PS thema 4 Flashcards Preview

thema 4 > PS thema 4 > Flashcards

Flashcards in PS thema 4 Deck (55):
1

Waar staat het biopsychosociaal paradigma voor?

Biologisch;
Psychologisch;
Sociaal

2

Wat staat biologisch voor in het biopsychosociaal paradigma?

biologische structuren zoals cellen, organen, botten, spieren, zenuwen.
biologische processen

3

Waar staat psychologisch voor in het biopsychosociaal paradigma?

innerlijke
gedrag

4

Waar staat sociaal voor in het biopsychosociaal paradigma?

sociale omgeving
omstandigheden

5

Wat is de definitie van cognitie?

Het proces van bewuste gedachte. Het denken, nadenken kunnen over..
Het bouwen van een kennisband via handelen en waarnemingen.
Een continue proces van filtering van stimuli die leidt tot perceptie en interpretatie en zo ons in staat stelt onze eigen waarheid te creëren.

6

Welke twee vormen van waarneembaar gedrag zijn er?

cognitief gedrag en geconditioneerd gedrag

7

in welke vier vormen uit geconditioneerd gedrag zich?

omgeving,
bekrachtiging,
appraisal,
controle

8

In welke vier vormen uit cognitief gedrag zich?

waarden,
cultuur,
persoonlijkheid,
motivatie

9

Het ABC model van de menselijke emotie

A: activerende gebeurtenis
B: beschouwing (cognitie)
C: consequentie in
- emotie
- gedrag

10

motivationeel gedrag

gedrag dat we laten zien om een bepaalde reden

11

motivationele gerichtheid

het hebben van een doel en zich in gedrag en handelen daarop te richten
- egogericht doelen
- taakgericht doelen

12

motivationele gerichtheid
taakgerichte doelen:

het verkrijgen en tonen van vaardigheden. men krijgt iets onder de knie
het doel dit in de handeling zelf --> intrinsiek
vermogen tot leren

13

Motivationele gerichtheid
egogericht doelen:

men toont dat men kan winnen van een ander. De handeling is niet het doel maar de uitkomst ongeacht de getoonde inzet.
Leren is niet noodzakelijk of gewenst.

14

geconditioneerd gedrag
klassieke conditionering

het associëren van twee gebeurtenissen

15

geconditioneerd gedrag
operante conditionering

consequentie van stimulus op respons
- belonen/bekrachtingen van gedrag
- uitlokken van gewenst gedrag

16

klimaat bij gedrag en cognitie

omgeving of context waarin gericht wordt gestimuleerd of geremd.

17

klimaat taakgericht

Taak of advies is het doel.
Intrinsiek motiverend
- Interesse in taak of activiteit
- Genieten van taak of activiteit
positieve gevoelens over iets onder de knie krijgen

18

klimaat egogericht

Krachtmeting met een ander of jezelf.
Taak of activiteit is niet het doel maar het verslaan.
Voorspeller van druk en spanning.
Mogelijk ontwijkend gedrag, therapie ontrouw

19

Welke twee vormen van bekrachtiging heb je?

intrinsieke en extrinsieke bekrachtiging

20

wat wordt er bedoeld met intrinsieke bekrachtiging?

doo bijv. propriocepcis

21

Wat wordt er bedoeld met extrinsieke bekrachtiging?

aanleren beweging door fysiotherapeut

22

Wat betekent appraisal?

appraisal is het (automatisch, onbewust) evalueren van een gebeurtenis, incl. de oorzaak van die gebeurtenis en de gevolgen van het zelf.

23

Welke twee appraisals zijn belangrijk bij het beïnvloeden van emotie?

- Onze appraisal van de positieve of negatieve implicaties van de gebeurtenis voor jezelf
- onze appraisal van wat de gebeurtenis veroorzaakte of controleerde

deze appraisals zijn flexibel en kunnen veranderen over situaties heen.

appraislas zijn puur persoonlijk en niet perse de waarheid.

24

Waar leiden appraisals tot?

Onze appraisals leiden niet allen tot emotie, maar ook tot gedragsreacties zoals lachen, fronsen en vluchten. Verder hebben emoties invloed op ons denken. Al deze reacties worden vaak tegelijk geactiveerd, waardoor ze met elkaar geassocieerd raken. Als gevolg daarvan is het activeren van een aspect voldoende om alle andere reacties ook te activeren. Bijvoorbeeld, een lach imiteren zorgt ervoor dat je je blij voelt.

25

Wat is de aard van de controle bij intrinsieke controle?

duurzaam gedrag

26

Wat is de aard van controle bij extrinsieke controle?

gewenst gedrag

27

Noem vier kenmerken die vallen onder van zelf-controle

- controlerende factoren in 'het zelf'
- proces staat onder controle van 'het zelf'
- autonoom gedrag
- self efficacy

28

Welke twee kenmerken die vallen onder zelf regulatie

- onder invloed van denkprocessen
- Proces speelt zich in 'het zelf' af

29

Geef een definitie van coping

coping verwijst naar cognitieve en gedragsmatige strategieën die mensen gebruiken om met probleemsituaties om te gaan

pogingen in denken en doen om het hoofd te bieden aan interne en externe omstandigheden waarvan men meent dat die de belastbaarheid dreigen te overschrijden

coping is een manier waarop iemand zowel gedragsmatig, cognitief als emotioneel op aanpassingen vereisende omstandigheden reageert

onder coping verstaan we het voortdurend ondernemen van cognitieve en gedragsinspanningen om aan de eisen van de buitenwereld tegemoet te komen, of eigenlijk aan de eisen die men aan zichzelf stelt.

coping is de wijze waarop we als mensen opgaan met problemen in onze omgeving. Of deze problemen nu ontstaan in een ontspannen of stressvolle situatie is eigenlijk niet van belang, het gaat om het gedrag voortkomend uit een door probleemsituaties.

