Practicum 13 - C - KONIJN Flashcards Preview

Digestie > Practicum 13 - C - KONIJN > Flashcards

Flashcards in Practicum 13 - C - KONIJN Deck (49):
1

Wat doe je eerst bij ieder dier dat in de praktijk wordt aangeboden?

Anamnese, algemene indruk en algemeen onderzoek worden uitgevoerd. Wanneer er vanuit de anamnese of het lichamelijk onderzoek aanwijzingen naar voren komen die duiden op problemen in het maagdarmkanaal is het wenselijk een onderzoek van het digestiestalsel uit te voeren.

2

Hoe verloopt het onderzoek van het digestiestelsel bij gezelschapsdieren in grote lijnen?

1. Aanvullende anamnese
2. Onderzoek van de kop (inclusief bekinspectie)
3. Onderzoek van de hals (slokdarm)
4. Onderzoek van het abdomen
5. Onderzoek van anus en perineum
6. Rectaal toucher
7. Aanvullend onderzoek

3

Wat doe je in de aanvullende anamnese?

In de aanvullende anamnese wordt aandacht besteedt aan symptomen die specifiek optreden bij problemen van het maagdarmkanaal. Bij konijnen manifesteren deze zich met name in de vorm van anorexie, diarree en het stilliggen van het maagdarmkanaal resulterend in kleine of geen keutels.

4

Geef een aantal symptomen die specifiek zijn voor problemen van maagdarmkanaal bij het konijn.

- Anorexie
- Diarree
- Stilliggen van het maagdarmkanaal resulterend in kleine of geen keutels

5

Welke aspecifieke verschijnselen kunnen worden gezien bij konijnen met maagdarmproblemen?

- Speekselen
- Tympanie / uitingen van buikpijnlijkheid
- Acaecotrofie
- Verschijnselen van algemeen ziek zijn zoals lusteloosheid

6

Waar vraag je altijd naar bij het onderkennen van een symptoom?

Er dient gevraagt te worden naar het moment van ontstaan, verloop en eventueel ingestelde behandelingen (inclusief de effecten daarvan).

7

Welke essentiële verschillen tussen konijn en hond/kat moet je je realiseren als het gaat om een konijn met maagdarmproblemen?

- Konijnen (en cavia’s) kunnen NIET braken, o.a. vanwege sterk ontwikkelde cardia van de maag
- Konijnen produceren twee typen ontlasting, normale ontlasting en caecale ontlasting.

8

Wat is caecale ontlasting?

De “caecale” ontlasting die konijnen produceren is kleiner, zachter en donkerder dan de normale keutels, met een slijmlaag er omheen. Deze ontlasting is afkomstig uit de blinde darm en wordt circa 8 uur na de maaltijd geproduceerd door een vermindering van segmentale en haustrale contracties in het caecum, gevolgd door toename van de peristaltische activiteit in het colon. De caecotrofen (nachtkeutels) worden door de konijnen rechtstreeks vanuit de anus opgegeten (corprofagie). Dit verschijnsel wordt ook gezien bij hamsters en cavia’s en is belangrijk in het kader van de opname van essentiële vitamines en aminozuren.

9

Hoe ziet normale ontlasting van het konijn eruit?

Normale keutels: lichtgekleurde, harde, ronde keutels met een hoog ruw-vezelgehalte

10

Noem 4 abnormale ontlastingen van het konijn.

1. Kleine, harde, donkere keuteltjes, indicatie voor verminderde voeropname (m.n. hooi)
2. Keutels die bij elkaar gehouden worden als een ketting kunnen erop duiden dat het konijn veel haar binnenkrijgt.
3. Vochtige, zachte keutels duiden op een te hoge opname aan suikers en/of eiwitten (teveel krachtvoer en/of van onvoldoende kwaliteit) of aanwezigheid van een parasitaire infectie (bijvoorbeeld coccidiën, aarsmaden).
4. Bij acaecotrofie worden vaak clusters van caecotrofen in de kooi of vastgekleefd aan de anus aangetroffen.

11

Wanneer is er sprake van diarree bij het konijn?

Bij het konijn is sprake van diarree wanneer sprake is van een toename in het volume en/of de consistentie van de ontlasting. Het is belangrijk onderscheid te maken tussen daadwerkelijke diarree en acaecotrofie (niet consumeren van de caecotrofen) en vast te stellen uit welk deel van het maagdarmkanaal de dunne ontlasting afkomstig is (caecum of rest van het maagdarmkanaal). Hiervoor kan o.a. gevraagd worden of naast de dunne ontlasting ook nog “normale” ontlasting geproduceerd wordt.

