Practicum 14 - C - RUND Flashcards Preview

Digestie > Practicum 14 - C - RUND > Flashcards

Flashcards in Practicum 14 - C - RUND Deck (176):
1

Geef in grote lijnen aan wat er word onderzocht na het opnemen van een aanvullende anamnese?

- Mond
- Farynx
- Oesophagus
- Voormagen
- Lebmaag
- Buikholte (onder andere met onderzoek van lever)
- Rectaal onderzoek
- Aanvullend onderzoek

2

Wat vraag je sowieso in de aanvullende anamnese voor het digestieapparaat?

Je vraagt naar de voedselopname en het drinken.

3

Waarmee moet je rekening houden bij het berekenen van de benodigde hoeveelheid voer?

Allereerst moet er inzicht zijn in de kwaliteit van het voer. Dan kan je aan de hand van tabellen de benodigde hoeveelheid voer berekenen. Hierbij moet je rekening houden met het lichaamsgewicht van het dier en de hoeveelheid melk die het produceert.

4

Geef aan wat een grote invloed heeft op de hoeveelheid opgenomen water.

De samenstelling van het rantsoen en het drogestofgehalte van het voer zijn van grote invloed op de hoeveelheid opgenomen water. Een volwassen rund drinkt 50 tot 80 liter water per dag bij stalvoedering met droogvoer. Bestaat het rantsoen uit groentevoer, dan is 20 tot 40 liter normaal. Bij melkgevende dieren moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid melk die geproduceerd wordt. Wanneer automatische drinkbakken worden gebruikt, is de wateropname moeilijk te schatten.

5

Wanneer spreken we van regurgiteren?

Als pensinhoud passief terugkomt in de mondholte of zelfs uit de mond loopt, is dit volgens de definitie regurgiteren. Ook het terugkomen van voedsel dat niet verder is geweest dan de oesofagus (bijvoorbeeld ten gevolge van oesofagusobstructie of -divertikel) wordt regurgiteren genoemd.

6

Wat zie je bij een koe die regurgiteert en zie je het vaak?

Het terugkomende voedsel kan bij herkauwers zowel via de mond als via de neus naar buiten komen. Anders dan bij schapen, geiten en jong rundvee wordt regurgiteren bij volwassen runderen slechts zelden waargenomen. Door de eigenaar wordt regurgiteren meestal braken genoemd.

7

Wat is braken voor runderen?

Het equivalent in pathofysiologisch opzicht van braken bij herkauwers is reflux van lebmaaginhoud, waarbij lebmaaginhoud terugstroomt naar de pens-netmaag. Dit fenomeen is niet uitwendig waar te nemen.

8

Welke aspecten van herkauwen kunnen je informatie geven over digestie?

De wijze waarop een dier herkauwt, de frequentie van het herkauwen en het aantal slagen per herkauwerbrok geven informatie over het functioneren van het voormagensysteem.

9

Hoe wordt het herkauwmechanisme aangezet?

Het herkauwmechanisme wordt aangezet door prikkeling van de wand van de pens en van de netmaag. Van belang hierbij zijn de pH van de pensinhoud, het gehalte aan vluchtige vetzuren, de mate van pensvulling en de vezellengte van de pensinhoud. Het herkauwcentrum ligt in de medulla oblongata, dicht bij de centra waar de motiliteit van de pens-netmaag, het ructusmechanisme en de speekselsecretie worden gereguleerd. Doordat deze centra zo dicht bij elkaar liggen en hoogstwaarschijnlijk in zeer nauw contact met elkaar staan, is de herkauwactiviteit een goede maat voor de voormaagfunctie.

10

Hoe komt de herkauwbrok in de mond?

Het omhoogbrengen van een herkauwbrok begint met een diepe inspiratie met gesloten stemspleet, waarbij een trechtervormige opening aan de cardia ontstaat waarin een negatieve druk optreedt. Hierdoor wordt pensinhoud in de trechter opgenomen, wat veelal ondersteund woordt door een netmaagcontractie. Een antiperistaltische beweging zorgt hierna voor het transport naar de mond. Daar aangekomen wordt het vloeibare deel weggeslikt, de achterblijvende spijsbrok wordt gekauwd.

11

Hoeveel slagen zie je per herkauwbrok?

Aan het begin van een herkauwperiode bedraagt het aantal slagen per brok 20 tot 30. Na enige tijd stijgt het aantal slagen naar 40 tot 70 per brok en blijft dan vrij constant. Het aantal slagen is afhankelijk van het soort voedsel dat is opgenomen. Bij grasvoeding is het aantal slagen lager (40 tot 50) dan wanneer het rantsoen voornamelijk uit hooi bestaat (60 tot 70).

12

Hoelang duurt een herkauwperiode? Hoe vaak en wanneer is er een herkauwperiode?

Een herkauwperiode duurt 25 tot 35 minuten, terwijl de eerste periode een half tot anderhalf uur na de voedselopname ligt. Bij een normaal ruwvoederrantsoen in de stalperiode wordt ongeveer vier tot zeven uur per etmaal herkauwd. De dieren liggen meestal bij het herkauwen en de richting van de herkauwslagen is afwisselend links en rechts. Enkele seconde nadat een gekauwde spijsbrok is weggeslikt ziet men langs de linkerhalsvlakte een nieuwe naar boven komen.

13

Hoe kun je aan het herkauwen zien dat een dier ziek is? En wat is dan de oorzaak?

Traag herkauwen, gekenmerkt door een te gering aantal herkauwslagen die niet krachtig zijn, is een teken van onbehagen of ziekte. De oorzaken kunnen sterk uiteenlopen: bijvoorbeeld een peritonitis, een lebmaagdislocatie, koorts, uitputting. Soms doet het dier wel pogingen tot herkauwen maar lukt het niet een herkauwbrok omhoog te brengen. In dat geval zetelt de oorzaak meestal bij de cardia, bijvoorbeeld doordat daar papillen (wratachtige woekeringen) zitten die als een klep werken en de opname van voedsel in de oesofagus verhinderen.

14

Waar let je in grote lijnen op bij het onderzoeken van de mond?

- Sluiting van de lippen en mond
- Speekselsecretie
- Verschillende onderdelen mondholte onderzoeken

15

Hoe onderzoek je de sluiting van de lippen en mond? Wat zou problemen kunnen veroorzaken?

Evenals het paard dienen het rund en de kleine herkauwers lippen en mond gesloten te houden. Pathologische afwijkingen, zoals verlamming van de n. facialis, problemen met het gebit of het kaakgewricht, corpora aliena en dergelijke kunnen het niet gesloten zijn van de lippen (en eventueel de mond) veroorzaken.

16

Hoeveel speeksel wordt er normaal geproduceerd?

De hoeveelheid speeksel die onder normale omstandigheden gevormd wordt, is vooral afhankelijk van het soort voedsel. De speekselsecretie is bij het rund groter dan bij het paard. Een rund produceert per dag 90 tot 190 liter speeksel. Speekselvloed (ptyalismus, een overmatige productie van speeksel) treedt dan ook bij het rund veel duidelijker op dan bij het paard, en ook onder normale omstandigheden loopt bij het rund wel enig speeksel uti de mond, zeker als het dier herkauwt.

17

Geef een ander woord voor speekselvloed.

Ptyalismus (een overmatige productie van speeksel).

18

Wat is valse speekselvloed?

De normale hoeveelheid speeksel wordt geproduceerd, maar onvoldoende weggeslikt. Dit kan optreden bij tongaandoeningen, farynxverlammingen, oesofagusaandoeningen of bijvoorbeeld bij ernstige dyspneu als het dier geen tijd heeft om het speeksel weg te slikken.

19

Wat is echte speekselvloed?

Er wordt een overmatige hoeveelheid speeksel geproduceerd. Echte speekselvloed kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van een stomatitis of van bepaalde geneesmiddelen die de speekselproductie verhogen. Dit is echter vaak moeilijk te constateren zolang het dier het speeksel vlot doorslikt.

20

Hoe verloopt het onderzoek van de mondholte bij het rund?

Grotendeels analoog aan dat van het paard, maar met een aantal duidelijke verschillen. De verschillen zitten in de geur, de tanden en kiezen, het mondslijmvlies en de frequentie van het voorkomen van corpora aliena.

21

Hoe kan de mond van een rund ruiken en waarom?

Bij het rund kan een foetor ex ore verschillende oorzaken hebben:
1. Een ammoniakgeur wordt waargenomen wanneer dieren een uremie hebben. Dit ureum wordt met het speeksel in de mondholte uitgescheiden en daar bacterieel omgezet in ammoniak.
2. Bij ernstige ontstekingen in de mondholte waarbij weefselverval optreedt, kan een necroselucht worden waargenomen. Vooral als er botaantasting is, bij voorbeeld bij een kieswortelontsteking, kan een vieze stank worden geroken. De afwijkende geur kan bij herkauwers ook uit longen of larynx afkomstig zijn. Dit laatste is bijvoorbeeld het geval bij een ernstige larynxdifterie (bacteriële necrotiserende ontsteking van de larynx).
3. Een acetongeur kan worden waargenomen bij acetonemie. Bij deze stofwisselingsstoornis worden grote hoeveelheden acetonlichamen gevormd die onder andere via de longen worden uitgescheiden. Acetonlucht is daarom vaak beter uit de neus dan uit de mond waarneembaar. Sommige mensen hebben hiervoor een goede neus en ruiken aceton al op enige afstand van het dier.
4. Verschillende medicamenten kunnen een foetor ex ore veroorzaken, bijvoorbeeld de terpetijnlucht van Haarlemmerolie.

22

Wat is er anders aan de tanden van een rund dan van een paard?

