Werkcollege 6 - C Flashcards Preview

Digestie > Werkcollege 6 - C > Flashcards

Flashcards in Werkcollege 6 - C Deck (61):
1

Waarvoor hebben dieren energie en bouwstoffen nodig?

Voor lichaamsonderhoud, groei en reproductie.

2

Waaruit bestaat voedsel?

Zowel plantaardig als dierlijk voedsel bestaat, naast water, mineralen en vitamines, die zonder verdere omzetting opgenomen kunnen worden, voornamelijk uit grote, veelal polymere, moleculen zoals koolhydraten, vetten, eiwitten en nucleiïnezuren.

3

Noem de belangrijkste koolhydraten in het voedsel.

Zetmeel, cellulose, glycogeen, sucrose (biet/rietsuiker), lactose (melksuiker), glucose (druivensuiker) en fuctose.

4

Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen zetmeel, cellulose en glucose?

Glucose is een monosacharide. Door heel veel glucose moleculen aan elkaar te maken, krijg je zetmeel. Dit is dus gewoon een soort schakeling van glucosemoleculen. Cellulose is óók een aaneenschakeling van glucosemoleculen. Het verschil zit hem in de stand van een OH groep. In cellulose staat één OH groep waarmee de verbinding wordt gemaakt omhoog en de ander naar beneden, bij zetmeel staan ze allebei naar beneden. Glycogeen is precies hetzelfde als zetmeel, maar glycogeen is dierlijk en zetmeel is plantaardig.

5

Door wie en tot wat wordt zetmeel verteerd?

De vertering van zetmeel tot maltose, maltotriose en alfa-grensdextrinen wordt gedaan door amylase. Vervolgens wordt de vertering tot glucose gedaan door maltase (verzamelnaam enzymen sucrase en glucoamylase) en isomaltase (dextrinase).

6

Hoe breek je stoffen chemisch af?

De macronutriënten breek je af door hydrolyse. Hierbij splits je een chemische verbinding door een watermolecuul toe te voegen. De glycosidische verbindingen van koolhydraten worden verbroken, de peptide verbindingen van eiwitten worden verbroken, de ester verbindingen van vetten worden verbroken en de fosfodiesterverbindingen van nucleïnezuren worden verbroken.

7

Wat doen de enzymen van de vertering?

Zij katalyseren de hydrolysering van de verbindingen in de macromoleculen.

8

Welke twee soorten enzymen ken je?

Enzymen die in het lumen van de darm werken en enzymen die op het membraanoppervlak van het epitheel werken. Zo kun je ook de digestie in twee fases verdelen: een luminale fase waarbij korte polymeren worden gevormd en een membraneuze fase waarbij die korte polymeren verder worden afgebroken, nauw gevolgd door absorptie.

9

Wie breken zetmeel af?

Alfa-amylasen, maltase en dextrinase. Alfa-amylasen zijn een groep van zeer verwante moleculen die uit de pancreas komen, en bij sommige dieren ook uit de speekselklieren. Alfa-amylasen breken de 1-4 verbinding, maar houdt altijd in ieder geval twee glucosemoleculen over. Zo krijg je moleculen van twee (maltose) en drie (maltotriose) glucosemoleculen. Als amylopectine wordt afgebroken (vertakt zetmeel), is ook dextrinase nodig om de einddextrines te knippen. Zij knippen de 1-6 verbindingen. Isomaltose is de naam voor twee glucosemoleculen die met een 1-6 verbinding aan elkaar zitten en einddextrines zijn de meer complexe groepen met 1-4 en 1-6 verbindingen.

10

Welke enzymen ken je voor de luminale fase van eiwitvertering? Beschrijf hun verschillen.

Endopeptidasen en exopeptidase. De meeste zijn endopeptidasen: zij breken eiwitten af in het midden van de keten. Zij produceren geen vrije aminozruen. Et bestaan ook twee exopeptidasen, die wel individuele aminozuren vrijlaten.

11

Hoe worden de enzymen voor de eiwitvertering actief?