12

Wat is anorexie?

Anorexie is één van de meest voorkomende verschijnselen waarmee een konijn in de praktijk aangeboden wordt. De belangrijkste vraag die in dergelijke gevallen aan de eigenaar gesteld dient te worden is: wil het konijn nog eten, of toont het helemaal geen intresse meer in eten. Op deze wijze is onderscheid te maken of:

- Het probleem gelokaliseerd is in de mondholte (gebitsprobleem) en / of maag (maagulceratie). Dan heeft het dier wel intresse in eten.
- Het konijn algemeen ziek is (bijvoorbeeld lever- of nierfalen). Geen intresse in eten.

13

Hoe voer je het lichamelijk onderzoek van het digestiestelsel bij konijnen uit?

Net als bij de hond en de kat wordt het onderzoek van het digestiestelsel van konijnen van voren naar achteren uitgevoerd, waarbij achtereenvolgens aandacht besteed wordt aan de volgende onderdelen:

- Schedel en mondholte
- Keelholte (farynx)
- Slokdarm
- Abdomen
- Rectum

Om het lichamelijk onderzoek van een konijn uit te voeren dient deze procedure volgorde gehanteerd te worden.

14

Waarom is het skelet van een konijn zo fragiel en wat gebeurt hierdoor vaak?

Het totale gewicht van het skelet bedraagt 8% van het lichaamsgewicht (bij een kat is dit ongeveer 13%). Indien ondeskundig met konijnen wordt gemanipuleerd kunnen gemakkelijk fracturen of luxaties optreden van de lumbale wervels (meestal L7) met als gevolg paralyse posterior.

15

Welke fixatie wordt niet meer geadviseerd?

Fixatie van het konijn waarbij de hand onder de achterpoten wordt gebracht wordt tegenwoordig niet meer geadviseerd. De hand dient achter de achterpoten geplaatst te worden, zodat het konijn niet meer in staat is om naar achteren te trappen. Met de andere hand kan het nekvel van het dier worden vastgepakt, waarna het met de kop tussen de arm en het lichaam gehouden wordt.

16

Waarom is het voor het konijn plezieriger om niet bij het nekvel beetgepakt te worden?

Omdat konijnen in het wild alleen door roofdieren in de nek opgepakt worden. Daarom is het plezieriger om de hand te gebruiken om de benige structuren van de thorax en voorpoten te ondersteunen.

17

Geef vijf manieren waarop je een konijn kunt vastpakken.

1. Bij het uit het verblijf halen wordt één hand onder de benige structuren van de thorax en voorpoten geplaatst, waarna de andere hand achter de achterpoten geplaatst wordt, en het konijn opgetild kan worden.

2. Als het konijn op tafel staat wordt het konijn met de kop richting het lichaam geplaatst. Indien het konijn onder de linkerarm geplaatst wordt, wordt de rechterhand onder de thorax en voorpoten gebracht. De linkerhand wordt daarna achter de acherpoten geplaatst waarna het konijn opgetild kan worden en tussen de linkerarm en het lichaam gehouden kan worden. De kop wordt ongeveer ter hoogte van de elleboog gehouden.

3. Het konijn kan ook vastgehouden worden, zonder dat het tegen het lichaam aan gehouden wordt. Als de benige structuren voldoende ondersteund worden, voeld het konijn zich op zijn gemak en zal niet tegenstribbelen.

4. Het konijn kan met de rug tegen de buik van de persoon die het konijn vasthoudt aan gehouden worden. Hierbij wordt het konijn op de tafel geplaatst, met de achterkant tegen de buik van de onderzoeker aan. Eén hand wordt vervolgens onder de thorax en voorpoten geplaatst. Door voorover te buigen wordt de rug van het konijn tegen het lichaam van de onderzoeker gepositioneerd, waarna het konijn opgetild kan worden. De andere hand houdt hierbij de achterpoten vast, die tegen het lichaam van het konijn geduwd worden.

5. Indien het konijn (toch) in het nekvel opgepakt wordt, wordt het konijn met de flank richting het lichaam geplaatst. Indien het konijn onder de linkerarm geplaatst wordt, wordt het konijn in de nekvel gepakt met de rechterhand. De linkerhand wordt vervolgens achter de achterpoten geplaatst, waarna het konijn opgetild kan worden en tussen de linkerarm en het lichaam gehouden kan worden. De kop wordt net als in de eerdere methode ongeveer ter hoogte van de elleboog gehouden.