De kiezen van herkauwers zijn veel puntiger dan die van een paard, terwijl in de bovenkaak geen tanden aanwezig zijn. Door afwijkingen aan het gebit kan een dier abdnormaal eten en kan het herkauwen gestoord zijn.

23

Hoe ziet het mondslijmvlies van het rund eruit?

Het wangslijmvlies van het rund is bezet met papillen. In het slijmvlies kunnen laesies en ontstekingen voorkomen. In dit laatste geval zal het slijmvlies ook te rood zijn.

24

Hoe ziet de tond eruit en hoe voelt hij? Hoe beweeglijk is hij?

Een rundertong moet, omdat er veel papillen op behoren te zitten, ruw aanvoelen. Runderen met een gladde tong krijgen problemen met de voedselopname en speekselen vaak. Ook moet de tong beweeglijk genoeg zijn. Een te stugge en verdikte tong (houttong) kan een gevolg zijn van een chronische ontsteking.

25

Waarom zie je bij runderen vaak corpora aliena?

Door de gulzige wijze waarop een koe meestal eet, komen er nogal eens corpora aliena in de tong (fossa lingualis) of elders in de mondholte terecht.

26

Wat is er anders aan het onderzoek van de farynx bij runderen?

Doordat het palatum molle bij de herkauwers veel korter is dan bij het paard, wordt de farynx van het rund bij het klinisch onderzoek als één geheel beschouwd: een onderverdeling in oro- en nasofarynx wordt niet gemaakt.

27

Wat kun je uitwendig met de farynx?

De farynx is uitwendig nog te inspecteren noch direct te palperen, al is bij een faryngitis soms een pijnreactie waarneembaar als men achter de kaaktakken palpeert.

28

Hoe kun je de farynx wel onderzoeken?

Het inwendig onderzoek ka nveel informatie opleveren. Zowel de orale inspectie als de orale exploratie is bij het rund goed uitvoerbaar mints het dier door assistenten voldoende wordt gefixeerd.

29

Hoe voer je een inspectie van de farynx uit?

De mond moet opengehouden worden door een mondsperder of door de tong uit de mond te trekken en daarna tussen de kiezen te brengen zodat het dier de mond niet kan sluiten. De fixatie van de tong tussen de kiezen moet door de onderzoeker zelf gebeuren. Als de mond ver genoeg is geopend, kan met behulp van een lichtbron in de keelholte worden gekeken. Veelal zal de tong echter een goed zicht belemmeren en het is dan ook beter om gebruik te maken van een roestvrijstalen buisspeculum; een mondsperder is dan overbodig. Bij orale exploratie moet de hand langs het gehemelte worden ingebracht om de scsherpe kiezen te ontwijken.

30

Waar let je op bij inspectie van de farynx?

Je let op ontstekingen, deformiteiten en de aanwezigheid van corpora aliena.

31

Wat kun je doen bij exploratie van de farynx?

In de farynx kan de wand worden afgetast, waarbij wordt nagegaan of er na prikkeling van de farynxwand een slikreflex optreedt. Door de hand te draaien kunnen de choanae en het einde van de neusgangen worden afgetast. Soms zijn in de dorsale wand dikten te voelen die de vergrote retrofaryngeale lymfeknopen zouden kunnen zijn. Ook kan een vinger tot in de oesofagus worden gebracht. Bij de palpatie moet ook de tongbasis worden onderzocht op verhardingen en verdikkingen. Ook is het mogelijk een deel van de larynx te palperen.

32

Waarom mag een orale exploratie niet te lang duren?

Een orale exploratie moet niet te lang duren omdat de dieren dan te veel weerstand gaan bieden. Meestal ontstaat dit verzet doordat het dier door het ingebrachte instrumentarium of het fixeren van de tong niet kan slikken. Het dreigt dan te stikken in het ondertussen wel geproduceerde speeksel. De kop van de patiënt moet daarom tijdens dit onderzoek naar beneden worden gehouden.

33

Hoe verloopt het onderzoek van de oesofagus bij de herkauwer?

Het onderzoek van de oesofagus van herkauwers verloopt op dezelfde wijze als bijj het paard. Bij het rund kan men vooral tijdens het herkauwen regelmatig antiperistaltische en peristaltische contracties waarnemen langs de oesofagus. Het onderzoek naar een eventuele oesofagusobstructie vindt bij het rund plaats met een metalen spiraalsonde of met de dikke rubber sonde volgens Marek. Deze laatste brengt men via de mond in met behulp van een mondhout om beschadiging van de sonde door het bijten te voorkomen. Bij de spiraalsonde is een mondhout niet nodig. Ook is het bij het rund mogelijk om een (dunne) neussonde in te brengen.

34

Wat doe je bij het onderzoek van de oesofagus anders bij kleine herkauwers dan bij koeien?

Veel dunnere sonde, klein mondhoutje. Acceptatie van de sonde is vaak slecht. Vooral bij geiten bij het inbrengen op de ademhaling letten: sommige dieren stoppen met ademen wat tot bewusteloosheid kan leiden.

35

Wat is de pens?

Groot, zakvormig orgaan, wordt door de pila cranialis, de pila caudalis en de linker en rechter pila longitudinalis verdeeld in een dorsale en een ventrale penszak. Door de pila coronaria dorsalis en ventralis worden de dorsale en de ventrale blinde zak gescheiden van de dorsale en ventrale penszak. Afscheiding tussen pens en netmaag wordt gevormd door de pens-netmaagplooi. Pens ligt links en vult de gehele linker- en soms een deel van de rechterbuikhelf. Pens van een volwassen rund bevat ongeveer 80 tot 100 liter voedsel. Bij overvulling kan dit oplopen tot 150 of zelfs 200 liter.

36

In welke lagen is de pensinhoud opgebouwd?

Ventraal: pensvocht, vele kleine voedseldelen naast grote hoeveelheden protozoën en bacteriën.
Midden: structuurlaag, vezels, gefixeerd door penspijlers
Dorsaal: gaslaag.

37

Kun je de gaslaag voelen?

Bij palpatie van de linkerbovenglank mag normaal nauwelijks vrij gas te voelen zijn. Wel kan men door de structuurlaag wat in te drukken het gas hieruit vrijmaken.

38

Wat woont er in de structuurlaag?

Dit is het ideale milieu voor cellulosesplitsende bacteriën.

39

Wat maakt de gaslaag mogelijk?

De gasmasssa in de bovenste delen van de pens maakt het mogelijk dat bij een penscontractie, door samendrukken van het gas, het pensvocht in de structuulaag omhoog komt en even later weer naar beneden zakt. De structuurlaag wrodt op deze wijze voortdurend doorstroomd. De stofwisselingsproducten worden hierbij door de pensbacteriën aan de pensvloeistof afgegeven en verteerde vezels en dode bacteriën worden uit de structuurlaag gespoeld.

40

Hoeveel gas wordt er in de pens geproduceerd? Waaruit bestaat dit gas?

Bij een goede digestie wordt, afhankelijk van de aard van het voedsel, per minuut ongeveer 1 liter gas in de pens geproduceerd. Dit gas bestaat vooral uit CO2 en CH4 en ontstaat bij fermentatie.

41

Wat is het doel van fermentatie?

Vooral de productie van vluchtige vetzuren en van bacterieel en protozoair eiwit.

42

Worden alle koolhydraten, vetten en eiwitten gefermenteerd?

Alle koolhydraten, vetten en eiwitten die in de pens terechtkomen, worden als ze voor de micro-organismen bereikbaar zijn afgebroken en daarna voor de opbouw van andere producten gebouwd.

43

Wat doen de bewegingen van de pens?

De bewegingen van de pens zorgen voor een goed verloop van de fermentatie. Bij de pensbewegingen kan men een primaire en een secundaire contractiecyclus onderscheiden.

44

Beschrijf de primaire contractiecyclus.

De primaire contractiecyclus begitn met een bifasische contractie van de netmaag: daarbij treedt tijdens de eerste fase een gedeeltelijke contractie op, gevolgd door een dilatatie, en tijdens de tweede fase van de netmaagcontractie wordt de netmaag tot vuistgroot samengetrokken. Tijdens deze tweede netmaagcontractie begint ook de contractie van de dorsale penszak waarbij de contractiegolf van craniaal naar caudaal verloopt. Daarna volgt de contractie van de ventrale penszak.

45

Hoe volgen primaire en secundaire contractiecycli elkaar op?

Een primaire penscontractie kán gevolgd worden door een secundaire penscontractie. Uit klinisch onderzoek is gebleken dat de tijd die verloopt tussen deze beide contracties in het algemeen 25 tot 35 seconden bedraagd.

46

Beschrijf de secundaire contractiecyclus.

Deze begint in de ventrale blinde zak en loopt daarna via de ventrale zak naar de dorsale penszak. Hierbij beweegt de golf zich van caudaal naar craniaal, waardoor gas in de omgeving van de cardia wordt gebracht. Daarna kán een ructus optreden, als de cardia zich althans verslapt. De ructusreflex zelf staat los van de penscontractie.

47

Hoe wordt gas dat bij de cardia gebracht is verplaatst naar de oesofagus?

Om het gas dat bij de cardia gebracht is te verplaatsen naar de oesofagus, is een voldoende groot drukverschil nodig. Soms is het nodig dat de druk in de oesofagus extra verlaagd wordt door een inspiratie met gesloten stemspleet. Door de antiperistaltische bewegingen van de oesofagus wordt het gas vervolgens naar de farynx gebracht. Dit veroorzaakt een uitwendig hoorbaar geluid (boeren = ructus). Een gedeelte van het gas kan vervolgens worden geïnspireerd, zonder dat dit verder klinische betekenis heeft.

48

Welke stoornissen van de pensfunctie ken je?

