Werkcollege 12 - D Flashcards Preview

Digestie > Werkcollege 12 - D > Flashcards

Flashcards in Werkcollege 12 - D Deck (23):
1

Eimeria

Rund:
- Zuernii
- Bovis
- Alabamensis

Kip/Duif:
- Truncata (nier gans)
- Acervulina
- Maxima
- Necatrix
- Bruneti
- Tenella
- Adenoeides (kalkoen)
- Gallopavonis (kalkoen)
- Meleagrimitis (kaltkoen)

Konijn:
- Stiedae (lever)
- Flavescens
- Intestinalis

Schaap:
- Crandalis
- Ovinodalis

Geit:
- Caprina
- Ninakohlyakimovae
- Christenseni

2

Trichomonas

Kat:
- Foetus

Duif:
Gallinae

3

Isospora

Vakren:
Suis

Kanaries:
- Canaria
- Sereni

4

Cystoisospora

Kat
Felis (niet in NL

5

Cryptosporidium

Rund:
Parvum en Andersoni

Hond/kat/paard/varken/konijn/schaap/geit/mens
Parvum

Kip/duif:
Baileyi
Parvum

6

Giardia

Bij alle dieren, verschillende genotypen

7

Welke algemene risicofactoren voor overdracht zijn op te stellen voor een infectieuze diarree?
Overbeszetting, slechte hygiënemaatregelen. Heel veel gevoelige dieren bij elkaar (kalveren, kuikens, biggetjes). Hoge virulentie van de agens kant.

Giardia cysten blijven maanden infectieus, vooral in oppervlaktewater
Er kunnen dragers ontstaan zoals konijnen, muizen, ratten of andere honden
Giardia is zoönotisch (bever fever)

8

Giardia wordt door de World Health Organization als zoönose beschouwd. In de Verenigde Staten en Groot-Britannie zijn regelmatig uitbraken van Giardia vastgesteld. Kan men als mens in Nederland besmet raken met Giardia spp.? Indien ja, op welke wijzen?

Ja dat kan. Door water te drinken waarin giardia zit, kan een mens geïnfecteerd raken. Giardia is wel heel diersoortspecifiek en zal dus niet altijd tot ziekte leiden. Je ziet giardia vaak bij kinderdagverblijven en opvangen. Daar gaan de giardia-infecties makkelijker rond dan gemiddeld, ook bij de medewerkers (niet ziek, wel cysten). PG in bejaardentehuizen. Er wordt creatief met ontlasting omgegaan en er zijn meer gevoelige individuën, daardoor meer giardiose.

Het zoönotisch aspect: de assemblage van giardia is bepalend. Er zijn genotypen waarbij giardia in het gastheerspectrum zitten. Als dieren geïnfecteerd zijn met A of B (groot gastheerspectrum), kunnen mensen ook geïnfecteerd worden omdat die in het spectrum zitten. C en D zijn voor de hond (Canine and dog). E is voor evenhoevigen en F is voor de kat. C en D zien we nooit bij de mens, behalve als die echt mega yopi is. Hetzelfde geldt voor E en F. A en B zie je maar zelden bij de hond. Zoönotisch potentieel is er wel, maar niet heel waarschijnlijk.

Giardia is een waterborne infectie. Als mensen in natuurwater zwemmen en water binnenkrijgen, kun je ook cysten van giardia binnenkrijgen.

Giardia heeft een lage infectiedosis (niet veel cysten nodig).

9

Waarom verwacht u geen bloederige diarree bij mensen en dieren tijdens (of als restverschijnsel van) een infectie met Giardia?

Giardia gaat als een hoedje op het epitheel zitten en zorgt dus juist niet voor hele open velden. De diarree wordt veroorzaakt door verminderd contactoppervlak en bepaalde toxinen die de giardia uitscheidt die zorgen voor verminderde werking van verteringsenzymen. Je krijgt een maldigestie, malabsorptie, stinkende ontlasting. Als het niet gecompliceerd raakt, is er weer snel herstel. Giardia leeft in de dunne darm. Giardia is verteerbaar. Giardia produceert zelf een verteringsenzymremmend enzym. Giardia heeft zuignappen waarmee hij zich vastzet op het epitheel, dit geeft zuigzoenschade. Giardia produceert ook stoffen die de tight junctions tussen de cellen verweken. Dan ga je naar de gecompliceerde giardia-infecties. De primaire barrière wordt gesloopt en bacteriën kunnen makkelijker naar een diepere laag.

