Practicum 7 - C Flashcards Preview

Digestie > Practicum 7 - C > Flashcards

Flashcards in Practicum 7 - C Deck (36):
1

Beschrijf globaal de histologische opbouw van de dunne- en dikke darmwand. Benoem de morfologische en functionele verschillen.

De dunne darmwand en de dikke darmwand bestaan beide uit intestinaal epitheel. Dit wil zeggen dat een een eenlagig cylindrisch epitheel ligt wat zorgt voormakkelijke secretie en absorptie. De villi van de dunne darm zijn mucosale projecties. Het epitheel bevat veel gobletcellen, afgewisseld door cilindrische absorptieve cellen. De dunne darm bevat intestinale klieren (crypten van Lieberkühn) die door de mucosa tot aan de lamina muscularis reiken. De lamina muscularis mucosa plooit dus wel mee met de crypten, maar niet met de villi. Een villus bestaat slechts uit het epitheel met de lamina propria. Paneth cellen zitten aan de basis van de crypt. Ook enteroendocriene cellen zijn aanwezig. In de tela submucosa vindt je de tubuloalveoilaire submucosale klier (Brunnerse klier). Ook Peyerse platen en solitaire lymfefollikels kunnen worden gevonden. De tunica muscularis bevat weer een binnenste circulaire en een buitenste longitudinale laag. De tunica serosa bestaat uit losmazig bindweefsel omgeven door mesothelium.
De dikke darm heeft een gelijkwaardige opbouw, maar mist de villi. Ook zijn de enterocyten van de dikke darm gespecialiseerd in de absorptie van water, vitaminen en elektrolyten.

2

Benoem de morfologische en functionele verschillen tussen het crypte- en vlokepitheel in de dunne darm.

Vlokepitheel heeft een absorptieve werking. Bovenin de vlok vindt je vooral heel veel enterocyten met daar tussenin slijmbekercellen. Vanaf halverwege de crypt vindt je entero-endocriene cellen die de darmhormonen produceren. Stamcellen zitten in de hals van de crypt en onderin de crypt liggen paneth cellen die een rol spelen bij de afweer.

3

Hoe varieert de frequentie van het voorkomen van slijmbekercellen als we het traject van maag tot rectum volgen?

In de maag vinden we helemaal geen Goblet cellen. Hier zorgen hele andere cellen voor het slijm, namelijk muceuze nekcellen. In de dunne darm vinden we al wat goblet cellen, maar in de dikke darm vinden we de meeste goblet cellen (tot aan het rectum).

4

In welk gebied vindt normaal de regeneratie van het dunne- en dikkedarmepitheel plaats?

Vanuit de hals van de crypt. Daar bevinden zich de stamscellen.

5

Beschrijf het algemeen morfologisch reactiepatroon van het dunne-darmslijmvlies.

1. Toegenomen productie en afscheiding van slijm (mucinen) door een toegenomen aantal slijmbekercellen (hyperplasie)

2. Regressieve veranderingen (vlokatrofie, degeneratie, necrose) van het darmepitheel (oppervlakte- en crypte-epitheel) en de lamina propria gepaard gaande met erosies, ulcera en/of verdikking, vergroeiing en verkorting van de villi

3/ Toegenomen of afgenomen proliferatie van het crypte-epitheel. (verhoogde of verlaagde mitose-index)

4/ Ontstekingsreactie in lamina propria

6

Benoem de verschillende vormen van dunne-darmontsteking.

1. Catarrale enteritis
2. Eosinofiele enteritis
3. Purulente enteritis
4. Lymfoplasmacellulaire enteritis
5. Lymfoïde hyperplasie
6. Hemorragische enteritis
7. Fibronecrotische enteritis
8. Bouton
9. Fibrineuze enteritis
10. Chronische enteritis

7

Beschrijf de catarrale enteritis

Meestal acuut, hyperemie, sereus exsudaat, exsudaat hoopt zich eerst op in lamina propria en bestaat uit oedeemvocht en enkele ontstekingscellen (vooral pmk’s). Op langere termijn: vermeerderde slijmproductie met hypeplasie van de slijmbnekercellen. Door histologie onderscheiden van andere oorzaken van hyperemie

8

Beschrijf de eosinofiele enteritis.