De stoornissen in de pensfunctie zijn te verdelen in fermentatiestoornissen en bewegingsstoornissen. Fermentatiestoornissen kunnen alleen worden gediagnosticeerd met behulp van pensvloeistofonderzoek. Bewegingsstoornissen kunnen klinisch worden onderkend. Bij onvoldoende beweging wordt op den duur ook de fermentatie gestoord, terwijl fermentatiestoornissen ook direct invloed uitoefenen op de activiteit van de voormagen. Bij de ontwikkeling van een fermentatie- of een bewegingsstoornis kan men er na enige tijd niet meer achterkomen welke stoornis primair aanwezig is.

49

Waar let je op bij het onderzoeken van de pens?

1. Vulling van de pens
o Vullingsgraad
o Consistentie van de vulling

2. Pensmotiliteit
o Frequentie
o Regelmaat
o Kracht
o Aantal ructussen

3. Zo nodig kan het onderzoek worden uitgebreid met het onderzoek van de pensvloeistof

50

Waar beoordeel je de vulling van de pens en wat beoordeel je dan? Wat zegt dit?

De mate van vulling van de pens wordt beoordeeld in de linker hongergroeve. De vulling kan normaal, matig, slecht of overmatig zijn. Dit geeft informatie over de hoeveelheid opgenomen voer op korte termijn. Een slechte pensvulling hoeft niet in verband te staan met een slechte voedingstoestand: ook dieren in een goede voedingstoestand vertonen na twee dagen niet eten een slechte pensvulling.

51

Hoe beoordeel je de consistentie van de inhoud van de pens?

Voor een beoordeling van de consistentie van de inhoud moet de pens op twee plaatsen worden gepalpeerd: in de hongergroeve en in de linkeronderflank. Normaal is de pensinhoud een vrij stevige brij die met enige kracht indrukbaar is. Naar ventraal wordt zij iets minder stevig: hier bevindt zich het meer vloeibare deel.

52

Wat zie je bij overvulling met gas in de pens?

Tympanie. Dan is in het dorsale gedeelte van de linkerflank gas te voelen. Soms kan men, doorpalperend, weer op de brijige pensinhoud stoten. Bij sterke tympanie is dit niet mogelijk. Normaal is er in de linker hongergroeve nauwelijks vrij gas te palperen.

53

Wanneer zie je een te vloeibare pensinhoud? Wat zie je dan?

Bij herkauwers met een verminderde of afwezige passage naar de boekmaag en de lebmaag. De inhoud van de pens wordt bij deze dieren steeds vloeibaarder doordat er enerzijds speeksel toestroomt en er geen passage naar de boekmaag is, en anderzijds doordat de voorschrijdende fermentatie de structuurlaag afbreekt waardoor deze langzam verdwijnt. Men kan nu bij palpatie in de onderflank de pensinhoud gemakkelijk in beweging brengen. Met een grote rubber sonde lukt het in deze gevallen dan ook meestal pensinhoud af te hevelen. Bij rectale exploratie kan men vaak nog beter een indruk krijgen van de aard van de pensinhoud. Bij de kleine herkauwers heeft de pensinhoud in het algemeen een veel minder stevige consistentie.

54

Hoe neem je de pensbewegingen op?

Voor het opnemen van de pensbewegingen wordt de vuist onder matige druk in de linkerflank gezet, in de hongergroeve, vlak achter de laatste rib. Daarbij voelt men de pensinhoud ritmisch omhoogkomen en weer neerzakken onder invloed van een opkomende en weer verdwijnende penscontractie. Ook kan men met de fondendoscoop de geruisen ausculteren die tijdens een pensbeweging ontstaan en zo de pensbewegingen controleren. Dit laatste is bij volwassen koeien alleen nodig als de pensbewegingen erg zwak zijn. Bij schaap en geis is de auscultatie van de pensgeruisen, en daardoor van de pensbewegingen, te preferenen boven de palpatie omdat de pensbewegingen bij deze dieren veel zwakker zijn.

55

Hoe lang moet je de pensbewegingen opnemen? En waarop beoordeel je ze?

Minimaal vijf minuten. Daarbij beoordeel je de kracht van de contracties, het aantal per vijf minuten en de regelmaat. Er bestaat geen absolute regelmaat. De tijd tussen een primaire en een daaropvolgende secundaire pensbeweging is doorgaans 25 tot 35 seconden. Het aantal te voelen pensbewegingen per vijf minuten is ongeveer 10 tot 12.

56

Geef weer hoe je pensbewegingpatronen noteert.

0-35-20-50-25-45-20o-40-25o-30. De o geeft een ructus weer.

57

Hoe werkt regelmaat bij de pensbewegingen?

De pauze tussen twee opeenvolgende pensbewegingen mag niet worden onderbroken door perioden die 60 seconden of langer duren. Wanneer er tijdens de vijf minuten durende controle meer pauzes van 20 seconden of korter voorkomen, wordt dit als afwijkend beschouwd. Bij een controle hoort men doorgaans ook een ructus.

58

Wat is het normale aantal ructussen per uur?

18 tot 24 per uur.

59

Waarop beoordeel je de intensiteit van de penscontracties?

De intensiteit van de contractie kan normaal zijn, maar ook verzwakt of afwisselend normaal en zwak. De kracht van de penscontractie is minstens zo belangrijk als het aantal. Van een rund met acht krachtige pensbewegingen per vijf minuten mag dan ook gezegd worden dat de pensmotiliteit nog voldoende is.

60

Waar wordt de pensmotiliteit door beïnvloed?

De motiliteit van de pens wordt onder andere beïnvloed door de vulling en samenstelling van de pensinhoud. Bij een overvulling van de pens, bijvoorbeeld bij tympanie, is de frequentie van de pensbewegingen toegenomen; men voelt dan soms wel 20 pensbewegingen per 5 minuten (penswoelen). De toename in frequentie wordt vooral veroorzaakt door een toename van het aantal secundaire pensbewegingen. Bij een lagere pH van de pensinhoud worden pensbewegingen sterk geremd. Bij een pH van +/- 4 zijn er geen pensbewegingen meer voelbaar (pensatonie). Ook een toename van de hoeveelheid ruwvoer beïnvloedt de motiliteit, deels door de grote vulling, deels door een intensievere prikkeling van de penswand door de vezels. De frequentie, de regelmaat en de kracht van de pensbewegingen zijn ook veranderd bij allerlei vormen van indigestie, bijvoorbeeld als gevolg van traumatische (sherp), eenzijdige voeding of overeten.

61

Hoe noem je veel pensbeweginen?

Meer dan 20 pensbewegingen per 5 minuten noem je penswoelen.

62

Hoe noem je afwezigheid van pensbewegingen?

Pensatonie

63

Hoe noem je de netmaag ook wel? En kun je hem goed onderzoeken?

Reticulum. Door de ligging binnen de ribboog is de netmaag slecht toegankelijk voor direct klinisch onderzoek.

64

Wat mag je aannemen wat betreft de motiliteit van de netmaag?

Doordat een primaire penscontractie steeds wordt voorafgegaan door de contractie van de netmaag, mag worden aangenomen dat bij voldoende pensbewegingen de netmaag ook frequent genoeg contraheert.

65

Waarop richt het onderzoek van de netmaag zich?

Voornamelijk op het eventueel aanwezig zijn van ‘scherp’ (traumatische reticuloperitonitis).

66

Hoe komt een rund aan ‘scherp’?

Het rund is bij zijn voedselopname niet erg kieskeurig, zodat de kans groot is dat scherpe voorwerpen worden opgenomen. Deze komen uiteindelijk in de netmaag terecht en blijven daar op de bodem liggen. De netmaag contraheert bij zijn tweede contractie tot vuistgrootte en het is duidelijk dat er dan een grote kans bestaat dat scherpe voorwerpen de netmaag perforeren. Daarop ontstaat een lokale peritonitis met fibrinevorming en verklevingen tussen het viscerale en het pariëtale blad van het peritoneum. De perforatie is meestal naar ventraal of lateraal; de kans dat heen scherp voorwerp het diafragma perforeert, het pericard aanprikt en daardoor een pericarditis veroorzaakt is betrekkelijk klein.

67

Wat gebeurt er bij verklevind in de netmaag?

De beweging van de netmaag veroorzaakt tractie aan de verklevingen die door de peritonitis ontstaan zijn, en hierbij verraadt het dier pijn door te kreunen. Dit kreunen treedt meestal alleen in het acute stadium spontaan op; later moet de beweging van de netmaag worden geforceerd om de pijnlijkheid te controleren en eventueel het kreunen op te wekken. Hiervoor gebruikt men de zogenoemde pijnproeven. Deze beogen pijn aan te tonen in het cranioventrale abdomen of de omgeving hiervan. Ze zijn zeker niet specifiek voor traumatische reticuloperitonitis en hebben, vooral in chronische gevallen van ‘scherp’ een matige sensitiviteit. Spontaan kreunen de dieren ook bij andere pijnlijke aandoeningen van zowel de digestietractus als het respiratieapparaat. Tandenknarsen wordt eveneens beschouwd als een aspecifieke pijnuiting.

68

Welke verschillende pijnproeven ken je?

1. De schoftproef
2. De paalproef van Götze
3. De vuistproef
4. De miltproef

69

Beschrijf de schoftproef.