10

Wat zal er bedoeld worden met de uitspraak; Giardiais een factorenziekte.

Om giardiose te krijgen moeten meerdere factoren op één lijn liggen met elkaar. Verschillende factoren vergroten of verkleinen de kans op giardia. Voorbeelden van factoren: hoeveel besmette dieren in de omgeving, wel of niet drinken van gecontamineerd water, hoeveel parasiet wordt opgenomen en vermenigvuldigd zich, hoe goed is de afweer van het dier. De aanwezigheid van het agens alleen is niet de volledige verklaring voor het zien van ziekte.

11

Bij u op het spreekuur komt een eigenaar met een half jaar oude hond waarvan de eigenaar aangeeft dat het diertje sinds 3 weken een brijachtige diarree heeft. Het hondje lijkt volgens de eigenaar iets slomer en wat minder eetlust te hebben.Tijdens het lichamelijk onderzoek vindt u een pijnlijke buik bij palpatie bij dit hondje. Uw patiënt heeft geen koorts. In uw differentiële diagnose staat onder andere een infectie met Giardia. U besluit faecesonderzoek te (laten) doen. Wat zijn de door u te nemen diagnostische stappen en wat gaat u daarvoor vragen aan de eigenaar van uw patiënt?

Heeft de hond toegang tot mogelijk bevuild water? Wilt u verse feces voor mij opvangen? Natief warme feces bekijken. Vervolgens onderzoek je de verse feces op bewegende flaggelaten (microscoop). In de ontlasting die niet warm is sedimentatie-flotatie en cysten zoeken in preperataat. Pas een ELIZA als je je eigenlijke diagnose al hebt. Cysten zien er onder de microscoop heel glazig en klein. Cysten vind je niet bij passieve flotatie. Giardia mag je pas negatief noemen als 3 onafhankelijke monsters negatief zijn. Er is een intermitterende uitscheiding. Er is wel continue uitscheiding, maar niet altijd zo veel dat het gedetecteerd wordt. In warme ontlasting kun je zwemmende trofozoïeten (zwemmen dwarrelend) en die zie je alleen bij heftige diarree en ernsitge infectie. Bij dieren met giardiosis zie je meer CPG (cysten per gram). Giardia is een lumenbewoner (relatief onschadelijk, kan heel lang problemen geven)

12

Hoe bent u te werk gegaan om deze infectie te diagnosticeren?

Verschijnselen wijzen op een infectie. Fecesonderzoek met uitstrijkje (Ziehl-Neelsen: groenachtige achtergrond, rode oocysten. Ze moeten uniform van grote zijn, inhoud is T vormig, kleuring kleurt zuurvaste structuren aan. Als er verschillende groottes rood aankleuren, is er iets anders aan de hand. Minder specifiek dan sneltest) van verse mest verspreid over meerdere dagen in combinatie met een sneltest. Je kan ook nog een PCR doen (dan kun je ook de groep crypto bepalen). De oöcysten van Crypto zijn nog kleiner dan de cysten van giardia. Je ziet ze over het hoofd bij standaard fecesonderzoek?

13

Wat zijn uw therapie doelstellingen? Bespreek hierbij de haalbaarheid van de individuele doelstellingen en houdt rekening met de pathofysiologische kenmerken van een Cryptosporidium parvum infectie.

Op dit moment symptoombestrijding, omdat er geen geregistreerd middel is voor cryptosporidose. Er werd vroeger halocuur gegeven (misselijkheid leverschade) om de omgeving te beschermen (minder contaminatie). De uitscheiding van oöcysten wordt verminderd.

