TW5 A1 2015 Flashcards Preview

Thematische woordenschat > TW5 A1 2015 > Flashcards

Flashcards in TW5 A1 2015 Deck (63):
1

een appel is een soort …

fruit

2

sla is een …

groente

3

de friet (B) = …

de patat (NL)

4

frietjes worden gemaakt van = …

aardappelen

5

De bakker verkoopt …

brood/broodjes

6

Tijdens de speeltijd eten veel leerlingen vaak een …

koek/koekje

7

de jam = …

de confituur

8

Smeer jij … op je boterham?

boter

9

Cola bevat veel …

suiker

10

Mag ik extra veel … op mijn pizza?

kaas

11

de ham = …

de hesp

12

Een vegetariër eet geen …

vlees en vis

13

De … zegt kukelukuuk.

haan

14

Nemo is een …

vis

15

Een kip legt een …

ei

16

Wat zijn de tijden van KOKEN?

kookte, gekookt

17

… en dorst.

honger

18

Wat zijn de tijden van ETEN?

at, gegeten

19

Wat zijn de tijden van DRINKEN?

dronk, gedronken

20

vissen zwemmen in het …

het water

21

de witte vloeistof van de koe = …

de melk

22

bruine melk = …

de chocolademelk

23

een warme, zwarte drank die 's morgens drinkt = …

de koffie

24

goed van smaak = ...

lekker

25

heel goed van smaak = …

heerlijk

26

koud >

warm

27

dun ><

dik

28

Soep eet je met een …

lepel

29

Eten doe je normaal altijd met een … en een …

vork - mes

30

Kan jij de … even dekken?

tafel

31

's ochtends eet je een …

ontbijt

32

's middags eet je een …

lunch

33

duur ><

goedkoop

34

de kwantiteit >

de kwaliteit

35

Wat zijn de tijden van DRAGEN?

droeg, gedragen

36

aandoen = …

aantrekken

37

uitdoen = …

uittrekken

38

Je … afnemen om iemand te begroeten.

hoed

39

Wat draag je aan je voeten?…

de schoenen

40

Hier bewaar je je geld in = …

de portefeuille/de portemonnee

41

H&M is een …

winkel

42

Wat zijn de tijden van KOPEN?

kocht, gekocht

43

kopen ><

verkopen

44

Wat zijn de tijden van HELPEN?

hielp, geholpen

45

Hier kan je warme broodjes kopen = …

de bakker

46

Een heel grote winkel waar je boodschappen kunt doen = …

de supermarkt

47

open ><

dicht/gesloten

48

het artikel = …

het product

49

Als je niet hoeft te betalen, is het …

gratis

50

Dit t-shirt kost maar 8 euro, het is …

goedkoop

51

goedkoop ><

duur

52

De … van dit hemd is niet goed, na één keer wassen zitten er al gaten in!

kwaliteit

53

Wat is de … van dit boek?

prijs

54

stijgen ><

dalen

55

… kost die jurk?

hoeveel

56

Wat zijn de tijden van KOSTEN?

kostte, gekost

57

De boodschappen doe je in een …

plastic tas/zak

58

Nutella zit in een …

pot

59

Als je schoenen koopt, zitten ze in een …

doos

60

klein ><

groot

61

Wat zijn de tijden van STAAN?

stond, heeft gestaan

62

smal ><

breed

63

Wat zijn de tijden van BETALEN?

betaalde, betaald