Hierbij wordt gebruikgemaakt van de schoftreflex, waarbij dieren doorbuigen als er met kracht in de schoft wordt geknepen. Het hoofd wordt zo hoog mogelijk omhooggetild, zodat de gehele onderlijn, de kaak- en de halsspieren, de borst- en de buikfascie worden gespannen. Om te voorkomen dat eventueel kreunen wordt gemist door omgevingslawaai, wordt een hand op de larynx van de koe gelegd. Vervolgens wordt door een helper stevig in de schoft geknepen, zonder de koe hierbij te laten schrikken. Als de koe in de rug doorbuigt wordt druk op de netmaag uitgeoefend en verschuift het peritoneum enigszins. Daardoor wordt tractie uitgeoefend op mogelijke verklevingen, hetgeen pijnverschijnselen kan opwekken (kreunen). Bij het begin van het doorbuigen wordt door de druk op de thorax vaak steunen gehoord, doordat het dier versterkt expireert. Men moet kreunen en steunen goed van elkaar onderscheiden. De pijnreactie (kreunen) komt tegen het einde van het doorbuigen bij de schoftproef, soms daarna.

70

Beschrijf de paalproef van Götze.

Bij deze proef staat de onderzoeker aan het hoofd van de koe, hij legt een hand op de larynx en luistert. Vervolgens wordt en ijzeren of houten paal onder de buik gebracht en aan weerszijden door een helper opgetild. Men begint vlak achter de voorbenen en verplaatst de paal telkens circa 5 cm naar achteren. De onderzoeker let op het eventueel kreunen van de koe. Ook hierbij treedt vaak een versterkte expiratie op. Bij een pijnlijk borstbeen door een fractuur of een ostitis van het sternum is de paalproef eveneens sterk positief.

71

Beschrijf de vuistproef.

Hierbij drukt men met de vuist – terwijl men met de elleboog op de knie steunt om meer kracht te zetten – op een plaats tussen en vóór de beide melknapjes. Daarbij wordt niet alleen druk uitgeoefend op de netmaag, maar ook op de lebmaag en de omgeving van netmaag en lebmaag. De vuistproef wordt vooral uitgeoefend wanneer de paalproef niet kan worden uitgevoerd (te weinig personen of geen paal beschikbaar).

72

Beschrijf de miltproef.

Hierbij drukt men met de beide duimen in de negende en de tiende intercostale ruimte links ongeveer te halver hoogte van de ribwand. Zeer sterk positief is deze proef in gevallen van een traumatische splenitis (moddermilt) waarbij een scherp voorwerpt van uit de netmaag in de milt terecht is gekomen en de milt door de ontsteking een ‘modderachtig’ aspect krijgt. Een dergelijke traumatische splenitis komt echter zelden voor.

73

Hoe kun je, naast pijnproeven, corpora aliena aantonen in de netmaag?

1. Metaaldetector, slechte resultaten. Sommige voorwerpen bestaan niet uit metaal, terwijl de aanwezigheid van metalen voorwerpen in de netmaag niet hoeft te betekenen dat deze ook de wand hebben geperforeerd of aangeprikt.
2. Röntgenfoto kan informatie geven over de aanwezigheid van scherpe voorwerpen in de netmaag en over de vraag of een perforatie is opgetreden. Een negatieve foto is echter geen bewijs dat er geen traumatische reticuloperitonitis is, omdat sommige voorwerpen geen röntgenschaduw geven
3. Met echografie kan een scherp corpus alienum niet worden gezien, maar de beweeglijkheid van de netmaag kan wel goed in beeld worden gebracht en daarmee ook eventuele vergroeiingen die de bewegingen belemmeren.

74

Waar ligt de boekmaag en wat is het?

De boekmaag ligt in de rechterbuikhelft, tegen de rechterbuikwand aan. Hij bestaat functioneel uit twee delen: het boekmaagkanaal en het boekmaaglichaam. Het boekmaagkanaal vormt de verbinding tussen de netmaag en de lebmaag.

75

Waaruit bestaat het boekmaaglichaam? En wat gebeurt er bij netmaagcontractie?

Het boekmaaglichaam bestaat uit de boekmaagwand en de boekmaagbladen. De boekmaagbladen staan als de bladen van een boek in het lumen van de boekmaag. Het boekmaagkanaal relaxeert tijdens de tweede netmaagcontractie. Door de onderdruk die hierbij in het boekmaagkanaal ontstaat wordt netmaaginhoud in het boekmaagkanaal gezogen. De daaropvolgende contractie van het boekmaagkanaal brengt de inhoud in het boekmaaglichaam tussen de boekmaagbladen. Door contracties van het boekmaaglichaam wordt het voedsel uitgeperst en langzaam naar de lebmaag afgevoerd terwijl de grote voedseldelen naar de lebmaag teruggaan.

76

Hoe onderzoek je de boekmaag?

De boekmaag is alleen te onderzoeken door ausculatatie, al staat de klinische relevantie daarvan de laatste jaren ter discussie. Percussie wordt ook wel aangegeven, maar de bevindingen die men hiermee verkrijgt, zijn zeer moeilijk te interpreteren. Bij een sterke vulling van de boekmaag zou men dan een vergroot dempingsveld moeten vinden.

77

Hoe vindt je de boekmaag voor auscultatie van de boekmaag uit?

De auscultatie van de boekmaag geschiedt op een plaats gelegen op een derde van de lijn tussen het olecranon en de knie, van voren af gerekend. Dit gebied is ook te vinden door van de negende rib de overgang van rib naar ribkraakbeen te zoeken. De boekmaak ligt slechts voor een klein deel tegen de ribwand; het gebied heeft ongeveer een doorsnede van 5 tot 10 cm. Het is aan te bevelen niet precies op één plaats te luitsteren maar ook net iets meer naar voren, naar achteren, naar boven of naar beneden,. De boekmaag kan namelijk van plaats wisselen.

78

Wat hoor je bij auscultatie van de boekmaag?

Bij de auscultatie hoort men zachte, aanzwellende en afnemende knisterende geluiden. Het is doorgaans beter met het blote oor te luisteren dan met de fondendoscoop, zo heeft men minder hinder van het knisteren van de haren. Door een handdoek tegen de ribwand te leggen kan men zich beschermen tegen luizen, vuil of een schimmelinfectie. Om trappen van de koe te ontwijken is het gewenst om met het gezicht naar voren te luisteren en zo het eigen hoofd te beschermen.

79

Wanneer zullen boekmaagbewegingen verzwakt zijn?

Als de bewegingen van de voormagen onderdrukt zijn, dan zullen de boekmaagbewegingen verzwakt zijn. Als er geen boekmaaggeluiden te horen zijn, kan dit veroorzaakt worden door het stilliggen van de boekmaag (verlamming, obstipatie) of door het niet meer tegen de ribwand aan liggen van de boekmaag. Dit kan het geval zijn bij een lebmaagdislocatie (waarbij de boekmaag ook een geringe dislocatie ondergaat), maar het komt ook voor bij dieren die lucht in de buik hebben na bijvoorbeeld een buikoperatie.

80

Beschrijf het abomasum.

De lebmaag ligt op de ventrale buikwand, caudaal van d enetmaag en de boekmaag. De lebmaag bestaat uit een corpusdeel en een pylorusdeel; op de schediing van beide delen vertoont de lebmaag een knik. Als de lebmaag in de normale posistie ligt, onttrekt hij zich aan klinisch onderzoek.

81

Waar vind je de punctieplaats van de lebmaag?

De punctieplaats ligt op de mediaanlijn tussen het einde van het borstbeen en de navel, maar punctie is niet van grote klinische waarde. Röntgenologisch onderzoek is ook niet van grote waarde.

82

Waarom is opsporen van een eventuele lebmaagdilsocatie onderdeel van het routineonderzoek?

Omdat een lebmaagdislocatie naar links en rechts vaak voorkomt en omdat de lebmaag in de normale positie niet bereikbaar is voor direct onderzoek.

83

Wat is er aan de hand bij een lebmaagdislocatie naar links?

Een meer of minder groot deel van de lebmaag komt tussen de pens en de linkerribbuikwand te liggen. De lebmaag komt daarbij onder de pensvoorhof door en dilateert en dislokeert daarna verder in vaudodorsale richting. Bij een zeer sterke dilatatie en dislocatie komt de lebmaag tot ver in de hongergroeve, bij een geringe dilatatie ligt hij alleen in het cranioventrale deel tussen de pens en de buikwand. Bij een naar links gedislokeerde lebmaag is de voedselpassage doorgaans niet gestoord. Een gedislokeerde lebmaag is gevuld met vloeistof waarboven een hoeveelheid gas aanwezig is. Op dit gegeven berust een belangrijk deel van de onderzoeksmethoden.

84

Hoe inspecteer je voor een lebmaagdislocatie naar links?

Bij inspectie wordt de symmetrie van het dier beoordeeld. Bij een lebmaagdislocatie naar links bestaat er vaak een asymmetrie met een uitwijking naar lateraal van de linkerribwand, doordat de lebmaag de hongergroeve of de laatste ribben en de laatste intercostale ruimten doet uitpuilen. Asymmetrie is vaak ook aanwezig bij een sterk vulling van de pens (bijvoorbeeld tympanie). Hierbij is meestal de gehele hongergroeve opgevuld, terwijl bij een lebmaagdislocatie naar links doorgaans slechts een lokale uitpuiling optreedt.

85

Hoe palpeer je bij een lebmaagdislocatie naar links?

Je kan vaak de lebmaag in de linkerhongergroeve, vlak achter de laatste rib, palperen. Zijn de dislocatie en de dilatatie gering, dan komt de lebmaag niet achter de ribboog vandaan en is palperen niet mogelijk.

86

Hoe ausculteer je bij een lebmaagdislocatie naar links?

