Practicum 5 - B Flashcards Preview

Digestie > Practicum 5 - B > Flashcards

Flashcards in Practicum 5 - B Deck (33):
1

Ander woord voor voorste deel van de maag

Pars proventricularis.

2

Wat voor epitheel vind je bij het pars proventricularis bij het varken en waar zorgt dit voor?

Bij varkens en eenhoevigen vinden we rond de uitmonding van de oesophagus in de maag een gebied met cutaan slijmvlies en geen intestinaal slijmvlies zoals bij de meeste diersoorten het geval is. In dit cutane gebied bevinden zich geen klieren. In feite is het pars proventricularis de enige plaats van de tractus waar cutaan slijmvlies in constant contact komt met het zure milieu van de kliermaag. Waarschijnlijk is dit mede een oorzaak van het bij het varken regelmatig in dit gebied optreden van ulcera, die vaak tot ernstig bloedverlies kunnen leiden (white pig disease)

3

Wat is white pig disease?

Dit is ernstig bloedverlies bij biggen, vaak door ulcera

4

Welke overgang kun je in de maag bij varkens vingen?

Een abrupte overgang van klierrijk slijmvlies met eenlagig cylindrisch epitheel naar dik meerlagig epitheel met blazige cellen

5

Hoe zit het klierrijke gedeelte van de maag in elkaar bij varkens (en enkelvoudige magen)

Eerst een gebied met slijmproducerende klieren, dan ee ngebied met zuur en pepsine producerende fundusklieren en tenslotte bij de pyloris weer slijmproducerende klieren

6

Wat voor maag is de maag van een geit?

Een samengestelde maag met meervoudig lumen.

7

Wat zie je in de wand van het rumen van de geit?

Duidelijke vingervormige uitstulpingen (pensvlokken of papillae).

8

Wat voor epitheel heeft het rumen?

Het epitheel van het rumen is gekeratiniseerd, meerlagig plaveisel epigheel.

9

Hie ziet de opbouw van de wand van het rumen eruit?

Gekeratiniseerd, meerlagig plaveisel epitheel. De lamina muscularis mucosae ontbreekt geheel. De lamina propria en tunica submucosa zijn alleen te onderscheiden op grond van de iets lossere structuur van de laatste. De tunica submucosa loopt door in de vlokken en bevat veel bloedvaten (rol bij opname vluchtige vetzuren) en is klierloos.

10

Wat zie je in de uitstulpingen van het reticulum?

Nabij de rand van de uitstulpingen komt een bundel gladde spiercellen voor (de spierwrong). De spiercellen zijn in de lengterichting van de lijsten georiënteerd. De spierwrong is op te vatten als een zeer sterke discontinue lamina muscularis mucosae

11

Hoe ziet de opbouw van de wand van het reticulum eruit.

De tunica submucosa, tunica muscularis en tunica serosa vertonen hetzelfde uiterlijk als het rumen. Uitstulpingen zijn netvormig. Spierwrong is aanwezig als discontinue lamina muscularis mucosae.. Er zitten geen klieren in de tunica submucosa.

12

Hoe ziet het binnenoppervlak van het omasum eruit?

Het binnenoppervlak van het omasum is geheel klierloos en vertoont een groot aantal bladvormige plooien of bladen van verschillende lengte. Naar gelang de lengte spreken we van bladen van de eerste t/m de vierde orde.

13

Wat voor epitheel heeft het omasum?

Het epitheel van de bladen is licht verhoornd, meerlagig plaveiselepitheel.

14

Wat vindt je in de bladen van het omasum?

In de bladen vinden we een lamina propria en glad spierweefsel. In de bladen van de eerste orde bestaat het spierweefsel uit drie lagen; de buitenste ervan bestaat uit lamina muscularis mucosae terwijl de centrale laag continu is met de binnenste circulaire laag van de tunica musculari. In de kortere bladen vinden we alleen spierweefsel van de lamina muscularis mucosae.

15

Is er een tunica submucosa in het omasum?

De tunica submucosa is beperkt tot een uiterst dun laagje, vaak niet meer dan een scheidingslijn tussen de spierlagen.

16

Wat valt op als je kijkt naar de diktes van de beide spierlagen van de tunica muscularis in het omasum?

De circulaire spierlaag is veel dikker dan de longitudinale spierlaag.

17

Wat voor epitheel heeft de fundus van een hond?

Eenlagig cilindrisch epitheel.

18

Wat voor instulpingen vindt je in de tunica mucosa van de enkelvoudige maagwand in de fundus?

