Taal hoofdstuk 4 Flashcards Preview

Kira Taal > Taal hoofdstuk 4 > Flashcards

Flashcards in Taal hoofdstuk 4 Deck (24):
1

passieve of receptieve woordenschat

woorden die we begrijpen

2

actieve of productieve woordenschat

woorden die we zelf gebruiken

3

enkelvoudige woorden
vrije morfemen

ze hebben een eigen basisvorm: brood, geluk, mobiel, dus en gaan

4

samenstellingen

woorden die bestaan uit delen die ook zelf al woord kunnen voorkomen: brood - rooster, tafel - poot

5

afleiding

woorden met een affix oftewel toevoeging: on - juist, pracht - ig, natuur - lijk

6

uitgangen volgens een vervoegingssysteem

werkwoorden: werk - t, ge - wandel - d.

7

uitgangen volgens een verbuigingssysteem

bijvoeglijke naamwoorden: mooi - e, leuk - st, onduidelijk - e
voornaamwoorden: ons - onze, dit - deze

8

concreet versus abstract

concreet: inhoud te koppelen aan een beeld
abstract: woorden moeten omschreven worden

9

letterlijk versus figuurlijk

letterlijk: wat er echt wordt gezegd
figuurlijk: "de jongen is zo sterk als een beer"

10

inhoudswoorden versus functiewoorden

inhoudswoorden: kun je betekenis opzoeken in het woordenboek
functiewoorden: signaalwoorden in een zin.

11

dagelijkse woorden

woorden die je dagelijks gebruikt

12

schooltaalwoorden

woorden die je op school gebruikt

13

vaktaalwoorden

kenniswoorden van vakken: oppervlakte, vulkaan en spijsvertering

14

connotaties (impliciete extra betekenissen)

verschillende woorden met dezelfde context.
mama, moeder, moeke en ma.

15

semantische informatie

wat het woord betekend

16

akoestische informatie

hoe het klinkt, waar het rijmt.

17

morfologische informatie

hoe het kan worden verbogen of vervoegd, en hoe er samenstellingen of afleidingen van gemaakt kunnen worden

18

syntactische informatie

hoe het wordt gebruikt in de zin

19

pragmatische informatie

in welke situaties het wordt gebruikt

20

orthografische informatie

hoe het geschreven wordt

21

mentale lexicon verbreden

meer nieuwe woorden leren
(sport: schaatsen, voetballen en golfen)

22

mentale lexicon verdiepen

meer betekenisverbindingen ontstaan
( sport: bridgen: bieden, sans, dummie en uitkomen)

23

consolidatie

woorden onthouden en inslijpen

24

viertakt

1. voorbewerken
2. aanbieden en semantiseren
3. consolideren
4. controleren