Werkcollege 1 - A Flashcards Preview

Digestie > Werkcollege 1 - A > Flashcards

Flashcards in Werkcollege 1 - A Deck (31):
1

In welke onderdelen kun je de pharynx onderverdelen?

De oropharynx, nasopharynx en laryngopharynx

2

Door welke structuren wordt de oropharynx begrensd?

De oropharynx wordt begrensd door de arcus palatoglossus, de epiglottis en de larynx, de mandibulla en het palatum molle met de arcus palatopharyngeus.

3

Door welke structuren wordt de nasopharynx begrensd?

Door de choanae en het palatum molle met de acus palatopharyngeus

4

Door welke structuren wordt de laryngopharynx begrensd?

Door de epitglottis, de larynx en de oespophagus.

5

Wat valt op aan de ligging van de epiglottis bij het paard? Welke term wordt hiervoor gebruikt?

Bij het paard heeft de epiglottis een retrovelare ligging. De epiglottis ligt retrovelaar ten opzichte van het palatum molle. Het puntje van de epiglottis ligt op de dorsale zijde van het palatum molle waardoor het paard niet door zijn mond kan ademen. De wijdte van de oropharynx bepaalt hoe groot een voedselbrok kan zijn.

6

Wat zie je vaak voor pathologieën in de pharynx bij een brachycephaal?

Palatum molle kan voor de glottis hangen. Dit is een verlengd palatum molle. Daarbij kan ook de larynx te smal zijn en kan de tong op de glottis drukken.

7

Wat zie je bij een grasaar?

Grasaar blijft in de nasopharynx hangen. Neusuitvloeiing, kokhalzen, zitten met een gestrekte nek, zitten te slikken (zeer suggestief), eet niet of veel minder. Slikken komt omdat het puntje van de grasaar zit te irriteren.

8

Verklaar de drukgolf die zich van craniaal naar distaal over de slokdarm beweegt.

Als voedsel pharynx binnenkomt (oropharynx), worden sensibele zenuwuiteinden geprikkeld en wordt de onwillekeurige fase van het slikproces in gang gezet. De onwillekeurige beweging van de pharynx duwen het voedsel naar de oesophagus. De upper esophageal sphincter opent wanneer er voedsel komt. Deze relaxatie wordt gecoördineerd door motorneuronen die in verschillende centra van de hersenstam zitten. De oesophagus bevat een buitenste longitudinale spier en een binnenste circulaire spier. Dit spierweefsel is soms gestreept en soms glad (diersoortspecifiek), maar altijd onwillekeurig. De upper esophageal sphincter heet ook wel de cricopharyngeale spier. Deze spier zit vast aan het kraakbeen van het cricoid van de larynx. Tijdens het slikken relaxeert deze spier waardoor de larynx naar voren wordt gedrukt. Hierdoor wordt de oesophagus passief opengeduwd. Het voedsel komt nu echt in de oesophagus terecht en daar wordt het relatief snel door de propulsieve bewegingen (peristaltiek) naar de maag vervoerd. Peristaltiek bestaat uit het bewegen van een ring van samengetrokken spieren van craniaal naar caudaal. Als het voedsel aan het einde van de oesophagus terecht komt, relaxeert de lage sphincter en komt het voedsel in de maag terecht.

9

Geef aan welke rol de UES en de LES spelen in het slikproces.

De upper esophageal sphincter (cricopharyngeale spier) speelt verschillende rollen. De spier is gesloten wanneer er niet wordt geslikt waardoor de oesophagus tegen het kraakbeen van de larynx wordt gedrukt. Hierdoor kan lucht niet zomaar de oesophagus in komen. Dat de spier gesloten is tijdens het ademen is ook nuttig omdat er een negatieve druk in de borstholte heerst. Als de spier open zou zijn zou lucht de oesophagus ingezogen worden. Daarnaast opent deze spier de oesophagus als er een voedselbolus aankomt en sluit deze spier direct na de voedselbolus weer. De lower esophageal sphincter speelt vooral een rol in het voorkomen dat er reflux van maaginhoud naar de oesophagus toe plaatsvindt. Dit doet deze spier door dicht te zijn als er niet wordt geslikt en alleen open te gaan om de voedselbolus erdoor te laten.

10

Waarom zal er bij een hernia diafragmatica, waarbij de LES in de borstholte is getrokken (en daarmee de opening in het diafragma afsluit, reflux van maaginhoud plaatsvinden?

