Werkcollege 3 - B Flashcards Preview

Digestie > Werkcollege 3 - B > Flashcards

Flashcards in Werkcollege 3 - B Deck (36):
1

Noem in ieder geval twee indicaties waarbij de beïnvloeding van de motiliteit van het maagdarmkanaal van pas kan komen.

Diarree en constipatie.

2

Geef het verschil tussen obstipatie en constipatie.

Bij een obstipatie is er een echte verstopping. Bij constipatie gaat het gewoon niet zo vlot. Oppassen bij obstipatie met aansturen motiliteit: als het niet los wil kun je een ruptuus van de maag of darm krijgen.

3

In principe kan door directe beïnvloeding van het autonome zenuwstelsel de motiliteit van het maagdarmkanaal gestimuleerd worden. Welke van de volgende groepen zouden daarvoor in aanmerking komen?

Sympaticolytica en parasympaticomimetica

4

Geef van de sympaticolytica aan welke receptoren en neurotransmitters betrokken zijn bij deze beïnvloeding van motilitiet en wat de werking is van deze farmaca.

Alfa adrenoreceptor antagonist. Het remmen van de cholinerge motor neuron wordt gestopt, want dat doet een agonist van de alfa adrenoreceptor. Noradrenaline en adrenaline zijn neurotransmitters.

5

Geef van de parasympaticomimetica aan welke receptoren en neurotransmitters betrokken zijn bij deze be:invloeding van motiliteit en wat de werking is van deze farmaca.

Ach muscarine receptor agonist. Deze hect aan de Ach muscarine receptor op de spier waardoor contractie wordt gestimuleerd. AchE remmer is een indirecte parasympaticomimetica die de afbraak van Ach door Ach esterase tegengaat. Langere stimulatie van de spiercel.

6

Wat zijn de nadelen of beperkingen van toepassing van dergelijke farmaca (parasympaticomimetica en sympaticolytica) ter verbetering van de motiliteit?

Nadelen zijn vooral dat er veel bijwerkingen in de rest van het lichaam zijn bij het gebruik van de Ach muscarine receptor agonist en de AchE remmer. Deze receptor kom je namelijk door het hele lichaam tegen bij gladde spieren. Van de sympaticolytica is nog niet duidelijk of ze überhaupt werken.

7

Noem twee bekende prokinetica

Metoclopramide en domperidon.

8

Prokinetica als metoclopramide en domperidon worden in de veterinaire praktijk wel toegepast om de maaglediging te bevorderen. Wat is het werkingsmechanisme van deze farmaca?

Metoclopramide en domperidon zijn beide D2 receptor antagonisten. Metoclopramide kan over de BHB en domperidon niet. Metoclopramide heeft ook een centrale werking (via 50HT3 + 4). Metoclopramide is een antagonist van D2 en 5HT3 en een agonist van 5HT4. Domperidon is een D2¬ receptor antagonist. Dit zijn prokinetica maar niet echte sympaticolytica en parasympaticomimetica omdat ze niet op de receptoren van de échte parasympaticus en sympaticus hechten.

9

Welk verschil in famacokinetiek tussen metoclopramide en domperidon maakt dat de werking van deze stoffen bij klinische toepassing verschilt?

Domperidon werkt alleen op de dopamine receptor en kan de BHB niet over (kan dus wel aangrijpen in het CRTZ). Metoclopramide kan wel de BHB over. Van metoclopramide kun je ook milde sedatie (suffigheid) krijgen.

10

Noem twee middelen die je kunt gebruiken voor het remmen van de motiliteit in de praktijk.

N-butylscopolamine en loperamide.

11

N-butylscopolamine en loperamide zijn farmaca die beide gebruikt worden om motiliteit te remmen in de praktijk. Beschrijf enkele indicaties en eventuele contra-indicaties voor toepassing van deze farmaca aan de hand van hoofd- en bijwerkingen.

Loperamide grijpt aan op de OP3 receptor (opiaat). Dit activeert een remmer van de cholinerge motor neuron. De motiliteit van de darm wordt geremd. Dit is een diarreeremmer. N-butylscopolamine grijpt aan op de muscarine receptor en is een antagonist. Dus die remt de gladde spier. Bij infectieuze oorzaken wil je dit juist niet. Dan wil je juist van de infectie af door hem uit te drijven. Bij motiliteitsdiarree wordt dit toegepast. Niet toepassen bij dieren die niet de juiste effluxpompjes hebben (collie). N-butylscopolamine wordt gebruikt voor diarree maar ook voor..

12

Beschrijf de opbouw van de paardenmaag.