14

Ontwikkel een vaccin tegen Cryptosporidium parvum waarbij u bedenkt welk dier u vaccineert, wanneer u dat zou willen doen en hoe u als dierenarts deze vaccinatie gaat toedienen.

Moeder vaccineren: je wilt antilichamen in de biest tegen voorstadia van de parasiet. Bijvoorbeeld tegen sporozoïeten die net uit de oöcyst komen.

15

Wat is coccidiose?

Het ziektebeeld dat wordt veroorzaakt door Eimeria en/of (crypto)isospora soorten

16

Eimeria soorten zijn homoxene coccidiën en hebben een directe levenscyclus. Hoe zal de cyclus van heteroxene coccidiën er uit kunnen zien? Kunt u als voorbeeld van heteroxene coccidiën de verwekker noemen waarbij de hond een “tussengastheer” (Een dead-end host want de kat eet meestal geen hond) kan zijn en de kat de eindgastheer?

Met een tussengastheer. Toxoplasma gondii. Kat kan diarree hebben (miljoenen). Mens krijgt weefselcysten (aborteren, afwijkende vrucht, raar gedrag). Neosporum: hond eindgastheer, rund tussengastheer.

17

Waarom zou het bij een infectie met coccidien ( veroorzaakt door Isospora suis) beter zijn om enkele dagen te wachten met het nemen van mestmonsters die men wil screenen op oöcysten?

Het grootste gedeelte van de pathogeniteit zit in de ongeslachtelijke voortplanting (epitheelcellen vallen uit elkaar), maar er worden dan nog geen oöcysten worden uitgescheiden. Pas als er geslachtelijke voortplanting is geweest kun je oöcysten zien. Dit kan best even duren.

18

Wat is de prepatentperiode van Isospora suis bij het varken?

4 tot 7 dagen. De incubatietijd is korter dan de prepatentperiode. Je moet geen acute fase representant testen, maar juist eentje die al langer ziek is.

19

Wat zijn uw therapie doelstellingen? Houdt hierbij rekening met de pathofysiologische kenmerken van een Cryptosporidium parvuminfectie.

3e levensdag preventief behandelen (totrazuril, coccidiocide). Contaminatie van de omgeving inperken. Symptoombestrijding.

20

Biggen infecteren zich oraal met oöcysten. Hoe kun je van infectieuze oocysten afkomen?

Mechanisch reinigen met detergents en daarna chemisch reinigen. De gelige vettige diarree zorgt dat alles onder een laagje vet. Flamberen van de stal kan worden gedaan en stomen (boven de 80 graden). Ook hoge concentraties ammoniak kunnen ze niet tegen (gek, ammoniak in feces kan hij wel hebben).

21

Na infectie ontstaat diarree, die vaak een chronisch karakter krijgt. Deze diarree werd vroeger wel vetdiarree of tweeweekse diarree genoemd. Waarom kan bij deze infectie de vetvertering verstoord zijn?

In het laatste deel van de dunne darm worden galzouten gereserbeerd. Bij coccidiose is het laatste deel van de dunne darm aangetast. De dieren drinken nog melk, vetstofwisseling doet het niet meer goed (emulgeren van vetten niet goed), geeft vettige gele feces. Met de voeding zou je minder vet kunnen gaan geven, zodat ze het beter kunnen verteren. Ze kunnen ook een anemie krijgen door gebrekkige vitamine B12 opname.

22

Varkenshouders weten en zien dat zowel vasten als het spenen van biggen direct verbetering geeft, en de diarree minder wordt of ophoudt. Hoe kunt u dit verklaren?

Minder vettige diarree.

23

U hebt in vogelvlucht de pathogenese van deze coccidiose infectie bij het varken bestudeerd. Beredeneer waarom deze infectie een chronisch verloop heeft en leidt tot groeivertraging.

Energie wordt niet opgenomen (vetten). Vitamine B12 wordt niet opgenomen, dieren licht anemisch. Er komt een vrij snelle immuniteit, maar niet robuust. Coccidiose kent geen autoinfectie. De eerste dieren worden niet zo ziek, maar zorgen voor miljoenen en miljoenen oöcysten.