Bij allergische reacties en parasitaire infecties zijn er veel eosinofielen.

9

Beschrijf de purulente enteritis

Veel neutrofielen treden uit, door necrose ten gevolge van degranulatie van de neutrofielen kunnen erosies optreden.

10

Beschrijf de lymfoplasmacellulaire enteritis.

Als enteritis al wat langer bestaat, kan het celinfiltraat vooral bestaan uit lymfocyten en plasmacellen. Zien we vooral bij de hond.

11

Beschrijf de lymfoïde hyperplasie

Hyperplasie van solitaire follikels en/of Peyerse platen.

12

Beschrijf de hemorragische enteritis.

In de mucosa meer of minder uitgebreide bloedingen. Erytrocyten komen in darmlumen, worden gedeeltelijk verteerd. Ontlasting roodbruine tot zwarte kleur (melaena) en wee:ige geur. Karakteristiek voor parvovirusenteritis bij de hond.

13

Beschrijf de fibronecrotische enteritis

Ook wel pseudomembraneuze enteritis. Op de mucosa ligt een dof en droog beslag: pseudomembraan bestaande uit fibrine met necrotisch debris (geelgrijs tot bruin of groen). Membraan is moeilijk te verwijderen omdat necrose onder de fibrine nog vast zit aan vitale lagen. Begint vaak bij solitaire follikels en Peyerse platen waar M-cellen (salmonella of varkenspest) actief opnemen.

14

Beschrijf de bouton

Lokale fibrinonecrotische enteritis. Ronde verhevenheid met concentrisch gelaagde bouw, in darmwand necrosehaardje en exsudaat met necrotisch debris hoopt zich op.

15

Beschrijf de fibrineuze enteritis

Pseudomembraan bestaat alleen uit fibrine. Membraan ligt los op de (intacte) mucosa. Wordt gezien bij Salmonella dublin bij rund.

16

Beschrijf de chronische enteritis

Vaak verdikking slijmvlies agv toename lymfocyten en plasmacellen in lamina propria, mogelijk in combinatie met histiocyten, bindweefselvorming en hyperplasie van crypte-epitheel. Zwelling kan verergeren door hyperplasie van lymfoïde weefsel en door hypertrofie van spierlaag. Oppervlakte mucosa is gegranuleerd of geplooid, maar kan ook gld zijn. Meestal is slijmproductie (sterk) verhoogd. Vaak ook erosies en ulcera. Bij voortschrijdende ontsteking: verdikte slijmvlies gaat verdunnen door verminderde proliferatie van aangetaste crypte-epitheel en door bindweefselretractie. Voorbeelden: tuberculose en paratuberculose bij herkauwer, proliferatieve enteropathie door Lawsonia intracellulairs bij varken en veulen

17

Waardoor kenmerkt het duodenum zich microscopisch?

Door de aanwezigheid van de zogenaamde duodenumklieren, of klieren van Brunner, in de submucosa. Deze klieren monden uit op de bodem van de crypten of aan de basis van de villi. Het secreet van deze klieren is alkalisch en bevat hoofdzakelijk slijm (muceus secreet met veel bicarbonaat ter neutralisatie van de zure maaginhoud).

18

Wat voor epiteel heeft het duodenum?

Het epitheel van het duodenum is cylindrisch en draagt microvilli. Tussen de epitheelcellen liggen slijmbekercellen, die in een AZAN kleuring grijs afsteken tegen de epitheelcellen.

19

Waar kun je de lamina muscularis mucosa vinden in het duodenum?

De lamina muscularis mucosae is als een aaneengesloten laagje direct onder de uiteinden van de crypten van Lieberkühn aanwezig. Hier en daar kun je zien dat deze laag net als de tunica muscularis bestaat uit een binnenste circulaire laag en een buitenste longitudinale laag van glad spierweefsel.

20

Waar zie je bij het varken de muceuze klieren van Brunner?

In de eerste vier meter van de dunne darm in de tunica submucosa.

21

Wat vindt je onder de brunnerse klieren?

Nog steeds in de tunica submucosa vind je dan de plexus submucosus (plexus van Meissner).

22

Welke plexus vindt je tussen de twee spierlagen van de tunica muscularis?

De plexus myentericus of plexus van Auerbach.

