuele pijnlijkheid.

101

Wanneer voer je rectaal onderzoek uit?

Alleen bij bepaalde indicaties: obstipatie (obstructie of strictuur), bloed op ontlasting (tumor, ontsteking), diarree (onderscheid dunnedarm- of dikkedarmdiarree), incontinentia alvi en tenesmus alvi. Bij katten moet dit onder sedatie.

102

Hoe voer je het rectaal onderzoek uit?

Neem een handschoen, voorzie de toucherende vinger van glijmiddel, laat het dier fixeren en ga aan de korte kant van de tafel staan. Houd met één hand de staart omhoog, en breng glijmiddel op de anus aan (geruststellen en waarschuwen). Houdt de toucherende vinger (wijsvinger) met zachte druk tegen de anus, waardoor de vinger als vanzelf de sfincter en anus kan passeren. Geen borende beweging. Neem de tijd en de rust.

103

Wat beoordeel je in de anus bij rectaal toucher?

Gemakkelijk uitrekbaar, diameter past zich zonder probleem aan op de toucherende vinger. Virvumanale afwijkingen kunnen een vernauwing van het anale kanaal tot gevolg hebben, soms zelfs zodanis dat de vinger de anus niet kan passeren. De anamnese zal dan tenesmus alvi en feces met een verkleinde diameter vermelden. Let op pijnlijkheid. Slechts gering verzet is normaal. Circumanale en rectale aandoeningen kunnen aanleiding geven tot pijn. Vooral bij perianale fistels kan dit leiden tot het voortzetten onder anesthesie. Let op de tonus van de anus. Sfincter dient stevig om de vinger te sluiten, verlaagde en verhoogde tonus hebben betekenis. Bij een verlaagde tonus is het belangrijk de anusfreflex en de bulbocavernosusreflex (druk op bulbus van penis resulteert in contractie anussficter) te controleren. Een verhoogde tonus kan wijzen op verhoogde prikkelbaarheid bij de defecatieferlex.

104

Welke structuren van de anus onderzoek je bij rectaal toucher?

Slijmvlies van het anale kanaal, de sfincters, de anale zakjes en het circumanale gebied. Palpeer het gebied tussen duim en toucherende vinger om onregelmatigheden, verdikkingen en pijn vast te stellen. De anale zakjes zijn beiderzijds ventrolateraal in de anussfincter te voelen als goed omschreven verdikkingen.

105

Wat beoordeel je in het rectum bij het rectaal toucher?

Meestal stuit men eerst op feces. Beoordelen op hoeveelheid en consistentie. De aanwezigheid van grote hoeveelheden harde feces kan betekenis hebben (waarom werd de defecatiereflex niet opgewekt, of waarom leidde de defecatiereflex niet tot lediging van colon/rectum)? Onderzoek van de mucosa van het rectum is van groot belang bij dieren met verschijnselen van dikkedarmdiarree. Bij gezonde dieren heeft het slijmvlies een soepel, enigszins geplooid en regelmatig karakter. Een ontsteking maakt het slijmvlies midner soepel en het oppervlak onregelmatig. Bovendien is het toucheren dan pijnlijk. Er wordt vastgesteld of er dikten in de rectumwand aanwezig zijn of van buitenaf op het rectum drukken, en of er zich in het rectum een strictuur bevindt. Tijdens het toucheren kan een contractiering ontstaan, deze ring moet men niet aanzien voor een strictuur. Door zachte druk zal de contractiering uiteindelijk verdwijnen.

106

Wat beoordeel je aan de m. coccygeus en de m. levator ani?

Een breuk van deze spieren leidt tot een hernia perinealis. Indien de spieren in tact zijn, blijkt links en rechts een stevige wand aanwezig. Zijn de spieren verdwenen, dan kan men met de toucherende vinger tot onder de huid komen. Daar in deze situatie de steun voor het rectum is weggevallen, is er dan meestal sprake van dilatatie van het recutm. In deze gevallen wordt het recutm bij defecatie onvoldoende geledigd. Doordat de feces dan lang in het verwijde rectum verblijven, wordt steeds meervocht ana de feces onttrokken, hetgeen leidt tot verharding.

107

Welke lymfeknopen palpeer je bij het rectaal toucher?