De zogenaamde foveolae gastricae. Op de bodem van de foveolae monden de tubulaire fundusklieren uit die diep in de lamina propria doordringen. In feite is de lamina propria zo rijk aan klieren, dat het eigen bindweefselkarakter van de laag nauwelijks meer waarneembaar is.

19

Met wat voor epitheel zijn de foveolae bekleed?

Met een hoogcilindrisch epitheel van mucoid-producerende cellen, de slijmnapcellen, die uitsluitend in de maag gevonden worden. De vrij kleine kern ligt geheel basaal in deze cellen en het mucoïd hoopt zich in de apicale delen van de cellen op.

20

In welke kleuringen herken je slijmnapcellen goed?

Bij HE kleurt het mucoïd niet aan en zie je een lege blaas in de top van de cellen. Bij PAS zie je ze wel heel goed.

21

Waarmee zijn de foveolae bedekt?

Met zlijm. Het is niet moeilijk om hierin een bescherming tegen de continue inwerking van het sterk zure maagsap te zien.

22

Wat zie je nabij de bodem van de foveolae?

Het epitheel wordt geleidelijk lager en aan de uitmonding van de klier bestaat het uit kleine kubische cellen. Hier vinden we de proliferatiezone van waaruit de aanmaak van nieuwe epitheelcellen wordt verzorgd. Hier kun je mitosefiguren aantreffen.

23

Welke vier cellen kun je vinden in de klierbuis van de fundus?

1. Parietaal cel
2. Hoofdcel
3. Halscel
4. Hormoonproducerende G-cellen

24

Beschrijf de parietale cel van de fundus.

In het HE beeld vallen vooral de sterk eosinofiele parietale cel (ook wandcel) vooral op die verantwoordelijk is voor de productie van het zoutzuur. De parietaalcellen komen over de gehele lengte van de klierbuis voor. Ze pu9ilen aan de zijde van de basaalmembraan uit waardoor de klierbuis aan de buitenzijde een min of meer bobbelig uiterlijk krijgt.

25

Beschrijf de hoofdcel van de fundus.

Deze worden ook wel zymogene cellen genoemd en kun je in HE herkennen. Hoofdcellen zijn enzymproducenten (pepsinogeen) en hebben dus een vrij sterk basofiel cytoplasma, dat wat vlokkig van structuur lijkt. De kern is relatief klein en rond en ligt min of meer centraal in de cel. Hoofdcellen vinden we vooral in de basale helft van de klierbuis.

26

Beschrijf de halscellen van de fundus.

In de apicale helft van de klierbuis vinden we de halscellen (muceuze nekcellen). Dit zijn ook slijmproducenten. Ze hebben een basaal geplaatste kern die in sterk met secreet gevulde cellen soms afgeplat is. Doordat het cytoplasma zich door deze sterke vulling met mucoïd in het HE beeld niet heeft gekleurd, zijn deze cellen moeilijk waar te nemen.

27

Beschrijf de hormoonproducerende G-cellen van de fundus.

Deze cellen kom je langs de klierbuis van de fundus tegen, maar ook op vele plaatsen elders in het darmkanaal. Deze cellen behoren tot het A.P.U.D.-systeem (Amine Precursor Uptake and Decarboxylation). Ze zijn echter alleen op basis van hun affiniteit voor zilver en chroomzouten met speciale kleuringen zichtbaar te maken.

28

Wat vindt je in de fundus onder de lamina propria?

Een dikke lamina muscularis mucosae. Zij bestaat uit een uitwendige longitudinale en een inwendige circulaire laag. Op diverse plaatsen zien we vanuit de lamina muscularis mucosae bundeltjes spiervezels tussen de klierbuizen in de lamina propria dringen

29

Waaruit bestaat de t. submucosa in de fundus?

Zoals gewoonlijk uit losmazig collageen bindweefsel met veel bloedvaten

30

Beschrijf de t. muscularis van de fundus.

Deze is verhoudingsgewijs dik. Vooral de inwendige circulaire laag is sterk ontwikkeld.

31

Met welke kleuring kun je slijm in de fundus goed zien?

Met een PAS kleuring

32

Wat maakt maagslijm anders dan darmslijm?

Het wordt gecodeerd door andere genen. Maagslijm is naar verhouding slecht bestand tegen gal terwijl darmslijm juist weer meer diffusie toelaat van nutriënten naar het absorberende oppervlak.

33

Wat voor kleuring is PAS?

Perjoodzuur-Schiffs: histiochemische kleuring voor macromoleculaire koolhydraten.