Week 2 H. 3 + 4 Flashcards Preview

Sociologie > Week 2 H. 3 + 4 > Flashcards

Flashcards in Week 2 H. 3 + 4 Deck (27):
1

Wat is cultuur?

Kennis, ervaringen, opvattingen, normen en waarden die een groepering met elkaar deelt. Cultuur wordt overgedragen en verworven d.m.v. een leerproces.

2

Wat is enculturatie?

Aanleren 1e cultuur

3

Wat is acculturatie?

Aanleren nieuwe cultuur naast 1e cultuur. Bijv. van mbo naar hbo. Anders dan je gewend bent

4

Wat is cultural lag?

Cultureel achterop raken. Bijv. technologie ontwikkelt zich sneller dan de maatschappij.

5

Wat is cultur capital?

Beheersing van de culturele competenties die horen bij hoge sociale posities. Weten hoe het hoort. Het is tegenwoordig steeds gemakkelijker te halen (elite normen worden algemeen aanvaard). Gezonken cultuur goederen van de elite naar beneden. Tegenovergestelde: boerenbonteffect. goederen van de 'lagere' klasse gaat omhoog.

6

4 punten civilisatietheorie Elias

1. Burgerlijk beschavingsoffensief (suipelt door de samenleving omhoog of omlaag);
2. Toenemende afhankelijkheid;
3. Internalisering van gedrag (afwijkend gedrag is genant);
4. Elite wil zich blijven onderscheiden (zelfbeheersing).

7

Civilisatieproces?

Het proces waarbij de westerse samenleving ind e loop der eeuwen meer verfijnde, meer gevarieerde gedragsregels ontwikkelde.

8

Wat is informalisering?

Soepeler omgaan met regels

9

Veranderingsprocessen die de NL'se cultuur heeft ondergaan? (4)

1. Secularising (ontkerkerlijking);
2. Individualisering;
3. Democratisering;
4. Emancipatie.

10

Noem de 6 gemeenschappelijke grondwaarden van de westerse cultuur.

Geloof in de toekomst
Gelijkheid
Rede en redelijkheid
Universaliteit
Individualiteit
Rechtvaardigheid

11

Wat is het verschil tussen identiteit en culturele identiteit?

Identiteit: de collectiviteit waar iemand zich toe rekent, omdat hij zich daarmee verbonden voelt;
Culturele identiteit: gemeenschappelijke normen en waarden en en verleden.

12

Noem het onderscheid tussen stereotype, vooroordeel en discriminatie.

Stereotype --> geen oog voor het individu. een versimeld beeld van een groep mensen. Dom blonde, Tukker etc.

Vooroordeel --> het koppelen van een waardering aan een stereotype beeld.

Discriminatie --> een oordeel geven over een bepaald persoon op basis van vooroordelen.

13

Wat is etnocentrisme en waar leidt het toe?

Je eigen groep het beste vinden. dit kan leiden tot racisme (negatieve ideeën t.a.v andere groep) en discriminatie (handelen aan de hand van deze ideeën).

14

Wat is anticiperende socialisatie en wat verandert er dan?

Bijv. het aanpassen aan nieuwe groepen waarvan wij in de toekomst (wss) lid van aan worden. Hiermee verandert het referentiekader.

15

Wat is self fulfiling prophecy?

Als je ergens in gelooft ga je er ook naar gedragen. Bijv. ik haal mijn tentamen toch niet. Niet goed leren en dus niet behalen.

16

Wat is self defeating prophecy?

Wanneer we ergens heel erg in geloven verandert de situatie juist.

17

Wat is stigmatisering?

Bijv. eens een dief altijd een dief.

18

Wat is een latente verklaring?

Een niet bewuste of onuitgesproken verklaring. Deze verklaringen zijn vaak pijnlijk. Er wordt vaker gekozen voor manifest. Bijv. trouwen uit financieel oogpunt.

19

Wat is een manifeste verklaring?

Expliciete verklaring die wij zelf aan situaties geven. Bijv. Trouwen uit liefde. Gedrag kan alleen veranderd worden als we latente verkl. kennen en manifest maken.

20

Wat is het conservatisme, liberalisme en het socialisme?

conservatisme = grijpt terug op oude tradities. Keerde zich tegen de waarden van vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Liberalisme = Benadrukte dat mensen vrije individuen zijn die streven naar verwerving van eigen bezit.

Socialisme = Reactie op liberalisme en kapitalisme. Gebaseerd op solidariteit, gelijkheid, en gelijke rechtvaardigheid. Komt op voor de loonarbeiders.

21

Welke veranderingsprocessen heeft de Nederlandse cultuur vanuit de modernisering ondergaan?

Secularisering (ontkerkelijking)

22

Welk begrip past bij het idee dat mensen volgens hun eigen cultuur mogen leven?

Cultuurrelativisme.

23

Op de markt koopt een man sinaasappelen en betaalt de gevraagde prijs. Zijn vriendin uit Zuid-Amerika reageert verontwaardigd omdat de man niet onderhandelt over de prijs. ‘Je bent op de markt, niet in de winkel,’ zegt ze verwijtend. Met welk begrip is het verschil tussen deze twee mensen aan te geven?

Definitie van de situatie.

24

Op school ontbreken de bordenwissers in de leslokalen. Zodra er in een leslokaal een bordenwisser ligt, stopt de docent die in zijn tas want in het volgende lokaal zal wel geen wisser zijn. Welk begrip past hierbij?

Self-defeating prophecy.

25

Gelovigen gaan naar de kerk of moskee of tempel of synagoge voor hun geloof en om hun godsdienstige rituele handelingen te verrichten. Maar behalve een daad van geloof is het ook een ontmoeting van ‘hun mensen’, het onderhouden van contacten. Welk begrippenpaar past hierbij?

Manifeste en latente functie

26

Wat wordt verstaan onder de ‘macht van de vanzelfsprekendheid’?

- De mystificatie dat ‘het nu eenmaal zo is’.
- De sociale controle in een groep(ering) om aan de verwachtingen te voldoen.
- De te grote inspanning die verandering van een situatie vergt.

27

Welke uitspraak over populisme is juist?

Het gaat erom dat het gewone volk goed geleid moet worden.