Taal hoofdstuk 7 Flashcards Preview

Kira Taal > Taal hoofdstuk 7 > Flashcards

Flashcards in Taal hoofdstuk 7 Deck (26):
1

spontane taalbeschouwing

taalgebruik wat de kinderen zelf produceren en willen weten wat het betekend.

2

impliciete taalbeschouwing

taalgebruik komt van de leerkracht.

3

expliciete aandacht

taalverschijnselen van de leerkracht aan de hand van een methode

4

zinsontleding, redekundig ontleding

syntactische functie van de zinsdelen wordt benoemd: onderwerp, gezegde, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en bepalingen.

5

woordbenoeming, taalkundig ontleding

de woordsoorten worden benoemd: lidwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord.

6

spraakkunst, grammatica

beschrijft hoe een taal in elkaar steekt en aan welke regels de taal zich houdt.

7

ABN

Algemeen Beschaafd Nederlands of Algemeen Nederlands

8

spontane en intentionele taalbeschouwing

1. observeren
2. oordeel over de beschouwde taal naar aanleiding van dit 'onderzoek' door middel van observatie

9

pragmatisch niveau

welke taal spreek je in welke situatie

10

fonologisch niveau

op het niveau van de uitspraak: spraakklanken, accent, intonatie, zinsmelodie

11

morfologisch niveau

kleinste vormelement van een taal met een grammaticale en/ of semantische functie.

12

gebonden morfemen

hoopt -t, jongens -s
deze t/s kunnen niet zelfstandig in de taal voorkomen.
semantische: de betekenis verandert van enkelvoud naar meervoud

13

vrije morfemen

woorden die wel zelfstandig kunnen voorkomen, maar je kan ze ook aan elkaar plakken (samenstellingen).

auto, stuur en hoes = autostuurhoes.

14

vervoegingen

altijd toegepast op werkwoordsvormen

loop + t

15

afleiding

een gebonden morfeem aan een bestaand woord geplakt.
snoes + ig = snoezig

16

verbuiging

overtreffende trap
goed, beter, best

17

syntactisch niveau

rangschikking van de woorden en woordgroepen in de zin bedoeld

18

semantisch niveau

gebied van de betekenis van taal

19

antoniem

tegenstellende betekenis
licht, zwaar
dalen, stijgen
dood, levend
vaak, soms
man, vrouw

20

synoniem

woord dat ongeveer hetzelfde betekend:

21

hyponiem

een woord waarvan de betekenis wordt gedekt door een ander woord met ruimere betekenis.
hen en haan = kip (hyponiem)

22

hyperoniem

kip (hyponiem) hen en haan zijn hyperoniemen

23

orthografisch niveau

is wat je op papier ziet: de manier waarop gesproken taal geschreven (of gedrukt) wordt.

24

homoniemen

zelfde uitspraak, andere betekenis, verschillende of zelfde schrijfwijze.
hart - hard, hij - hei, paart - paard

25

homofonen

woorden die hetzelfde klinken maar een verschillende betekenis hebben, en eventueel ook verschillend gespeld worden en tot verschillende woordsoorten behoren. persoonlijk voornaamwoord of zelfstandig naamwoord. kan ( vaatwerk of hulpww), kater (dier of hoofdpijn na alcohol)

26

homografen

woorden die op dezelfde manier gespeld worden, maar waarbij de klemtoon onderscheidend is voor de betekenis: voorkómen of vóórkomen.