Onder normale omstandigheden zijn bij de auscultatie van de linkerribbuikwand, daar waar de pens ertegenaan ligt, knisterende pensgeruisen te horen die synchroon lopen met de pensbewegingen. Bij een lebmaagdislocatie naar links ligt de lebmaag tussen de pens en de buikwand. Op die plaats zijn nu geen pensgeruisen meer te horen. Men luistert daarbij dus op de plaatsen waar de gedislokeerde lebmaag kan liggen, dus vooral in het gebied van de pensvoorhof en vlak daarboven. De ausculatie moet geschieden enoder gelijktijdige opname van de pensbewegingen, waartoe de vuist in de hongergroeve wordt gehouden. In plaats van pensgeruisen kunnen bij een lebmaagdislocatie naar links hootonige, borrelende geluiden worden gehoord. Deze hoogtonige borborygmi zijn afkomstig van gasbellen die in de vloeistof van de gedisloceerde lebmaag opstijgen naar het gas daarboven. Deze gasbellen zijn afkomstig uit de pens en komen via het boekmaagkanaal in de lebmaag terecht.

87

Waarom en hoe wek je steelbanden geluiden op bij een lebmaagdislocatie naar links?

De gedislokeerde lebmaag bevat bovenin een grote gasbel. Wanneer deze gasbel wordt gepercuteerd en gelijktijdig wordt geausculteerd, dan hoort men hoogtonige pieng-pieng geluiden, die lijken op de klanken van een steelband. Dit fenomeen wordt het steelbandeffect genoemd. Om na te gaan of er steelbandgeluiden zijn op te wekken, wordt de linkerribwand gepercuteerd met de percussiehamer of met de fingers, terwijl gelijktijdig op verschillende plaatsen wordt geausculteerd. De plaats van de percussie en de plaats van auscultatie moeten hierbij voortdurend wisselen. Als er steelbandgeluiden zijn op te wekken, betekent dit dat zich op de plaats waar gepercuteerd en geausculteerd wordt, gas onderspanning boven een glad oppervlak bevindt. Dit gladde oppervlak zal in het algemeen vocht zijn. Bij een lebmaagdislocatie naar links worden meestal steelbandgeluideen gehoord, maar ook bij vrij gas in de buik of bij een tympanische pens met een vloeibare structuurlaag kan soms een steelbandachtig geluid worden opgewekt.

88

Waarom en hoe wek je klotsen op bij een lebmaagdislocatie naar links?

Door middel van stotende bewegingen in de linkeronderflank vlak achter de ribboog kan in de gedislokeerde lebmaag de vloeistoflaag in beweging worden gebracht dorodat zich boven de vloeistoflaag een min of meer grote gasbel bevindt. Hierbij kunnen typische hoogtonige klotsende geluiden worden opgewekt. Het is zeker niet altijd mogelijk klotsgeluiden op te wekken. Bovendien kunnen er klotsgeluiden worden gehoord als de pens een vloeibare inhoud heeft waarboven vrij gas aanwezig is.

89

Wat voel je bij een rectaal onderzoek bij een lebmaagdislocatie naar links?

Als de gedislokeerde lebmaag tot ver in de hongergroeve ligt, is het soms mogelijk naar links de lebmaag rectaal te voelen. Dit is echter zelden het geval en doorgaans is de gedislokeerde lebmaag rectaal dan ook niet te voelen. Wel kan men verwachten dat de pens door de dislocatie iets naar rechts verplaatst is, maar dat kan men slechts zelden duidelijk vaststellen.

90

Waarom en hoe doe je de blaasbroef bij een lebmaagdislocatie?

In enkele gevallen kan er na de normale diagnostische methoden nog twijfel bestaan of er sprake is van een lebmaagdislocatie naar links dan wel van een pens met vloeibare inhoud en gas erboven. In die gevallen kan de blaasproef uitsluitsel geven. Allereerst wordt een sonde ingebracht door de neus of de mond tot in de pens. Vervolgens laat men een helper blazen op deze sonde. Het gevolg zal dus een borrelend geluid in de pens zijn. Tegelijkertijd wordt de gehele linkerbuikwand geausculteerd. Al ausculterend kan men nu vaststellen waar de pens tegen de linkerbuikwand ligt (het borrelen is dichtbij te horen) en waar eventueel de lebmaag tussen de pens en de buikwand ligt (het borrelen is in de verte te horen).

91

Wat kun je allemaal doen voor het onderzoeken van een lebmaagdislocatie naar links?

- Inspectie
- Palpatie
- Auscultatie
- Steelbandgeluiden
- Klotsen
- Rectaal onderzoek
- Blaasproef

92

Wat is er aan de hand bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Bij de dislocatie van de lebmaag naar rechts draait de lebmaag om de lengteas. De curvatura major wordt hierbij langs de rechter ventrale buikwand verplaatst naar dorsaal (flexio). Hierbij is de voedselpassage in het algemeen niet versoord. Het is echter ook mogelijk dat de lebmaag verder draait, nu ook om een verticale as (rotatio), waardoor de openingen van de lebmaag meestal wel afgesloten worden. In dergelijke gevallen (lebmaagdislocatie met afsluiting) zal de voedselpassage stagneren. De afsluiting is hierbij gelokaliseerd rond de pylorus; soms is tevens een afsluiting van de boekmaag-lebmaagopening.

93

Uit welke onderdelen bestaat het onderzoek van de lebmaagdislocatie naar rechts?

- Inspectie
- Palpatie
- Auscultatie
- Steelbandgeluiden
- Klotsen
- Leverpercussie
- Rectaal onderzoek

94

Wat kun je zien bij inspectie bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Vaak is het dier uitgesproken dik aan de rechterzijde. In het beginstadium is vooral de rechteronderflank uitgezet. Bij een afsluiting van de lebmaag komt deze omhoog en geeft hij vooral een uitzetting in de rechterbovenflank, vlak achter de ribboog.

95

Wat kun je palperen bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Een onvoldoende sterk gedilateerde en gedislokeerde lebmaag kan gepalpeerd worden. Hij puilt dan uit in de hoek tussen de lendenwervels en de laatste rib. Bij sterke dilatatie ligt hij nog verder naar caudaal.

96

Hoe ausculteer je bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Bij auscultatie op de laatste ribben, ongeveer halverwegen, kunnen hoogtonige borborygmi worden gehoord. Bij een afsluiting van de lebmaag is er meestal geen gasverplaatsing meer, waardoor geen geluiden meer ontstaan. Hoogtonige borborygmi kunnen echter ook ontstaan in zeer sterk uitgezette delen van het darmkanaal.

97

Hoe wek je steelbandgeluiden op bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Het opwekken van de steelbandgeluiden geschiedt op dezelfde wijze als bij de lebmaagdislocatie naar links. In de rechterflank kunnen echter sterk uitgezette colondelen of een met gas overvuld caecum ook een positieve uitslag geven.

98

Hoe wek je klotsen op bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Het opwekken van klotsgeluiden is een belangrijk diagnostisch hulpmiddel in bijna alle stadia van een lebmaagdislocatie met of zonder afsluiting. Echter, in sterk uitgezette, met voch en gas gevulde darmdelen kunnen ook hoogtonige, klotsende geluiden worden opgewekt.

99

Wat zegt leverpercussie je bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Het leverpercussieveld is bij de lebmaagdislocatie naar rechts in ongeveer 95% van de gevallen verkleind of geheel afwezig. Bij een lebmaagdislocatie naar links is dit percentage veel lager. Bij liggingsveranderingen van andere delen van het maag-darmkanaal is het leverpercussieveld in principe niet verkleind. Het is echter wel mogelijk dat de lever om andere redenen niet tegen de ribwand aan ligt, bijvoorbeeld bij dieren met lucht in de buik na een buikoperatie.

100

Wat kun je bij rectaal onderzoek bij een lebmaagdislocatie naar rechts?

Het rectaal onderzoek is voor de diagnostiek van de lebmaagdislocatie naar rechts het belangrijkste onderdeel. Afhankelijk van de exacte ligging, de grootte van de koe en de lengte van de explorerende arm is de lebmaagdislocatie naar rechts vaak door rectaal exploreren met zekerheid te diagnosticeren.

101

Waar onderzoek je de buikholte op?

- Inspectie
- Palpatie
- Auscultatie
- Rectaal onderzoek
- Onderzoek van de lever
- Aanvullend onderzoek.

102

Wat beoordeel je bij de inspectie van de buikholte?

De omvang van de buik. Hierbij moet aan de eigenaar gevraagd worden hoe de toestand voordien was. De buikomvang is sterk afhnakelijk van de hoeveelheid voer die is opgenomen. Ook kunnen lokale omvangsveranderingen voorkomen, waardoor afwijkingen in de symmetrie kunnen optreden. De oorzaak van de asymmetrie kan gelokaliseerd zijn in de buikwand (onder andere hernia ventralis, lucht onder huid na operatie) of in de buikholte. In het laatste geval kun je vrij typische veranderingen van symmetrie onderscheiden.

103

Wat is er aan de hand bij een uitpuiling van de linkerbovenflank?

Tympanie, waarbij boven de structuurlaag in de pens zeer veel gas voorkomt.

104

Wat is er aan de hand bij hele linkerbuikwand in omvang toegenomen?

Pensoverlading.

105

Wat is er aan de hand bij een pappelvorm (hele linkerbuikwand en rechteronderflank puilen uit)?

Links appel-, rechts peervorm. De pens is overvuld met een veel te dunne inhoud waardoor de ventrale penszak ook tegen de rechterbuikwand aan ligt. Deze aandoening wordt veroorzaakt doordat de passage van voedsel vanuit de pens gestoord is, met een gelijktijdige afbraak van de structuurlaag (stenosebeeld).

106

Wat is er aan de hand bij een peervorm, uitpuiling van linker- en rechteronderflank?

Ascites. Hierbij is een overmatige hoeveelheid vrij vocht in de buikholte aanwezig.

107

Wat is er aan de hand bij een uitpuiling van de rechterbovenflank?

