verwerven
acquérir
gaan
aller
gaan zitten
s’asseoir
slaan
battre
drinken
boire
koken
bouillir
besluiten
conclure
kennen
connaître
naaien
coudre
lopen
courir
geloven
croire
groeien
croître
moeten
verschuldigd zijn
devoir
zeggen
dire
schrijven
écrire
zenden
envoyer
doen
maken
faire
nodig zijn
falloir
vluchten
fuir
haten
haïr
lezen
lire
plaatsen
zetten
leggen
mettre
malen
moudre
sterven
mourir