18

Hoe pak je een konijn in ieder geval niet op?

Het konijn dient in géén geval aan de oren, poten of het nekvel (zonder ondersteuning van de achterpoten) opgetild te worden.

19

Hoe kun je konijnen onder hypnose brengen?

Konijnen kunnen in een soort hypnose worden gebracht door ze uitgestrekt op hun rug neer te leggen. Vervolgens wordt de ventrale zijde van de thorax en buik in caudale richting zachtjes geaaid en de kop licht achterover gebogen. Als alternatief kan het konijn ook in hypnose worden gebracht door het zachtjes over de kop te aaien.

20

Is het goed om konijnen onder hypnose te brengen?

Uit onderzoek blijkt dat het onder hypnose brengen van konijnen gepaard kan gaan met een significante stijging van de bloeddruk en corticosteron (een stresshormoon) waarden, wat erop duidt dat deze handeling als stressvol ervaren kan worden door het dier. Om deze reden wordt het onder hypnose brengen van een konijn niet geadviseerd.

21

Wat moet je doen als het konijn op tafel staat?

Wanneer het konijn op tafel staat dient te aller tijden contact met het konijn gehouden te worden door de onderzoeker of een assistent om te voorkomen dat deze van de tafel afvalt of plotseling er vanaf springt en zich daarbij bezeert. Hiervoor kan een hand op de rug van het konijn geplaatst worden, of kan het konijn met beide handen losjes om het lichaam gefixeerd worden.

22

Waar let je op bij inspectie en palpatie van de schedel?

- Aanwezigheid van zwellingen of andere deformiteiten aan de kop (abcessen)
- Sluiting van de lippen
- Aanwezigheid van speekselvloed
- Kaakbelijning van onder- en bovenkaak (pijnlijkheid, deformiteiten, symmetrie)

23

Hoe voer je de inspectie en palpatie van de schedel uit?

Palpatie dient zowel links als rechts te worden uitgevoerd. Het is mogelijk dit gelijktijdig te doen, waarbij het konijn tussen beide armen ingeklemd wordt.

24

Welke specifieke afwijking aan het gebit is in een vroeg stadium te palperen?

Bij konijnen kunnen de kieswortels door hun tandkas zakken wat aan de schedel te palperen is. Daarnaast komen geregeld abcessen van de kieswortels voor. In een vroeg stadium zijn deze ook al te palperen.

25

Waarom is het onderzoek van de mondholte van een konijn beperkt mogelijk in niet gesedeerde dieren?

Onderzoek van de monholte bij konijnen is maar zeer beperkt mogelijk in niet gesedeerde konijnen vanwege de wang/lipplooi die zich tussen de snijtanden en de mondholte bevindt en daardoor de mondholte afsluit. Daardoor zijn alleen de snijtanden (Incisiva) in beeld te brengen bij het wakkere konijn.

26

Hoe breng je de Incisiva in beeld?

Door voorzichtig de lip op te tillen. Daarbij dient voorkomen te worden dat de neus dichtgedrukt wordt (konijnen ademen uitsluitend door hun neus). Ook wanneer hier op gelet wordt vinden de konijnen deze handeling vaak niet prettig, wanwege de gevoeligheid van de snorharen. Een paar keer aaien over de neus en de snorharen voordat de lip opgetild wordt zorgt er veelal voor dat dehandeling gemakkelijker uitgevoerd kan worden.

27

Waaronder vallen de konijnen en hoe noemen we deze dieren ook wel?

Onder de haasachtigen, ookwel de Lagomorphen.

28

Wat hebben laghomorphen in hun gebit?

Konijnen en andere Lagomorphen hebben in de bovenkaak een extra paar stifttanden die direct achter de snijtanden geplaatst zijn. Als de kaak gesloten is staan de ondersnijtanden precies achter de bovensnijtenden en voor de stifttanden. Konijnen hebben geen hoektanden (Canini) waarood een diastema (ruimte tussen de snijtanden en kiezen) ontstaat. Door plaatsing van een spuitje in deze ruimte kan een konijn gemakkelijk gedwangvoederd worden.

29

Waar let je op bij het boordelen van de snijtanden?

- Lengte, stand, vorm van de snijtanden
- Snijvlak
- Aansluiting boven- en ondersnijtanden (overbeet, onderbeet)
- Overige afwijkingen (fracturen, verkleuringen)

30

Welke tanden van konijnen groeien door?