Meteorismus van de dikke darm of sterke dilatatie en dislocatie naar rechts van de lebmaag.

108

Wat is er aan de hand bij een symmetrisch dikke buik?

Mogelijk bijvoorbeeld een hydroallantoids (vochtophoping in de uterus).

109

Wat is er aan de hand als de bovenflanken beiderzijds dik zijn?

Bijvoorbeeld pneumoperitoneum (vrij gas in de buik).

110

Hoe voer je de palpatie van de buikholte uit?

Bij de palpatie wordt nagegaan of er sprake is van een abnormaal anagespannen buik (défense musculaire). Deze treedt met name op als gevolg van een peritonitis. Neurveuze dieren en dieren met een sterk overvulde buik hebben echter vaak een verhoogde spanning van de buikmusculatuur. Bij runderen met een stevige pensstructuurlaag is de beoordeling van de défense musculaire aan de linkerbuikwand vaak veel moeilijker dan aan de rechterbuikwand. Bij de palpatie kunnen ook de deformiteiten nader worden onderzocht en kan worden nagegaan of de oorzaak daarvan is gelegen in de buikwand dan wel in de buikholte.

111

Hoe voer je de undulatiepeof uit?

Bij dieren waarbij een peervormige buik wordt gevonden en die dus verdacht worden van een ascites, kan de undulatieproef worden verricht. Bij een positieve proef wordt de drukgolf die men bijvoorbeeld in de linkeronderflank opwekt door ertegeneaan te tikken, onverminderd doorgegeven naar de rechterbuikwand. Dit controleert men door er de vlakke hand tegenaan te leggen. In sommige gevallen kunnen de golfbewegingen ook worden gezien. De undulatieproef bij grote huisdieren moet altijd met een helper worden uitgevoerd. Een vals-positieve uitslag kan worden verkregen door bijvoorbeeld een sterke pensovervulling met een dunne inhoud. Bij kleine herkauwers kan de buikpalpatie en de undulatieproef bimanueel worden uitgevoerd.

112

Hoe voer je auscultatie van de buiholte uit?

De borborygmi kunnen worden beluisterd en beoordeeld op frequentie, toonhoogte en aard. De waarde van de buikausculatie bij het rund is echter gering en wordt dan ook meestal alleen uitgevoerd als de pensmotiliteit vertraagd is.

113

Wanneer voer je steelband- en klotsproeven uit?

Indien bij de inspectie uitpuilingen gezien zijn of bij de auscultatie hoogtonige geluiden zijn gehoord, kan geprobeerd worden steelbandgeluiden of klotsgeluiden op te wekken. Deze geluiden kunnen ontstaan in de gedislokeerde lebmaag of in darmgedeelten die te veel gas en vloeistof bevatten (bijvoorbeeld bij meteorismus van het caucum). Voor het ontstaan van de steelbandgeluiden moet het gas onder voldoende spanning staan.

114

Wat onderzoek je aan de lever?

Bij het onderzoek van de lever wordt de grootte van het leverpercussieveld bepaald, wordt nagegaan of het mogelijk is de lever te palperen en wordt de drukpijjnlijkheid beoordeeld.

115

Hoe percuteer je de lever?

Doordat bij het rund de lever voor een deel tegen de ribwand aan ligt is het mogelijk de lever te percuteren. Om de grootte van het leverpercussieveld te bepalen wordt gebruik gemaakt van een aantal percussielijnen. De eerste percussielijn is een horizontale lijn even onder de rugstrekkers. Hierbij wordt de overgang van longtoon naar leverdemping gepasseerd en daarna de overgang van leverdemping naar de tympanische toon van de buiholte. Deze laatste overgang vormt de achtergrens van het leverpercussieveld. De tweede percussielijn loopt vanuit de leverdemping langs de achtergrens van het longvels. De derde lijn loop over of langs de rib die in het percussieveld is geleggen. De tweede en de derde lijn zijn doorgaans alleen goed te percuteren als de leverdemping verbreed is.

116

Wanneer is je leverpercussieveld normaal en wanneer abnormaal?

Het leverpercussieveld is normaal één rib en één intercostale ruimte breed. De bovengrens wordt gevormd door de spieren van de rugstrekkers terwijl de ventrale grens van het dempingsveld niet mag uitsteken onder de lijn die loopt van het olecranon naar het dwarsuitsteeksel van de tweede lendenwervel. Een vergroot percussieveld wijst meestal op een vergroting van de lever. Soms ligt het percussieveld tot de laatste rib. In dat geval kan geprobeerd worden of de lever ook achter de laatste rib te palperen is. Een geheel afwezig zijn van een leverdemping of een verkleind leverpercussieveld vindt men als de lever in het geheel niet meer of in geringere mate tegen de buikwand aan ligt, zoals bij een lebmaagdislocatie (waardoor de normale anatomsiche verhoudingen zijn veranderd) of bij de aanwezigheid van lucht in de buiholte (bijvoorbeeld na buikoperaties).

117

Wat kun je palperen aan de lever?

In sommige gevallen is het mogelijk de lever achter de laatste rib te palperen. Men voelt dan, bij vrij diep doorstasten, een wat langgerekte, scherpe rand achter de laatste rib. Dit is alleen mogelijk als de lever vergroot is; soms is de lever dan ook rectaal te voelen. Ook moet de drukpijnlijkheid beoordeeld worden door met beide duimen in de intercostale ruimte(n) te drukken binnen het leverdempingsveld. De lever is drukpijnlijk bij een acute leveraandoening zoals acute distomatose. De pijnlijkheid kan tot uitdrukking komen doordat de koe gaat kreunen en/of afweerbewegingen maakt.

118

Hoe belangrijk is het rectaal onderzoek?

Bij het rund is de rectale exploratie van groot belang. Bij de koe zijn meer organen te bereiken dan bij het paard omdat het rectum aan een veel langer scheil hangt. Het gevaar van darmperforaties is bij het rund dan ook kleiner dan bij het paard. Bij een peristaltische contractie van de darm kan men bij een rund de hand rustig op zijn plaats houden.

119

Welke maatregelen neem je voor een rectaal onderzoek?

1. Het dier wordt goed vastgehouden, desnoods door het in de neus te laten knijpen.

2. Een helper dient de staart opzij te houden, waarbij hij tevens voorkomt dat het dier voortdurend omloopt.

3. Er moet voldoende ruimte achter de rug van de onderzoeker zijn, al is het gevaar voor het oplopen van een trap gering, vooal als men een dier waarschuwt.

4. Hou de volgende regels in acht
a. De gehele arm moet goed worden ingesmeerd met een glijmiddel. Omdat de sfincter bij het rund niet zo sterk is als bij het paard, kan men vele glijmiddelen gebruiken. Het meest gebruikt wordt carboxymethylcellulose 3%.
b. De feces behoeven niet uit het rectum te worden verwijderd. Men loopt daarbij namelijk het risico dat door het rectum lucht aangezogen wordt en men door een dan strak staande rectumwand geen organen meer kan palperen
c. De vingertoppen worden vooral bij het verplaatsen in de darm tegen elkaar gehouden. Men maakt zo met de toegespitste hand borende bewegingen.

120

Waar let je op bij het recaal onderzoek?

- Spanning van de sphincter ani
- Genitaal apparaat
- Linkernier
- Rechternier
- Ureteren
- Pens
- Lebmaag
- Lever
- Darmen
- Rechterbuikwand
- Aorta
- Bekkenbeenderen
- Lnn. Iliofemorales
- Urineblaas

121

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de sphincter ani?

Bij sommige dieren is door een verlamming de spanning op de sphincter ani afwezig

122

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij het genitaal apparaat?

Bij het rectaal onderzoek wordt naar de verschillende onderdelen van het geslachtapparaat gevoeld: vagina, cervix, uterus (al dan niet drachtig) en ovaria. Ook moet gevoeld worden naar verklevingen of vergroeiingen ten gevolge van een peritonitis, die bij het rund nogal eens uitgaat van het genitaal apparaat in aansluiting op een partus.

123

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de linkernier?

De linkernier ligt ver naar voren, hangend aan een lang scheil. Deze nier is vaak door de pens naar de rechterbuikhelft verplaatst. De renculi zijn goed te voelen, vooral rond het pyelum. De nier is betrekkelijk lang. In de linkernier van het rund zit een ‘slag’ die bij exploratie goed te voelen is. De bovenkant van de nier is vrij glad. De nier wordt beoordeeld op grootte en op consistentie. Soms is er een flucturerende renculus te voelen waarin zich een abces bevindt. Bij een amyloïdnefrose (stapeling van amyloïd in de nier) is de nier meestal sterk vergroot en verhard.

124

Waar let je op bij rectaal onderzoek van de rechternier?

De rechternier kan alleen bereikt worden als men de S-vormige bocht in de darm (de ansa distalis coli) gepasseerd is. De rechternier ligt dicht tegen de lendenwervels aan en hant niet aan een scheil. Iemand met betrekkelijk lange armen kan de achterste renculi van de rechternier voelen.

125

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de ureteren?

De linkerureter loopt schuin dorsaal over de nier van rechtsvoor (het pyelum) naar lingsachter en is normaal zo dik als een breinaald. Op de stevige ondergrond van de nier is de ureter na enige oefening meestal goed te voelen. Een dikke ureter is te voelen bij een ureteritis zoals die voorkomt bij een cystopyelonefritis (ontsteking van blaas, ureter en nier). De rechterureter is alleen te voelen als deze verdikt is. Deze loopt onder de rechterdwarsuitsteeksels van de lendenwervels.

126

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de pens?