23

Welke enzym is belangrijk voor de activering van pro-enzymen?

Het enzym enteropeptidase. Deze zit verankerd aan de microvilli van de enterocyten van het duodenum en het begin van het jejunum en activeert de pro-enzymen die door de pancreas worden uitgescheiden.

24

Wat betekent het als de Brunnerse klieren ontweken?

Darmdeel ligt distaal van de uitmonding van de ductus pancreaticus.

25

Wanneer is een darm in de lengterichting doorgesneden en wanneer in de dwarsrichting?

De darm is dwars doorgesneden als de longitudinale spierlaag (buitenste) als stipjes te zien is en niet als streepjes.

26

Wat is methotrexaat?

Een in de tumortherapie veel gebruikt cytostaticum. Methotrexaat is een stof die, concentratieafhankelijk, de synthese van DNA, RNA en eiwitten remt.

27

Verschillen die opvallen bij het gebruik van methotrexaat

De villi zijn veel korter. De cellen zijn denser en minder lang gerekt. De hoeveelheid slijmbekercellen is afgenomen. Er zijn veel minder celdelingsfiguren zichtbaar in de crypten. Aan de bovenkant verliezen de enterocyten helemaal hun normale vorm. Hier en daar zijn erosies en ulceraties te zien ten gevolge van atrofie van de epitheelcellen.

28

Welk probleem doet zich bij histologisch onderzoek van darmweefsel voor?

Het naar het darmlumen gekeerde epitheel valt ten prooi aan de spijsverteringsenzymen. De proteasen en (fosfo)-lipasen worden geholpen door de lytische werking van afgesplitste vetzuren op de celmembraan. In het levende dier worden deze vetzuren in het epitheel opgenomen en in een energie afhankelijk proces veresterd tot voor de membranen ongevaarlijke triglyceriden. Bij de bewerking van sectiemateriaal voor histologische doeleinden kunnen zelden voldoende maatregelen worden genomen om post-mortem autolyse geheel te voorkomen en men dient de hierdoor veroorzaakte schade goed te onderscheiden van de schade die het gevolg is van een ziekte proces. Post-mortem autolyse is maximaal en neemt af in distale richting.

29

Wat ontbreekt er in het jejunum van het varken wat wel aanwezig was in het duodenum?

De Brunnerse klieren.

30

Geef verschillen tussen het jejunum en duodenum.

Villi zijn in het jejunum langer en slanker en daardoor duidelijker. Op de top van de villus komt soms een centraal lymfevat of chylus voor. Dit is van belang voor de afvoer van de door het epitheel opgenomen vetzuur in de vorm van zogenaamde chylomicronen. Deze triacylglycerol bevattende emulsie ziet er bij sectie melkachtig uit, vandaar in het engels lacteals. In de villi zie je een aantal in de lengterichtign verlopende individuele gladde spiercellen. Deze verzorgen het periodiek in- en uitstulpen en de zwaaiende bewegingen van de villi in de darminhoud.

31

Wat kun je goed zien in het ileum?

Het lymfatisch weefsel van de dunne darm. Complexen van lymfefollikels zijn de Peyerse platen. Deze zijn ook macroscopisch zichtbaar. We zien ze dan als grijsachtige verdikkingen aan de buitenzijde van de darm, vooral aan de zijde tegenover de plaats waar het mesenterium is gehecht.

32

Waar kun je de lymfefollikels vinden in het microscopisch ileum?

In de tunica submucosa, maar soms kun je ook lymfefollikels aantreffen die zich tot in de tunica mucosa uitstrekken en dan nog slechts door een dunne laag gemodificeerde epitheelcellen gescheiden zijn van het darmlumen.

33

Hoe ziet het ileum eruit?

Villi zijn lang en slank met duidelijke lymfevaten. De crypten zijn relatief kort en bevatten veel slijmbekercellen.

34

Welke mechanismen kunnen diarree bij huisdieren veroorzaken?

- Secretoire diarree (malsecretie, secretiebevorderende
- Motiliteitsdiarree
- Osmotische diarree

35

Noem een verschil in villi van het jejunum in vergelijking met villi van het duodenum.

Villi in het jejunum zijn lager.

36

Welke speciale structuur kun je in het ileum vinden?

Peyerse platen