De inwenigde darmbeenlymfknopen of lymphonodi hypogastrici. Deze zijn niet palpabel als ze niet vergroot zijn. Bij tumorale ontaarding kunnen ze sterk vergroot zijn. Zij worden dan gevoeld dorsaal in het gebied van de lumbosacrale overgang. De toucherende vinger kan de caudale begrenzing van deze lymfeknopen bereiken. Vergroting kan leiden tot verplaatsin van colon/rectum naar ventraal.

108

Wat onderzoek je aan de bekkenbeenderen bij rectaal toucher?

Afwijkingen van het bekken kunnen leiden tot een vernauwing van het bekkenkanaal, waardoor de passage van de feces ernstig kan worden belemmerd en obstipatie kan optreden.

109

Welke vervolgonderzoek kan er worden gedaan?

- Bloedonderzoek
- Urineonderzoek
- Fecesonderzoek (parasieten)
- Dieetmaatregelen
- Natief röntgenonderzoek
- Echografie
- Eenvoudig röntgencontrastonderzoek
- DNAB en cytologisch onderzoek
- Diagnostische laparotomie, ook voor wandbiopsie mdk
- Endoscopie (slokdarm, maag, duodenum, colon) met biopsie
- Laparoscopie
- Tolerantietesten
- pH-meting in de slokdarm
- Slokdarmdrukmeting
- Maagsapsecretie (stimulatie)
- Leverbiopsie

110

Wat kun je vragen over de voedselopname?

- Soort voedsel
- Anorexie/polyfagie/dysfagie/pica/gestoorde wijze van opname
- ructi

111

Wat kun je vragen over de wateropname?

Hoeveelheid. Normaal 50 ml/kg/dag (afhankelijk van omstandigheden). Polydispie bij 100 ml/kg/dag of meer

112

Welk onderscheid kun je maken in speekselsecretie?

Ware speekselvloed en valse speekselvloed

113

Waar let je op bij braken en regurgiteren?

Kleur, geur en karakter (voedsel, corpora aliena, slijm, bijmenging)

114

Waar moet je naar vragen voor onderscheid dunnedarmdiarree en dikkedarmdiarree?

- Vorm en consistentie
- Kleur
- Hoeveelheid
- Frequentie
- Tenesmus
- Slijm
- Bloedbijmenging
- Flatulentie en borborygmi
- Gewichtsverlies

115

Wat onderzoek je aan de kop? Kort rijtje.

- Kauwmusculatuur
- Speekselklieren
- Mondholte

116

Wat onderzoek je aan de kauwmustculatuur?

Inspectie en palpatie van M. masseter en M. temporalis

Inspectie
- atrofie
- zwelling/hypertrofie
- asymmetrie

Palpatie
- warmte
- pijnlijkheid
- consistentie
- omvang

117

Wat onderzoek je aan de speekselklieren?

Inspectie en palpatie.

118

Wat onderzoek je aan de mondholte zonder openen?

Lippen, tanden, kiezen en steunweefsel, gebit

119

Wat onderzoek je aan het gebit voor openen van de mondholte?

- Volledigheid
- Occlusie
- Tandplaque
- Tandsteen
- Abnormale bestanddelen (haren, voedselresten)
- Beschadigingen
- Gingiva

120

Wat onderzoek je aan de mond na het openen van de mond?

- passieve beweeglijkheid kaken
- Foetor ex ore
- Overig deel elementen
- Palatum durum
- Tong
- Pharynx

121

Wat onderzoek je aan de gingiva?

- roodheid
- zwelling
- bloedingen en laesies

122

Wat onderzoek je aan het palatum durum?

- Kleur
- Vochtigheid
- Bloedingen en laesies
- Intactheid
- Deformiteiten

123

Wat onderzoek je aan de tong?

Ook onderkant
- Beweeglijkheid
- Kleur
- Aard van het oppervlak
- papillen
- Gelokaliseerde dikten
- Corpora aliena
- Frenulum
- Sublinguale speekselklieren (ranulae)

124

Wat onderzoek je aan de farynx bij open mond?

Tongwortel naar ventraal en craniaal duwen

- Isthmus faucium
- Palatum molle
- Tonsillen

125

Wat onderzoek je aan de tonsillen?

Normaal verscholen achter plica semilunares

- grootte
- vorm
- kleur
- vaatinjectie
- deformiteiten

126

Wat onderzoek je aan de farynx uitwendig?