30

"Oplossen van het probleem en het herkrijgen van controle over het probleem"
Hoe wordt dit ook wel genoemd?

Probleemgeorienteerde gedragsmatige coping

31

"Patiënt kijkt anders tegen problemen aan, hier valt het herademen of herwaarderen van het probleem onder." Hoe wordt dit ook wel genoemd?

Probleemgeorienteerde cognitieve coping

32

"Spanning afleidende activiteiten verzachten de negatieve emoties (nagelbijten, roken, drank, etc.) Ongunstig bij langlopende steiloren omdat de patient niets doet aan het reduceren van de stressor."
Hoe wordt dit ook wel genoemd?

Emotioneel georiënteerde gedragsmatige coping

33

"Praten en uiten van emoties kunnen de arousal verminderen. Ook emotionele inhibitie, repressie, defensieve vermijding en ontkenning kunnen leiden tot meer afstand van het probleem."
Hoe wordt dit ook wel genoemd?

Emotioneel georiënteerde cognitieve coping

34

Welke drie functies van coping zijn er?

- Coping als defensie mechanisme
- Coping als persoonlijkheidskenmerk
- coping als interactioneel proces

35

Wat wordt er bedoelt met coping als defensie mechanisme?

Bescherming tegen interne spanningen door kleuring van de waarneming

36

Wat wordt er bedoelt met coping als persoonlijkheidskenmerk?

- Individuele benaderingswijze bij verschillende probleemsituaties
- Een copingstijl is een individuele voorkeur voor bepaalde combinaties copingvormen in verschillende situaties

37

Wat wordt er bedoelt met coping als interactioneel proces?

proces in de tijd tussen mens en zijn omgeving

38

Wat zijn de vijf kenmerken van de effectiviteit van coping?

- Een effectief probleemoplossend vermogen heeft een positieve invloed op de gezondheid
- Er is geen absolute effectieve norm
- Effectiviteit van coping gedrag alleen te meten binnen bepaalde context
- Persoonlijke eigenschappen spelen een rol
- Probleem en copingstrategie moeten bij elkaar passen.

39

Wat voor soort mensen zijn mensen die probleem-georienteerde gedragsmatige coping hebben?

zijn doeners, stropen de mouwen op. houden het probleem bij zichzelf en willen (en kunnen) zelf het probleem oplossen

40

Wat voor soort mensen zijn mensen die probleem-georienteerde cognitief coping hebben?

mensen die in staat zijn zichzelf in een andere context te plaatsen met betrekking tot hun probleem en hun situatie of omgaan met anderen. kan zelf het probleem niet oplossen.

41

Wat voor soort mensen zijn mensen die emotioneel-georienteerde gedragsmatige coping hebben?

kennen het probleem maar zien geen andere weg om dat in hun 'nerveuze' (negatieve emotie) gedrag te laten zien en kunnen zelf het probleem dus niet oplossen

42

Wat voor soort mensen zijn mensen die emotioneel-georienteerde cognitief coping hebben?

mensen die in staat zijn zichzelf in een andere situatie te plaatsten zodat hun probleem en hun situatie of omgang met anderen op de achtergrond verdwijnt. Kan zelf het probleem niet oplossen.

43

Wat betekend attributie?

het toeschrijven van een specifiek gevolg aan een bepaalde oorzaak

44

Noem de vier kenmerken van attributie

- Het toeschrijven naar fysieke ongemakken van een situatie (somatisatie)
- Het toekennen van al wat mogelijk is dat zou kunnen gebeuren aan een situatie (catastroferen)
- Toeschrijven van de klacht naar binnen (zichzelf) (internaliseren)
- Toeschrijven van de klacht buiten zichzelf (externaliseren)

45

Wat is somatisatie?

de beleving van een psychische toestand in de vorm van lichamelijke gewaarwordingen

46

Noem zes aanwijzingen van somatisatie

- Frequent doktersbezoek
- Ongerust over kleine kwalen
- Toeschrijven aan lichamelijke ziekte
- Aandringen op somatische aanpak
- Onbehagen bij de arts
- Aanwijzingen voor psychosociale problematiek

47

"In addition to being itself
and the cause of itself
is also the consequence of itself."
Beschrijf dit in korte steekwoorden.

(stress) stressor -->
stress -->
(stress) stress-reaction strain

48

Wat zijn life events?

levensgebeurtenissen

49

Wat zijn Hassles?

Dagelijkse beslommeringen

50

Noem een aantal life events

- overlijden van een dierbare
- scheiding of beëindigen van een relatie
- verhuizen
- baan verliezen
- geboorte
- van baan veranderen
- gaan studeren
- etc.

51

Noem 5 verschillende hassles

- Voortdurend dagelijkse spanningen sluipen er langzaam in
- door het oprekken van de draagkracht wordt de draaglast niet herkend
- het moment dat de balans omslaat wordt te laat herkend
- druk van de omgeving
- structurele onmogelijk om er zelf iets aan te doen

52

Wanneer is er sprake van stress?

- waargenomen discrepantie tussen de eisen van de omgeving en eigen mogelijkheden om daarmee om te gaan
- een grotere (ervaren) draaglast dan draagkracht

53

Pijn model (ei van Loeser) van groot naar klein

pijngedrag
pijnbeleving
pijngewaarwording
nociceptie

54

Kern van CMS (common sense model off illness) welke vragen stel je dan?

Wat ik heb?
Hoe lang gaat dit duren?
Wat zijn de consequenties?
Hoe kan ik het onder controle krijgen?
Wat is de oorzaak?

55

Waar staat SOLK voor?

Somatisch Onvoldoende verklaarde Lichamelijke Klachten (SOLK)