Pepsinogeen en chymosinogeen (beide uit de maag) worden actief door het zoutzuur in de maag. Pepsinogeen kan ook actief gemaakt worden door pepsine middels een autokatalytisch feedback mechanisme. Trypsinogeen (uit de pancreas) wordt geactiveerd door enterokinase. Enterokinase zit in de duodenale mucosale cellen. Het actieve enzym trypsine is weer een autokatalytisch enzym, maar kan ook andere verteringsenzymen activeren, namelijk chymotrypsinogeen, proelastase, procarboxypeptidase A en procarboxypeptidase B.

12

Waar maken de mambraneuze fase enzymen deel van uit?

Van de glycocalyx. Zij zitten chemisch verbonden aan het membraan van de darmen. Ze worden gemaakt door enterocyten en worden naar het apicale membraan vervoerd.

13

Waaruit bestaat lactose en hoe wordt het afgebroken?

Lactose is een disacharide die door lactase wordt omgezet in glucose en galactose.

14

Waaruit bestaat sucrose en hoe wordt het afgebroken?

Sucrose is een disacharide die door sucrase wordt omgezet tot glucose en fructose.

15

Hoe wordt het gevormde glucose opgenomen?

Het transport van glucose naar de cel wordt gefaciliteerd door een co-transporter genaamd SGLT-1. Dit is het Na-afhankelijk glucose transport-eiwit. De concentratie glucose is in de cel en in de interstitiële ruimte hoger dan in het lumen, maar de concentratie natrium is in de cel en in de interstitiële ruimte lager dan in het lumen. Dit is secundair actief transport.

16

Hoe wordt frucose opgenomen?

De concentratie fructose is binnen de cel en de interstitiële ruimte lager dan in het lumen van de darm. Om deze reden kan dit molecuul via gefaciliteerde diffusie van de passieve monosaccharide transporter Glut 5 worden opgenomen.

17

Wat kan voor een voedsel intolerantie zorgen?

Deficiëntie van bepaalde koolhydraat-splitsende enzymen.

18

Noem een groot verschil tussen het verteren van eiwitten en koolhydraten.

De hoeveelheid enzymen die er nodig zijn. Voor eiwitten heb je er heel veel nodig. Omdat er 20 verschillende aminozuren zijn, kunnen er veel meer verschillende verbindingen gemaakt worden.

19

Wat is het verschil tussen een natief eiwit en een gedenatureerd eiwit?

Een natief eiwit bestaat uit lange aminozuurketens, die opgerold zijn en in elkaar gevouwen zijn tot aan quaternaire structuren. Bij een gedenatureerd eiwit zijn de secundaire, tertiaire en quaternaire structuren (deels) verbroken. Hierdoor verloopt vertering van gedenatureerd eiwit sneller.

20

Hoe begint de eiwitvertering?

Dit begint in de maag met een lage pH die voor denaturatie zorgt en het endopeptidase pepsine dat polypeptides tot kleinere polypeptides knipt.

21

Verklaar waarom vloeistof uit de maag stukjes vlees, maar niet brood, kan veranderen?

Het vloeistof uit de maag bevat een lage pH en pepsine. De lage pH denatureert de eiwitten en peptine knipt de eiwitten. Er zijn geen enzymen aanwezig die de oligosacchariden kunnen knippen.

22

Welke aminozuren knipt trypsine graag?

Trypsine vertoont voorkeur voor splitsing van peptidebindingen bij basische aminozuren (lysine en arginine).

23

Welke aminozuren knipt chymotrypsine graag?

Chymotrypsine vertoont voorkeur voor splitsing van aromatische aminozuren.

24

Welke exopeptidases ken je?

Carboxypeptidasen en aminopeptidase. Carboxypeptidasen komen uit de pancreas en halen aminozuren van het carboxyluiteinde af. Het aminopeptidase komt niet uit de pancreas en knipt vanaf het amino-uiteinde. Aminopeptidase zit aan de borselzoom van de epitheelcellen in de dunne darm.

25

Wat zijn de belangrijkste lipiden in de voeding?

Triacylglycerolen, fosfolipiden, wassen, cholesterol en cholesterolesters. De meeste van deze verbindingen zijn hydrofoob en lossen dus heel slecht in water op.

26

Wanneer begint de afbraak van triacylglycerol?