De pens wordt eerst beoordeeld op grootte. Normaliter vult de pens de gehele linkerbuikholte en soms reikt de ventrale penszak tot de rechterbuikwand. De penswand wordt betast op een eventueel aanwezige peritonitis. Op de penswand bevindt zich in een vroeg stadium van een peritonitis nog weinig fibrine, hetgeen een soort knisterend gevoel geeft. In een later stadium treden uitgebreide fibrineverklevinden op die men met de vinger los kan maken. De consistentie van de pensinhoud is bij rectale exploratie goed te beoordelen.

127

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de lebmaag?

De lebmaag is zijn normale positie rectaal niet te voelen. Is de lebmaag gedislokeerd naar rechts, dan is deze vaak wel bereikbaar. In uitzonderingsgevallen kan ook een naar links gedislokeerde lebmaag worden gevoeld. Bij een overvulling met te vaste inhoud (lebmaagimpaction) is de lebmaagsoms op de buikbodem te voelen.

128

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de lever?

De lever kan alleen in uitzonderingsgevallen worden gevoeld, wanneer deze sterk vergroot of verplaatst is. Meestal heeft men bij het onderzoek van de lever al een aanwijzing gekregen dat deze mogelijk rectaal gevoeld kan worden.

129

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de darmen?

Liggen in de rechterbuikhelft. Zij zijn normaliter niet van elkaar te onderscheiden; alleen bij liggingsveranderingen en bij dilataties door meteorismus zijn de afzonderlijke delen van het darmconcoluut te voelen. Zo kan men soms een sterk overvuld caecum voelen of sterk uitgezette colondelen of overvulde en strakgespannen dunnedarmlissen. In dit laatste geval is er meestal sprake van een liggingverandering van de dunne darm. Een invaginatie voelt men soms rechts in de buik als een stevig, wat pasteus aanvoelende massa in de vorm van een gekronkelde worst. De in het darmconvoluut gelegen mesenteriale lymfeklieren zijn doorgaans niet te voelen.

130

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de rechterbuikwand?

Bij het aftasten van de rechterbuikwand wordt vooral het peritoneum beoordeeld op de aanwezigheid van een peritonitis, van tumoren of van tuberculeuze knobbeltjes.

131

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de aorta?

De aorta ligt links van de wervelkolom en splitst zich vlak voor de bekkeningang. Op deze plaats kan eventueel ook de pols worden beoordeeld.

132

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de bekkenbeenderen?

De bekkenbeenderen moeten zo nodig worden afgetast, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan het iliosacrale gewricht.

133

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de Lnn. Iliofemorales?

De inwendige darmbeenslymfknopen voelt men voor de bekkenholte tegen het os ilium van het bekken.

134

Waar let je op bij rectaal onderzoek bij de urineblaas?

De urineblaas is bij mannelijke dieren goed te voelen. Bij vrouwelijke dieren is dit in verband met de ligging onder de (eventueel drachtige) uterus minder gemakkelijk, vooral wanneer de blaas leeg is en de blaaswand normaal is. Als de blaaswand verdikt en verhard is, is de blaas meestal wel te voelen.

135

Hoe voer je het fecesonderzoek van het rund uit?

Op dezelfde wijze als bij het paard.

136

Noem een aantal mogelijkheden voor aanvullend onderzoek

- Onderzoek van de pensinhoud
- Buikpunctie
- Leverbiopsie

137

Wat zijn de eindproducten van pensfermentatie?

De belangrijkste zijn de vluchtige vetzuren – acetaat, propionaat en butyraat. Zij vormen de voornaamste energiebron voor de herkauwers en zijn onder andere nodig voor de synthese van glucose en melkvet.

138

Hoe verkrijg je pensinhoud?

Pensinhoud wordt verkregen met behulp van een dikke rubber sonde. Bij een goed gevulde pens met stevige inhoud lukt het doorgaans niet pensinhoud af te hevelen. Mede daarom wordt het onderzoek slechts gedaan wanneer er op grond van de anamnese storingen in de pensfermentatie verwacht worden of wanneer het klinisch onderzoek daar aanleiding toe geeft (bijvoorbeeld bij het afwezig zijn van de pensbewegingen of bij een te slappe pensinhoud). Aangezien primaire pensfermentatiestoringen eigenlijk altijd veroorzaakt worden door afwijkingen in het rantsoen, moeten bij het pensvloeistofonderzoek meerdere dieren uit de koppel betrokken worden.

139

Waarop beoordeel je de pensinhoud?

Op kleur, geur, consistentie. Dan kan een sedimentatie/flottatie, een bepaling van de pH en een methyleenblauwreductietest worden uitgevoerd. Ook kan pensvloeistof microscopisch worden beoordeeld. Zo nodig kan meer specialistisch onderzoek wroden verricht.

140

Waar is de kleur van de pensinhoud van afhankelijk?

Sterk afhankelijk van het rantsoen, maar varieert normaal van bruin tot groen. Een groenzwarte kleur kan worden gezien na opname van rottend of schimmelig voer (pensvervuiling).

141

Hoe ruikt pensinhoud? En wat zegt de consistentie je?

Normale pensvloeistof ruikt aromatisch en mag niet zuur stinken (pensacidose). De afgenomen pensvloeistof moet enigszins visceus zijn; een te sterke viscositeit kan wijzen op te veel speekselbijmenging. Een schuimige vloeistof komt voor bij schuimtypanie.

142

Hoe doe je een sedimentatie-flottatie?

Als pensvloeistof enkele minuten staat, moeten protozoën en voedseldeeltjes uitzakken (sedimentatie). Vervolgens moeten er binnen 5 tot 15 minuten weer voedseldelen komen bovendrijven door de onafgebroken fermentatie, waarbij gasvorming optreedt (flottatie). Een snelle sedimentatie, zonder flottatie daarna, wijst op een inactieve pensflora.

143

Hoe zuur moet pensinhoud zijn?

De pH van normale pensinhoud ligt tussen de 5.5 en 7.2. Bij de beoordeling van de pH moet rekening worden gehouden met het tijdstip van voedering en met het rantsoen.

144

Waar gebruik je methyleenblauwreductietest voro?

Om aan de hand van de snelheid waarmee ontkleuring optreedt, het reducerend vermogen van de pensbacterieflora te testen. Een te langzame ontkleuring wordt gezien bij dieren die al langere tijd vasten, bij pensacidose of na toediening van antibiotica in de pens.

145

Wat kun je zien bij microscopisch onderzoek van de peninhoud?

Je kan nagaan of het aantal levende micro-organismen groot genoeg is. Ook kan van de pensvloeistof een preparaat gemaakt worden; na kleuring wordt een zekere differentiatie van de bacteriën mgoelijk.

146

Noem een aantal meer specialistische onderzoeken van de pensvloeistof.

Het bepalen van de vluchtige vetzurenconcentratie en de onderlinge verhoudingen van acetaat, propionaat en butyraat. De bepaling van melzuur- en ammoniakconcentratie en de bepaling van de glucosevergisting en de nitrietreductie.

147

Wanneer neem je een buikpunctie?

Aanleiding om de buik te puncteren kan een sterk toegenomen buikomvang zijn of een positieve oundulatieproef (bijvoorbeeld ascites). Ook bij dieren met een défense musculaire kan geprobeerd worden de diagnose peritonitis met behulp van een buikpunctie vast te stellen.

148

Waar pucteer je de buik en welke resultaten kun je krijgen?

10 cm rechts van de linea alba en ongeveer 10 cm voor de navel. Bij een sterk gevulde pens kan het nodig zijn te puncteren rechts van de mediaanlijn (ongeveer één handbreedte).
Transsudaat Stuwingen, verlaging van de colloïd-osmotische druk van plasma
Exsudaat Ontstekingen (peritonitis)
Darminhoud Darmruptuur
Vruchtwater Uterusruptuur
Urine Blaasruptuur
Je kan ook perongeluk dat onderdeel hebben aangeprikt

149

Waar beoordeel je de buikpunctie op?

Het verkregen vocht moet macroscopisch (kleur, geur, viscositeit) en microscopisch (aantal cellen, differentiatie, eventueel voedselbestanddelen) beoordeeld worden.

150

Wanneer doe je een leverbiopsie en hoe doe je dat?

Voor de diagnostiek van leveraandoeningen kan het nodig zijn dat behalve het klinisch onderzoek en het bloedonderzoek ook een leverbiopsie wordt verricht. Als de lever echt vergroot is door stuwing kan dit leiden tot een gevaarlijke bloeding. De punctieplaats ligt in de elfde of de twaalfde intercostale ruimte rechts, ongeveer 25 tot 30 cm onder de spinale uitsteeksels van de thoracale wervels. De biopsienaald moet gestoken worden in de richting van de linkerelleboog. De punctie dient onder strikt aseptische omstandigheden plaats te vinden.

151

Waar moet je op letten bij het herkauwen?

Bij het herkauwen is het van belang te letten op de wijze van herkauwen, de frequentie en het aantal slagen per herkauwbrok. Je kan zien hoe een herkauwbrok door de oesofagus omhoog gaat.

152

Waar let je op bij de mond?

Op de sluiting van lippen en mond en op de speekselsecretie. Daarnaast wordt de mondholte onderzocht.

153

Kun je de oesofagus zien?

Normaal gesproken is de oesofagus niet te zien of te voelen. Wel zijn er peristaltische en antiperistaltische golven waar te nemen. Bij palpatie wordt gevoeld naar obstructies. Om te beoordelen of de oesofagus passabel is kan een sonde worden ingebracht.

154

Waar let je op bij het pensonderzoek?

Vulling, pensbewegingen en consistentie inhoud. Onderzoek bestaat uit inspectie (vullingsgraad), palpatie (consistentie, opnemen pensbewegingen) en eventueel auscultatie. Voor het opnemen van de pensbewegingen wordt er 5 minuten gelet op kracht, aantal (normaal 10 tot 12) en regelmaat. Ook hoort men meestal een ructus.