Bij een klein gat komt een stukje van de maag in de thorax. Daar heeft hij nu te maken met een negatieve druk. Die druk is te groot voor de sfincter om de maaginhoud tegen te houden. Je krijgt reflux van maaginhoud. Je kan dan beschadigingen aan de slokdarm krijgen (ulceratie e.d.).

11

Beschrijf de normale primaire en secundaire slokdarmperistaltiek bij de hond. Besteed hierbij ook aandacht aan de verschillende weefseltypen en neurale aansturing.

Primaire slokdarmperistaltiek gaat reflexmatig. Bij gestreepte spieren gaat dit rechtstreeks en bij gladde spieren worden aangestuurd via de murale plexus. Bij de secundaire slokdarmperistaltiek wordt op druk gereageerd (rekreceptoren). Dit gaat ook via het slikcentrum maar maakt gebruik van de drukreceptoren.

12

Bij de hond komt nog wel eens idiopathische megaoesophagus voor. Wat voor gevolgen heeft deze aandoening op de slokdarmperistaltiek?

De slokdarm is over de gehele lengte verwijd. Bij de hond is 80% idiopatisch (20% primaire oorzaak zoals lokale myasthenia gravis, hypothyreoïdie, hypoadrenocorticisme en myositis). Door de verwijding wordt vooral veel regurgiteren gezien: passief retrograad opgeven van maaginhoud en voedsel wat de maag nog niet heeft bereikt. Ook worden aspiratie- en verslikpneumonieën gezien omdat er tijdens de slaap gemakkelijk slokdarminhoud kan worden geaspireerd. Diagnosticeren met een laterale thoraxfoto. Voer hoger zetten kan. Baelychair kan daarvoor worden gebruikt. Hond zit in de stoel. Door de zwaartekracht komt het voer in de maag. Complicatie is vaak toch de verslikpneumonie en dat is vaak reden voor euthanasie. De slokdarmperistaltiek gaat bij deze aandoening volledig verloren.

13

Omschrijf het verschil tussen valse en ware speekselvloed (ptyalismus).

Bij een ware speekselvloed wordt echt teveel speeksel aangemaakt en bij een valse speekselvloed wordt onvoldoende speeksel doorgeslikt.

14

Bij welke aandoeningen kan er sprake zijn van ware speekselvloed?

Hersenbeschadiging, MDK, blauwtong, infecties

15

Bij welke aandoeningen kan er sprake zijn van valse speekselvloed?

Slokdarmobstructie, slokdarmvernauwing, slokdarmverwijding (als gevolg van slokdarmverlamming)

16

Een beheerder van een kinderboerderij belt vanwege een koe die tot zijn knieën in het speeksel staat en een toegenomen buikomvang heeft. Welke vorm van speekselvloed acht je het meest waarschijnlijk, hoe controleer je dit?

Obstructie van de oesophagus. Het dier heeft tympanie, dit kan bij een obstructie van de oesophagus worden gezien doordat het ructusmechanisme wordt belemmerd (gassen uit de pens worden normaalgesproken opgeboerd maar dat kan nu niet). Eerst moet de eigenaar verder worden uitgevraagd. Wordt er ook kokhalzen gezien? Is het dier plots gestopt met eten? De diagnose kan soms worden gesteld door palpatie, maar meestal door sonderen of door endoscopische controle van de slokdarm. Ook een mogelijke perforatie van de slokdarm (pneumomediastinum) of een verslikpneumonie kan met endoscopie worden vastgesteld.

17

Beschrijf je plan van aanpak bij een koe met valse speekselvloed t.g.v. een corpus alienum in de oesophagus.

Zoals hierboven beschreven eerst de diagnose stellen, het liefst met een endoscoop. Vervolgens het voorwerp verwijderen uit de slokdarm. Een sonde kan worden gebruikt om het voorwerp door te drukken naar de pens, maar dat brengt een risico van slokdarmperforatie met zich mee. In het geval van een scherp voorwerp is een thoracotomie de enige goede oplossing. In het geval van een niet te scherp voorwerp voor in de oesophagus kan soms gewoon met de hand het voorwerp worden gepakt. Ook de tympanie moet worden behandeld. De dilatatie moet worden opgehefd door het inbrengen van een dikke rubber sonde (sonde van Marek) of schroeftrocart. Gas zal via de sonde of trocart ontsnappen.