Konijnen hebben continu doorgroeiende snijtanden en kiezen (hypsodont), welke doorgroeien met een snelheid van ongeveer 2 mm per week. Als de boven- en ondergelegen gebitselementen niet op elkaar aansluiten, slijten ze onvoldoende af, wat onder andere kan leiden tot olifantstanden. Een scheef snijvlak van de snijtanden suggereert een eenzijdig probleem in de kaak zoals haken op de kiezen.

31

Wat is de rol van de snijtanden? Zijn ze nodig?

De snijtanden snijden het voer waarna de tong het naar achter beweegt en de kiezen het voer vermalen, waarbij de onderkaak zowel voor-achterwaartse als zijwaartse bewegingen kan maken. Voor het oppakken van het voer hebben konijnen hun snijtanden niet nodig. Indien de snijtanden niet op elkaar aansluiten (en doorgroeien) is het dus mogelijk om deze te trekken.

32

Wat moet je doen als je verdere inspectie van de mondholte wilt uitvoeren?

Wanneer verdere inspectie van de mondholte (en met name het gebit) noodzakelijk is (indien bijvoorbeeld uit de anamnese naar voren komt dat het konijn anorexie vertoont, maar wel eetlust heeft) wordt geadviseerd dit altijd onder sedatie (anesthesie) uit te voeren.

33

Hoe kun je een konijn zonder sedatie toch in de bek kijken? Wat zijn nadelen?

Een bekinspectie met een otoscoop bij het wakkere dier is in principe wel mogelijk, maar omvat een reëel risico op missen van afwijkingen vanwege de beperkte ruimte en de grote tong. Bovendien kan deze handeling door het konijn als zeer stressvol ervaren worden en dient het dier alsnog onder anesthesie gebracht te worden voor het corrigeren van eventuele vastgestelde afwijkingen.

34

Welke middelen kun je gebruiken om een goed beeld in de bek te krijgen bij een gesedeerd konijn?

Nadat het konijn onder sedatie is gebracht kunnen een bekspreider en een wangspreider worden gebruikt om een goed beeld te krijgen. Met een hoofdlamp kan de mondholte verlicht worden waardoro afwijkingen beter zichtbaar zijn.

35

Beschrijf de volledige gebitsinspectie.

Tijdens de inspectie worden alle gebitselementen van het konijn beken. Afwijkingen kunnen worden genoteerd op een aparte kaart.

- Snijtanden. In de bovenkaak bij konijnen staan achter de reguliere snijtanden 2 kleine tandjes (stifttanden). In de onderkaak staan er 2 snijtanden. Dit is één van de eigenschappen waarom konijnen niet tot de knaagdieren, maar haasachtigen, gerekend worden.
- Kiezen. In de bovenkaak staan per kaakhelft 3 premolaren en 3 molaren. In de onderkaak betreft het 2 premolaren en 3 molaren.
- Naast beoordeling van het gebit dient ook het slijmvlies (kleur, vochtigheid, laesies, bloedingen) beoordeeld te worden, alsmede eventuele overige afwijkingen.

36

Waaruit bestaat het onderzoek van de hals?

Het onderzoek van de hals bestaat uit inspectie en palpatie van de hals op eventuele deformiteiten. Bij konijnen is evaluatie van de hals veelal beperkt door het relatief gedrongen postuur met korte nek en de aanwezigheid van een wam (bij voedsters). Daarnaast vinden konijnen het niet prettig als hun kop omhoog gehouden wordt om de nek te kunnen inspecteren (zoals bij hond/kat plaatsvindt).

37

Kun je de slokdarm voelen?

Normaliter behoort de slokdarm niet zichrbaar en/of voelbaar te zijn.

38

Waar let je op bij de inspectie van het abdomen?

Tijdens inspectie van het abdomen wordt – net als bij de hond en kat – gelet op de omvang en vorm. Deze gegevens worden gecombineerd met de anamnese en overige gegevens, om eventuele aanwijzingen te verkrijgen over de achterliggende oorzaak van afwijkingen (dracht, gasophoping in het maagdarmkanaal, vermagering en slechte vulling van het maagdarmkanaal als het gevolg van niet eten leidend tot een ingevallen buik, ascites).

39

Hoe voer je de buikpalpatie uit en waar let je op?

Bij het uitvoeren van de buikpalpatie van het konijn gaat de onderzoeker achter het konijn staan. De palpatie wordt meestal bimanueel uitgevoerd met een vlakke hand. Er wordt begonnen met een oppervlakkige palpatie. Hierbij wordt gelet op:

- Spierspanning (défense musculaire)
- Eventuele voelbare afwijkingen

Aansluitend wordt een diepe palpatie uitgevoerd waarbij met beide handen herhaaldelijk van oppervlakkig naar diep gepalpeerd wordt. Hierbij wordt gelet op:

- Orgaanvergroting, verdikte darmwand, afwijkende darminhoud
- Pijnlijkheid
- Abnormale structuren.