155

Wat kun je onderzoeken aan de netmaag?

De netmaag is door zijn ligging slecht bereikbaar voor onderzoek. Met behulp van pijnproeven (schoftproef, paalproef, vuistproef en miltproef) wordt geprobeerd een reactie uit te lokken die kan wijzen op pijn in het cranioventrale abdomen. Het dier zal dan kreunen of tandenknarsen.

156

Hoe voer je het onderzoek naar een LDL achtereenvolgens uit?

1. Inspectie (asymmetrie)
2. Palpatie (lebmaag in linker hongergroeve te voelen)
3. Auscultatie (afwezigheid pensgeruisen, hoogtonige borborygmi, steelbandgeluiden, klotsen)
4. Rectaal onderzoek (lebmaag eventueel te voelen)

157

Hoe voer je het onderzoek naar een LDR achtereenvolgens uit?

1. Inspectie (uitgezette, rechter flank)
2. Lebmaag te voelen in hoek tussen lendenwervels en laatste rib)
3. Auscultatie (hoogtonige borborygmi, steelbandgeluiden, klotsen)
4. Percussie (leverpercussieveld verkleind of afwezig)
5. Rectaal onderzoek (lebmaag te voelen)

158

Hoe onderzoek je de buikholte?

1. Inspectie (omvang en vorm)
2. Palpatie (defence musculaire, deformiteiten, undulatie)
3. Ausculatatie (borborygmi beluisteren en beoordelen: frequentie, toonhoogte, aard)
4. Percussie (grootte van leverveld, pijnlijkheid)
5. Rectaal onderzoek (anaalsfincter, genitaalapparaat: beide uterushoornen en ovaria, linker nier (eventueel ureter, blaas), pens, darmen, lnn iliofemorales, rechter buikwand, aorta, bekkenbeenderen (lever, gediscoleerde lebmaag)

159

Geef een reden waarom het verteringsproces van herkauwers sterk verschilt van andere dieren.

Amylase, dat in de pancreas wordt gesynthetiseerd, kan alleen de alfa-glycosidische bindingen van zetmeel afbreken en niet de bèta-glycosidische bindingen die veel in cellulose aanwezig zijn. Cellulolytische bacteriën in de pens kunnen deze bèta-glycosidische verbindingen wel verbreken, waarodor de glucose monomeren beschikbaar komen voor de bacteriën en protozoën in de pens.

160

Noem de belangrijkste eindproducten van de pensfermentatie.

- CO2
- H2
- CH4
- Acetaat
- Propionaat
- Butyraat

161

Wat is de energiebron voor de herkauwer?

De vluchtige vetzuren.

162

Wanneer doe je onderzoek van de pensinhoud?

Het onderzoek van de pensinhoud wordt slechts dan gedaan wanneer er vanuit de anamnese bij meerdere koeien in een koppel storingen in de pensfermentatie verwacht worden.

163

Waar kan de koe propionaat voor gebruiken?

Voor gluconeogenese

164

Waar kan de koe acetaat en butyraat voor gebruiken?

Voor de synthese van melkvet en voor de energievoorziening van weefsels.

165

Hoe neem je een monster van de pensinhoud?

Voor het pensvloeistofonderzoek moet met behulp van een slokdarmsonde een monster van de pensinhoud genomen worden. Laat de eerste 100 tot 200 ml pensvloeistof weglopen. De pH hiervan is te hoog door verontreiniging met speeksel en slijm uit de oesophagus. Het monster moet meteen worden beoordeeld. Om het monster langere tijd goed te houden is het belangrijk om het direct bij 40oC te plaatsen. Het liefst in een atmosfeer van 100% CO2. Ook is het mogelijk om een monster te nemen door middel van een penspunctie. Ventro-lateraal kan met een naald wat vloeistof worden afgenomen. Er is wel een klein risico op het ontstaan van een peritonitis en het volume van dit monster is beperkt ten opzichte van monsteropname met een slokdamrsonde. Toch kan van dit monster prima de pH worden bepaald en de hoeveelheid en beweeglijkheid van de pensprotozoën worden bekeken.

166

Hoe bepaal je de pH van de pensinhoud?

De pH van de pensvloeistof kan bepaald worden met eenvoudig pH papier. Meting met een pH meter is ook mogelijk. Plaats dan direct na de monsteropname in een klein pensvloeistofmonster de electrode van een geijkte pH meter en lees de pH af; denk aan de temperatuurinstelling van de pH meter.

167

Wat is de normale zuurgraad van pensvloeistof?

Deze varieert van pH 5,5 tot 6,8.

168

Wat gebeurt er met de pH bij koolhydraatrijke voeding?

Bij een koolhydraatrijke voeding kan de pH dalen tot 5,5. Wanneer de pH lager is dan 5,5 is er sprake van pensacidose. Bij subacute pensacidose daalt de pH periodiek onder de 5,5. Ook kan de pH op verschillende plekken in de pens verschillen. Bij verdenking van subacute pensacidose in de koppel kan van 12 dieren een pensmonster worden genomen. Voor een bevestiging van de diagnose moeten 3 van de monsters een pH waarde lager dan 5,5 hebben.

169

Wanneer vindt je te hoge pH waarden van de pensvloeistof?

Bij speekselbijmenging, ondervoeding, ammoniak intoxicatie en rijke eiwitvoedering.

170

Waarom doen we microscopisch onderzoek van pensvloeistof en hoe doe je dit?

Om een indruk te krijgen van de soorten rijkdom en beweeglijkheid van de pensfauna kan de pensvloeistof onder een microscoop worden bekeken. Een preparaat is te maken door met behulp van een pasteurse pipen een monster van het sediment te nemen en hiervan een druppel op een objectglaasje te pipeteren. Dek dit af met een dekglaasje. Onder een vergroting van 10X40 kunnen het aantal en de beweeglijkheid van de protozoën worden beoordeeld. Meerdere actieve protozoën moeten zichtbaar zijn. Wanneer er sprake is van pensverzuring zullen er niet of nauwelijks bewegende protozoën aanwezig zijn.

171

Waarom doe je vergistingsproeven?

Niet zozeer voor diagnostiek, maar wel om inzicht te krijgen in de mate van gasvorming tijdens fermentatie, kunnen verschillende vergistingsproeven worden gedaan. Voorbeelden zijn de sedimentatie en flotatie en de glucose-vergisting.

172

Wat is flotatie?

De gassen die tijdens de fermentatie ontstaan, zullen voor een deel in de pensvloeistof oplossen. Maar zodra de vloeistof verzadigd is met opgelost gas, zal de rest als vrij gas uit de vloeistof ontsnappen. De gasmoleculen hechten zich aan de aanwezige voedseldeeltjes, zoals stukjes gras. Dit heeft tot gevolg dat deze voedseldeeltjes een relatief laag soortelijk gewicht krijgen en dus vanuit de vloeistof boven komen drijven. Dit verschijnsel noemen we flotatie. Het gas wordt vervolgens afgegeven aan de omgeving.

173

Hoe voer je sedimentatie en flotatie uit?

Dit is een vergistingsproef. Breng hiervoor 50 ml van het monster, na zéér goed mengen, over in een 100 ml maatcylinder. Sluit de cylinder af met een wattenprop en plaats de cylinder in een broedstoof van 40oC. Bepaal de tijd die nodig is voor duidelijke sedimentatie en flotatie. Er moet na ca. 30 min een duidelijke scheiding te zien zijn. Is dit niet het geval dan is de pensflora en fauna in slechte conditie: meestal zijn de protozoën dood.

174

Hoe lees je het resultaat bij een goede conditie pensflora en -fauna bij sedimentatie en flotatie?

Wit sediment: Protozoën
Tussenlaag: Pensvloeistof met bacteriën
Bovendrijvende massa: Gestructureerd voedsel met aangehechte bacteriën

175

Hoe doe je een glucose-vergistingsproef?

Dit is een vergistingsproef. In een saccharometer volgens Einhorn kan de afbraak van glucose onder invloed van de pensvloeistof gevolgd worden door de in een bepaalde tijd ontstane hoeveelheid gas te meten. Breng hiervoor 0,5 ml van een 0,9M glucose-oplossing in een saccharometer (0,9M = 16 gram glucose opgelost in 100ml water). De rest wordt vervolgens aangevuld met pensvloeistof met zoweinig mogelijk voedselpartikels (vanuit de heldere tussenlaag na sedimentatie en flotatie). Zorg ervoor dat zich in het afgesloten been van de saccharometer geen luchtbelletjes bevinden. Na incubatie van 30, 60 en 90 minuten in een broedstoof van 40oC kan de vrijgekomen hoeveelheid gas worden afgelezen.

176

Hoe doe je een bepaling van vluchtige vetzuren?

De belangrijkste vluchtige vetzuren in de pens zijn azijnzuur, propionzuur en boterzuur. De totale hoeveelheid van deze zuren in de pens en hun onderlinge verhouding wordt gebruikt als maatstaaf voor de activiteit van de microörganismen en dus voor de kwaliteit van de pensvloeistof en/of het voer. Voor de bepaling van het totaal aan vluchtige vetzuren wordt de pensvloeistof eerst aangezuurd om de vetzuren in de ongedissocieerde vorm om te zetten. (In de zouvorm zijn ze immers niet vluchtig). Pensvloeistof kan na aanzuren gaschromatografisch worden geanalyseerd, waarbij de vluchtige vetzuren van elkaar worden gescheiden en voor elk van die vetzuren de procentuele bijdrage aan het totaal van de vluchtige vetzuren wordt vastgesteld.