Taal hoofdstuk 1 Flashcards Preview

Kira Taal > Taal hoofdstuk 1 > Flashcards

Flashcards in Taal hoofdstuk 1 Deck (34):
0

4 domeinen van taal

- tussen gesproken taal en geschreven taal
Mondeling en schriftelijk
- tussen receptieve en productieve processen
Receptief is ontvangend, productief is vormend

Mondeling = spreken (productief), luisteren (receptief) ontwikkeld primair (als eerste)
Schriftelijk =schrijven (productief), lezen (receptief) ontwikkeld secundair (als tweede)

1

Communicatie

Zender, boodschap en ontvanger

Een boodschap wordt verdeelt in:
- zakelijk aspect
- appellerend aspect
- relationeel aspect
- expressief aspect

De ontvanger geeft FEEDBACK aan de zender.

2

Extralinguïstische middelen

Accenttekens, onderstrepingen en cursiveringen

3

Conceptualiserende functie

Je kunt de werkelijkheid vervangen in concepten die je weergeeft in taal.

4

Semantiek

De betekenis relatie van een woord

5

Polysemie

1 woord in verschillende contexten.
“Kop”
Krantenkop staat altijd bovenaan een artikel.
Op kop lopen (wedstrijd) vooraan of bovenaan lopen.

6

Homoniem

1 woord met meerdere betekenissen

Bank: is een meubel en een geldbank

7

Synoniem

Meerdere woorden met 1 betekenis.

(friet, patat/ mama, moeder)

8

Foneem

Taal die je uitspreekt
Betekenis onderscheidende spraakklank

/b/ /oo/ /m/
/b/ /oo/ /t/ als je 1 letter veranderd, veranderd ook de betekenis van het woord

9

Vocalen

Klinkers

10

Diftongen

Tweeklanken

11

Consonanten
Met

Medeklinkers

12

Fonologie
Foon = telefoon

Uitspraak

Spraakklank of fonemen

13

Morfologie

Opbouw van woorden

Samenstelling = minstens 2 vrije morfemen
Boek + kast

Afleiding = staat in het woordenboek

Verbuiging = verandering in grootte of hoeveelheid
Vulkanen, vulkaantje

Vervoeging = werkwoorden

14

Syntaxis
Zin

Opbouw van zinnen

Volgorde van woorden

Ontleden

15

Teksten

Opbouw en taalgebruik

16

Bilabialen

Woorden die met beide lippen worden gevormd

/p/, /b/, /m/ en /w/.

17

Labiodentalen

Woorden die met de onderlip en de boventanden worden gevormd

/f/ en /v/

18

Dentalen

Woorden die met de tongpunt en de achterzijde van de boventanden worden gevormd.

/t/, /d/, /s/, /z/, /l/, /r/ en /n/.

19

Palatalen

Woorden die met het tongblad en het harde gehemelde worden gevormd.

/tj/, /kj/, /sj/, /zj/, /j/ en /nj/

20

Velaren

Woorden die met het tongblad en de grens van het harde en zachte gehemelte worden gevormd.

/k/, /ch/, /g/ en /ng/.

21

Explosieve medeklinkers

Medeklinkers waarvan je de klank niet lang kunt aanhouden zoals:
/t/, /d/, /p/, /b/ en /k/.

22

Neusklanken

/m/, /n/ en /ng/

23

Glijders

/w/, /f/, /v/, /s/, /z/, /l/, /ch/ en /g/.

24

Stemloze glijder

/h/

25

Halfvocalen

/w/ en /j/.

26

Vrije morfeem

Het woord kan zelf voorkomen

Tuin, kast, boek

27

Gebonden morfeem

Woorddelen die niet zelfstandig als woord kunnen voorkomen

Tje, s, en

28

Fonologische component

Klanken

29

Semantische component

Betekenis van woorden en zinnen

30

Morfologische component

Opbouw van woorden

31

Grammaticale of syntactische component

Vorm van zinnen

32

Tekstuele component

Structuur van teksten

33

Orthografie

De schriftelijke weergave van taal/spelling