Het bovenste deel is klierloos. Hierin wordt onverteerd eten opgeslagen. Het deel daaronder is de low density met met een pH van 6-7. Daaronder ligt de medium density mag (pH 4 –5) en daar weer onder ligt de high density liquid met een pH van 1 – 2.

13

Er wordt wel een relatie gelegd tussen het ontstaan van maagulcera en arbeid van het sportpaard. Kun je dit verklaren?

Door husselen komt zure chymus (high density liquid) bij het klierloze deel van de maag. Door krachtvoer en minder tijd om continu te eten ook verzuring van de maag. Ze zijn ook meer gestresst en dat leidt ook tot maagulcera.

14

Waar wordt maagzuur geproduceerd en hoe vindt de stimulatie van maagzuursecretie plaats? Beschrijf meerdere relevante mechanismen.

Maagzuur wordt geproduceerd in het klierrijke deel (fundus) van de maag door de pariëtale cellen. De nervus vagus (parasympaticus) kan voor stimulatie zorgen, ENS stimuleert, Gastrine stimuleert en histamine stimuleert de pariëtale cel. Gastrine wordt nog extra aangemaakt door de aanwezigheid van aminozuren en peptiden in de maag. Het ENS en de parasympaticus reageren op rek. De nervus vagus reageert ook op andere sensortische stimuli.

15

Geef de verschillende groepen farmaca die de maagzuursecretie remmen.

1. H+/K+-ATPase (protonenpomp) remmers
2. Hisstamine receptor antagonisten.
3. Prostaglandinen
4. Gastrine receptor antagonisten
5. Acetylcholine-muscarine receptor antagonisten

16

Geef een paar medicijnen uit de groep H+/K+-ATPase (protonenpomp) remmers. Wat zijn de voor- en nadelen van deze groep?

Remmen de maagzuursecretie. Omeprazol, lansoprazol en pantoprazol. Dit is de meest potente. Omeprazol vertraagt biotransformatie van andere geneesmiddelen (relatieve overdosering) en heeft daarom een lage veiligheidsmarge.

17

Geef een paar medicijnen uit de groep histamine receptor antagonisten. Wat zijn de voor- en nadelen van deze groep?

Maagzuursecretie remmers. Cimetidine, ranitidine, ninizatidine, famotidine en roxatidine. Remmen selectief de zuursecretie, zonder de slijmproductie noemenswaardig aan te tasen. Cimetidine remt CYP450 enzymen (pas op met comedicatie).

18

Wat zijn de voor- en nadelen van prostaglandinen?

Prostaglandinen remmen maagzuur en stimuleren de mucusproductie. Groot first pass effect en bijwerkingen: diarree, braken en buikpijn vanwege de inductie van glasdde spiercel contracties door prostaglandines. Korte werking.

19

Wat zijn de voor- en nadelen van gastrine receptor antagonisten?

Als maagzuurremmer zijn ze minder potent en worden daarom veterinair niet toegepast.

20

Geef de nadelen van acetylcholine-muscarine receptor antagonisten als maagzuurremmer.

Veel bijwerkingen: remming productie mucus en algehele parasympaticolytisch effect.

21

Leg het verband tussen het (langdurig) geven van NSAIDs en de ontwikkeling van maagulcera en/of chronische gastritis.

NSAIDs remmen COX1 waardoor de aanmaak van prostaglandine E2 wordt geremd. Prostaglandine E2 remt de maagzuurafgifte door de pariëtale cel en stimuleert de productie van mucus en bicarbonaat. Bij langdurig gebruik krijg je dus veel zuur en weinig mucus en weinig bufferent vermogen: schade van de maagwand. Mizoprostal kan gegeven worden (lijkt op prostaglandine) bij langdurig gebruik van NSAIDs.

22

Welke andere groepen farmaca kunnen nog genoemd worden in het kader van de therapeutische benadering van gastritis en maagdarmulcera? En wat is hun betekenis veterinair?

Antacida. Zij bufferen het maagzuur. Antacida worden veterinair vrijwel niettoegepast.
Cytoprotectiva. Zij beschermen het slijmvlies. Sucralfaat. Bij pH<4 polymeriseert sucralfaat en wordt het een visceuze gel. Het staat een aluminium af, waarbij sterk negatief geladen groepen ontstaan die interacteren met de laesie (met de positieve delen van de mucosa). Rekening houden met andere medicijnen (2 uur ertussen) en 2 tot 3 keer per dag toedienen. Dit is echt voor genezing. Het vermindert ook de opname van andere stoffen.

23

Welke klinische parameters om de gastro-intestinale motiliteit te beoordelen kun je bedenken?