40

Wanneer kan het handig zijn om met 1 hand te palperen?

Zeker voor het palperen van het ventrale hypogastrium kan het handig zijn om met 1 hand te palperen.

41

In welke compartimenten wordt het abdomen verdeeld?

Vergelijkbaar met hond/kat kan het abdomen bij het konijn in 18 compartimenten worden verdeeld:

- Epi-. Meso- en hypogastrium
- Dorsaal, mediaal of ventraal
- Links of rechts

Bij het konijn wordt de rechterhelft van het abdomen geheel door de dikke darm in beslag genomen, evenals het ventrale derde gedeelte van de linkerhelft van het abdomen. De dunne darm bevindt zich in het dorsale dee lvan de linker buikhelft.

42

Hoe voelen de buikorganen?

Bij gezonde dieren voelt de dikke darm als een weke, deegachtige massa. Het colon descendens is herkenbaar aan de keutels, die als een ketting in dit deel van de dikke darm palpabel zijn. Bij obstipatie kan men grote hoeveelheden feces palperen in de dikke darm. De maag en de lever zijn onder normale omstandigheden niet palpapel. Nier en blaas (indien gevuld) zijn onder normale omstandigheden wel palpabel.

43

Wat kun je doen met auscultatie?

Konijnen hebben geregeld motiliteitsproblemen van hun maagdarmkanaal. Auscultatie is bij uitstek geschikt om peristaltiek waar te nemen. Gedurende enkele minuten wordt aan beide zijden van het abdomen geausculteerd. Normaliter dienen tenminste twee darmbewegingen per minuut hoorbaar te zijn.

44

Ander woord voor darmgeluiden?

Borborygmi

45

Wanneer klotst de buiik van een konijn?

Klotsen kan opgewekt worden als er een afgesloten holte is waar gas boven een grote hoeveelheid vloeistof aanwezig is. Bij konijnen kan hierbij vooral gedacht worden aan de maag of het caecum. Bij voorkeur wordt tijdens het klotsen simultaan geausculteerd om vast te stellen of karakteristieke geluiden worden geproduceerd.

46

Wanneer doe je een undulatieproef bij een konijn?

Bij een toename van de buikomvang kan gecontroleerd worden of er vocht (ascites) aanwezig is. Hiervoor wordt de undulatieproef uitgevoerd. De onderzoeker staat achter het konijn en plaatst een vlakke hand tegen één zijde van het abdomen terwijl met de vingers van de andere hand korte tikjes tegen de andere zijde van het abdomen worden gegeven. De opgewekte drukgolf kan met de vlakke hand worden waargenomen.

47

Wanneer zie je pseudo-undulatie?

Pseudo-undulatie kan waargenomen worden bij aanwezigheid van een overmaat aan buikvet (wat bij konijnen niet ongebruikelijk is).

48

Waar kijk je naar bij inspectie van de anus en omgeving?

Bij inspectie van de anus en omgeving wordt gekeken naar de fossa inguinalis welke aan beide zijden van de anus te zien zijn. Deze klieren worden gebruikt voor het markeren van een territorium en zijn gevuld met een sterk ruikend secretum. De anus behoort schoon te zijn, waarbij met een thermometer de tonus en anusreflex gecontroleerd kan worden. Het inbrengen van een thermometer mag niet pijnlijk zijn, waarbij de thermometer (bevochtigd met glijmiddel) soepel moet kunnenworden ingebracht. Indien dit niet het geval is kan het mogelijk zijn dat er een obstructie aanwezig is. Verdere diagnostiek is dan nodig, aangezien rectaal toucher met de hand/vinger bij het konijn niet mogelijk is.

49

Welke mogelijkheden voor aanvullende diagnostiek ken je voor het digestiestelsel van het konijn?

1. Beeldvormende technieken
- Natieve röntgenfoto en/of contrastonderzoek
- Echografie

2. Bloedonderzoek

3. Fecesonderzoek
- Parasitologisch onderzoek (inclusief flotatie)
- Kweek
- Verteringsonderzoek

4. Urineonderzoek

5. Endoscopisch onderzoek

6. Exploratieve laparotomie met verzamelen van biopten

7. Cytologisch onderzoek en/of histopathologisch onderzoek van DNAB/biopten

8. Dieetmaatregelen