Virus & Woorden Van Lessen Flashcards Preview

Nederlands Deel 3 > Virus & Woorden Van Lessen > Flashcards

Flashcards in Virus & Woorden Van Lessen Deck (59):
1

de bouwvakkers

the construction workers

2

de verschijning

the appearance

3

maar daar blijft het bij.

but that's it.

4

hij is uit zijn ambt gezet.

he is removed from office, put out of his duties.

5

het is maar wat je normaal noemt.

if that's what you call normal...

6

weleens

sometimes even

7

de doorsneemensen

the ordinary people

8

uitgebreid

comprehensive, extensive, elaborate

9

de pokken

the smallpox

10

de vrijstelling

the exemption

11

het is niet fraai

it's not pretty

12

ten tijde van socialisme

at the time of socialism

13

de lotgevallen

the fortunes

14

de aftakeling na haar beroerte

the decline after her stroke

15

de aanbevelingen

the recommendations

16

eenmalig

only one time; once

17

ten dienste

in service of

18

de middag pauze

the lunch break

19

de voetgangersbrug

the footbridge (at the airport)

20

de rechtstreekse vlucht tot Parijs

the direct flight to Paris

21

het weerzien

the reunion

22

hij is nu op het werk.

he is now at work.

23

het vrijgezellenweekend

the bachelor weekend

24

de privézaal

the private banquet, room

25

alleenstaand

single

26

de weduwnaar

the widower

27

de weduwe

the widow

28

ben je pas wakker?

have you only just woken up?

29

de kasseienweg

the cobblestone street

30

het parcours

the course, track

31

inschrijven

to register

32

kandidatuur indienen

to submit candidacy

33

het contract wordt ondertekend

the contract is signed

34

aangepast aan de Belgische tijd

adapted to Belgian time

35

de dialoog

the dialogue

36

een sterk karakter

a strong personality

37

de berging onder de trap

the storage under the stairs

38

we zijn gaan lopen.

we went for a run.

39

een kleine ingreep

a minor surgery

40

je wordt niet verdoofd.

You are not sedated.

41

onder narcose

anesthetized

42

ik was nadien nog magerder.

I was skinnier after that.

43

ik ben nog meer afgevallen.

I lost even more weight.

44

vermageren

to get thin

45

de wijsheidstanden

the wisdom teeth

46

onsteken

to swell, inflame

47

we waren aan het restaurant.

we were at het restaurant.

48

het zou lekker geweest zijn, als het minder kaas zou hebben.

It would have been nice if it would have had less cheese.

49

voorbijkomen

to pass by

50

rangschikken

to sort, arrange, order

51

niet mooi gerangschikt.

not nicely arranged.

52

Ze zijn met hun wielen in elkaar geraakt.

They got caught by their wheels

53

geblesseerd

injured

54

hij wordt niet vaak uitgenodigd.

he is not frequently invited.

55

hij was gewond aan zijn knie.

he was wounded in the knee.

56

het vraagt veel energie.

it requires a lot of energy.

57

de wielersport

the cycling

58

hij stond op de tweede plaats.

he was in second place

59

amusant

amusing