18

Welke complicatie ten gevolge van speekselvloed bij een rund met valse speekselvloed kun je verwachten?

Uitdroging van de koe. De koe produceert 100 tot 200 liter speeksel per dag. Het water wat er wordt gesecreteerd moet ook weer worden geabsorbeerd. Omdat het speeksel niet verder in het GI tractus kan komen, kan de koe snel uitdrogen en acidotisch worden.

19

Wanneer raakt een paardenslokdarm verstopt?

Bij het paard wordt de obstructie vaak veroorzaakt door een mestbal (coprofagie bij zeer jonge veulens), droge biks, pulp (zet uit met vocht), droge (ongeweekte) bietenpulp of in schijven gesneden winterwortels of zelfs met gewoon krachtvoer door te gulzig eten. Gulzig eten kan komen door voedernijd maar ook door een slecht gebit met weinig maalbewegingen per voedselbrok.

20

Welke verschijnselen zijn de eigenaar opgevallen bij een paard met een slokdarmobstructie?

Het paard is plots opgehouden met eten, kwijlen uit de neus. Ze gaan met een gestrekte nek staan. Voedsel kan weer terugkomen uit de neus. Het dier kan onrustig zijn vanwege de pijn.

21

Op welke wijze bevestig je de diagnose slokdarmobstructie bij een paard?

Sonderen of endoscopie van de oesophagus. Klinische verschijnselen kunnen soms ook al zo duidelijk zijn dat het een waarschijnlijkheidsdiagnose is. indien er röntgen aanwezig is kan er ook een röntgenfoto gemaakt worden. Voelen kan soms ook al.

22

Beschrijf de therapie, zowel de handelingen als de toegepaste farmaca, en verklaar de handelingen en keuze voor de farmaca bij slokdarmobstructie bij het paard

Medicamenteuze behandeling kan in de eerste instantie afdoende zijn. De slokdarm (of een deel daarvan) kan worden gerelaxeerd met het parasympaticolyticum scopolamine (Buscopan). Dan kan een NSAID worden toegediend en het paard kan worden gesedeerd (bij voorkeur alfa2-agonist, zodat het paard zijn hoofd laag houdt en minder speeksel aspireert, dit kun je ook met een sedatie bereiken). Het paard moet dan in een kale box worden gezet of worden voorzien van een mondkap zodat het niet kan eten. Na een aantal uren kan de eigenaar het paard water aanbieden. Als het paard dit water makkelijk weg krijgt, is de obstructie verholpen. Als dat niet het geval is, kan de slokdarm worden gespoeld (via de neus) door middel van een slokdarmsonde om zo met water de voedselprop te verlaten. Daarbij verlaat het meeste materiaal de slokdarm in craniale richting via de neus. Algehele anesthesie kan worden gekozen als het paard veel verzet toont en bij langdurige obstructie. Algehele anesthesie zorgt namelijk voor een betere relaxatie. Antibiotica gebruiken na spoelen is geïndiceerd.

23

Welke adviezen geeft u de eigenaar van het paard na het succesvol opheffen van een slokdarmverstopping?

Antibiotica gebruiken om een infectie te voorkomen, afhankelijk van wat er vast zat een verandering van omgeving of voer. Zacht voedsel in het begin geven.

24

Welke complicaties zouden er op kunnen treden bij de slokdarmverstopping bij het paard en hoe stelt u die vast?

Infectie, stenoses (vernauwing, strictuur, van de slokdarm), slokdarmperforatie, verslikpneumonie. Vaak zit er craniaal van een strictuur ook weer een verwijding van de slokdarm. Met endoscopie kunnen complicaties worden vastgesteld.

25

Noem twee dieren die alleen dwarsgestreept spierweefsel in de slokdarm hebben

Hond en herkauwer

26

Noem een dier dat alleen gladde spieren in de slokdarm heeft

Kip

27

Noem de voorste keelsnoerder

Hyopharyngeus

28

Noem de middelste keelsnoerder

Thyropharyngeus

29

Noem de achterste keelsnoerder

Crycopharyngeus en thyropharyngeus

30

Welk van de keelsnoerders zit ook in de UES?

Crycopharyngeus

31

Hoe worden de keelsnoerders aangestuurd?

Ze worden allemaal geïnnerveerd door de nervus glossopharyngeus