Darmgeluiden horen, mest bekijken, voelen naar de darmmotiliteit (rectaal).

24

Waar zitten de obstipaties bij paarden meestal?

Het maagdarmkanaal gaat vaak van wijd naar smal en veel flexures zijn aanwezig. Daarom krijgt een paard makkelijk obstipatie. Er zit vaak in het linker ventrale colon, vlak voor de bocht (flexura pelvina) een obstructie. Als hij in de herfst van het land (zacht gras) naar stal (droog stro) komt, kan hij dat vaak niet aan. Voor die plek is het best wel breed, maar daarna (na die bocht) wordt het smal. Bij de overgang van het colon ascendens naar colon transversum kom je ook vaak obstructies tegen.

25

Wat is het doel van laxatie therapie?

Motiliteit stimuleren en daarmee de obstructie verplaatsen.

26

Welke soorten laxantia worden er onderscheiden?

Volumevergrotende laxantia
- Glijmiddelen zoals paraffineolie
- Zwelmiddelen
- Osmotische relaxantie

Secretogoga

27

Wat doen secretogoga?

stimuleren de peristaltiek direct zoals ricinusolie. Monohydroxyvetzuren stimuleren de dunne darm tot afgifte van prostaglandinen die zorgen voor de chloride-afhankelijke secretie van water naar het darmlumen.

28

Hoe dien je paraffine olie toe?

Oraal en/of rectaal toedienen, pas op voor lipoïdpneumonie, oraal met sonde toedienen

29

Wat is de belangrijkste indicatie voor de toepassing van emetica? Welke stof wordt voor dit doeleinde toegepast? Beschrijf het werkingsmechanisme.

Apomorfine. Toxische stoffen of corpora aliena. Is een dopamine receptor agonist. Geen opiaat, maar mogelijk wel affiniteit voor deze receptor. Bij katten kun je ook alfa-2 adrenoceptor agonist cylazine gebruiken. Zie plaatje van WC: vestibulair apparaat, CRTZ, braakcentrum en visceraal.

30

Welke groepen anti-emetica ken je?

1. Dopamine receptor antagonisten
2. H2-receptor antagonisten
3. 5-HT3-receptor antagonisten
4. Neurokinine-1-receptor antagonisten

31

Geef voorbeelden van de dopamine receptor antagonisten.

Anti-emetica. Phenothiazinen (chloorpromazine, acepromazine) en butyrophenonen). Metoclopramide en domperidon. Beide werken op de D2 receptor Metoclopramide heeft ook een centraal effect.

32

Geef twee voorbeelden van H2-receptor antagonisten

Anti-emetica. H2-receptor antagonisten zoals promethazine en chloorcyclizine. Vooral bij reisziekte. Oraal toedienen. Mogelijk milde sedatie. Effectiviteit is wisselend (significante species- en rasverschillen wat betreft hoeveelheid histamine-receptoren)

33

Geef drie voorbeelden van 5-HT3-receptor antagonisten.

Anti-emetica. Ondansetron, granisetron en tropisetron. Potente anti-emetica, maar niet veterinair geregistreerd. Wordt vooral gebruikt bij braken door chemo en/of bestraling.

34

Geef 3 Neurokinine-1-receptor antagonisten

Substance P, neurokinine A en neurokinine B. Dit zijn tachykininen. Substance P is het meest potent. Door blokkade NK-1 receptor wordt de braakreflex geremd, ongeacht of het braken wordt geïnduceerd door centrale of perifere stimulatie. Veterinair is maropitant beschikbaar, kan oraal en parenteraal worden gegeven

35

Wat zijn de aangrijpingspunten en de werkingsmechanismen van de laxantia? En welk van de farmaca begruik je bij het paard?

Osmotische laxantia trekken (doordat er meer elektrolyten in het MDK zitten) water aan, waardoor je meer volume krijgt. Let wel op uitdroging en op een intoxicatie. Vaak wordt er paraffine olie gebruikt (glijmiddelen). Bij een paard moet je opletten op een draaiing in de darm. Het is af en toe gevaarlijk om een sosmotische laxantia te geven, omdat je dit dus erger maakt.

36

Hoe worden laxantia toegediend? Wat zijn aandachtspunten en mogelijke risico's?

Je kan de farmaca met een sonde toedienen. Je kan checken of je in de slokdarm zit, door te kijken of je vacuüm zuigt. Als je geen vacuüm zuigt, zit je vaak in de trachea. Als je paraffine in de longen gooit krijg je dat er eigenlijk niet meer uit en kan het dier dood gaan. Ook moet je hem pijnstilling geven en moet het paard in een kale box (niet eten totdat de obstipatie eruit is)