Tongbeenskelet, deformiteiten en pijnlijkheid

127

Hoe onderzoek je de hals en de slokdarm?

Inspectie (linker halsflakte) met positie hals. Bij kop strekken letten op deformiteite nen dilatatie (borstingang)

Palpatie (links, normaal niet palpabel) let op inhoud (klotsen bij vloeistof en lucht), deformiteiten en obstructies (nooit sonderen)

128

Hoe onderzoek je het abdomen?

Inspectie (omvang en vorm)
Palpatie (bij kleine hond of kat 1 hand op de rug en andere hand ventraal op de buik)

129

Waar let je op bij oppervlakkige palpatie (kort)

Deformiteiten (overvulde darmlissen/abnormale dikten die incontact staan met de buikwand)

Spierspanning

130

Waar let je op bij diepe palpatie (kort)

Abnormale structuren
Orgaanvergroting
Pijnlijkheid

131

Waar voel je de lever? Kort

Rechter ventrale epigastrium. Bij brede thorax voelbaar, bij kat rand aan tippen. Let op structuur oppervlak en pijnlijkheid

132

Waar voel je de milt? kort

Bij vergroting in ventrale en mediale mesogastrium voelbaar. Configuratie?

133

Waar voel je de pancreas? kort

Niet

134

Waar voel je de ovaria en uterus? kort

Niet

135

Waar voel je de prostaat? kort

Niet

136

Waar voel je de maag? kort kort

Niet

137

Hoe voelen de darmen? en waar let je op (kort)

Dunne darm als soepele lisjes (niet afwijkend) en weinig inhoud, colon meestal als streng dorsomediaal.

Let op deformiteiten/verdikkingen, te veel inhoud en klotsgeluiden.

138

Waar voel je de buiklymfeknopen? kort

Normaal niet palpabel. In het mediale mesogastrium de lnn mesenterialis en lnn colici. In het mesohypogastrium de lnn colici

139

Wanneer doe je percussie en waar let je op kort

Bij overvuling, vinger op vinger, drie verticale lijnen. Let op ttoonhote en dempingslijnen

140

waar let je op bij auscultatie? Kort

Borbo alleen hoorbaar bij aanwezigheid van gas, vloeistof en peristaltiek. Let op frequentie (weinig) duur (onderbroken) sterkte (niet luid) en toonhoogte (laagtonig)

141

wanneer hoor je klotsgeluiden (kort)

Bij veel gas en vloeistof in maag en darm. Twee handen op de buik op en neer bewegen met oor of fonendoscoop. Plaats kan iets zeggen over locatie probleem

142

Wanneer krijg je pseudoundulatie (kort)

Veel buikvet
Cyste
Veel urine in blaas

143

Hoe onderzoek je anus en omgeving? kort

Inspectie
- Verdikkingenhernia perinealis
- Perianale fistels
- Circumanale tumoren
- Proglottiden van lintwormne
- Overvulde anaalzakken

Palpatie
- Toestand m. coccygeus en m. levator ani (hernia perinealis)
- Verdikkingen
- Vulling anaalzakken
- Pijnlijkheid

144

Wanneer doe je rectaal toucheer kort

Obstipatie
Bloed in ontlasting
Diarree
Incontinentia alvi
tenesmus alvi

145

Welke structuren kom je tegen bij rectaal toucher anus en waar let je op?

Passage
Tonus ani (verhoogd of verlaagd)
Slijmvlies
Sfincters
Anaalzakje
Curcumanaal gebied

Let op pijnlijkheid, verdikkingen en onregelmatigheden

146

Welke structuren kom je tegen bij rectaal toucher rectum? En waar let je op? (kort)

- Feces (hoeveelheid en consistentie)
- Mucosa (verdikkingen)
- M. coccygeus en M. levator ani (hernia perinealis)
- Lnn. hypogastrici (inwendige darmbeenslymfknopen, dorsaal bij lumbosacrale overgang mogelijk voelbaar als vergroot)
- Bekkenbeenderen (fracturen en vernauwingen)
- Prostaat (grootte, oppervlak, consistentie, pijnlijkheid)

147

Wat kun je nog meer tegenkomen bij het rectaal toucher wat niet te maken heeft met lichamelijk onderzoek digestie?

Urethra, lumbosacrale overgang, pulsatie van A. iliaca