Vooral bij jongedieren begint de afbraak van triacylglycerol al in de maag onder invloed van lipases uit het speeksel (tonglipase) of vuit de maag zelf (maaglipase). De volledige afbraak van triacylglycerolen en van overige lipiden vindt voornamelijk plaats in de dunne darm door hydrolases afkomstig uit de pancreas, zoals pancreaslipase (een glycerolester hydrolase) samen met co-lipase.

27

Welke stoffen spelen een belangrijke rol bij de afbraak van triacylglycerolen en bij de opname?

Galzure zouten. Deze worden in de lever gevormd door koppeling van het hydrofobe cholesterol aan de hydrofiele glycine of taurine groepen. Vervolgens worden ze in het duodenum uitgescheiden met het gal. De galzure zouten (glyco- en taurocholaat) zijn in combinatie met de fosfolipiden uit de gal goede emulgatoren.

28

Wat zijn lipolyse-producten?

Monoacylglycerolen (MAG) en vetzuren. Deze moleculen zijn vaak ook zwak amfipatische en vormen samen met galzure zouten en lysofosfolipiden (afbraakproducten van fosfolipiden door fosfolipase A2) mixed micelles: zeer kleine micellen met een diameter van 20-50 A die belangrijk zijn voor de opname van lipiden door de darmwand.

29

Olestra is een sucrose met daaraan zes tot acht vetzuur staarten, die smaakt als gewoon vet. Verklaar waarom olestra aan sommige “light” producten wordt toegevoegd als vet-vervanger.

Olestra wordt gemaakt uit sucrose en het kan zes, zeven of acht vetzuren binden. Het molecuul is te groot en te onregelmatig om geabsorbeerd te worden.

30

Leg uit hoe gal belangrijk is voor de opname van vet in het lichaam.

Gal emulgeert in de eerste instantie het vet wat je darmen binnenkomt. Het zorgt ervoor dat enzymen bij het vet kunnen en de vetzuren er vanaf kan knippen. Vervolgens vormt het ook nog eens kleine micellen met de amfipatische vetzuren en monoacylglyceroslen en lysofosfolipiden, waardoor het vet kan worden opgenomen.

31

Hoe pas je je aan je dieet aan?

Een dier kan binnen bepaalde grenzen de expressie van de meeste spijsverteringsenzymen reguleren en zich zo aanpassen aan het dieet. Bij een vetrijk dieet zal meer pancreas-lipase gemaakt en uitgescheiden worden. Na operatieve verwijdering van ee nstuk darm zal de overgebleven dar meer eiwitten maken die de vertering en absorptie van voedinsstoffen bevorderen. Aangezien de meeste zoogdieren alleen in het begin van hun leven melk als voornaamste bron van energie en bouwstoffen gebruiken, maken jonge dieren relatief veel enzymen die specifiek zijn bij melkvertering.

32

Welk specifiek enzym maakt de jonge herkauwer voor melkvertering?

In het speeksel van vooral jonge herkauwers komt een specifiek tonglipase (lingual lipase) voor dat wordt uitgescheiden door de klieren van Von Ebner. Tonglipase lijkt op maaglipase en heeft een zelfde functie, namelijk de afbraak van melkvet in de maag. Beide lipases zijn actief bij een zure pH en zijn in staat om triacylglycerolen met vooral kort-ketenige vetzuren, zoals aanwezig in melk, af te breken tot diacylglycerolen, monoacylglycerolen en vetzuren. Deze zogenaamde preduodenale vetafrbaak in de maag is vooral belanrijk bij pasgeboren dieren, die nog maar een geringe hoeveelheid pancreaslipase produceren. Verder bevat melk zelf ook melklipase dat afkomstig is van de moeder.

33

Welk bijwonder enzym scheiden pasgeboren dieren in de maag uit?

Pasgeboren dieren scheiden ook het enzym rennine in de maag uit, dat zorgt dat de vetdeeltjes uit melk extra lang in de maag blijven. Hierdoor kunnen de tong- of maaglipasen hun werk beter doen. Rennine is een protease dat specifiek een gedeelte van het melkeiwit caseïne afsplitst waardoor dit onoplosbaar wordt. Het caseíne zal hierdoor samen met het melkvet neerslaan (stremmen) en langer in de maag verblijven.

34

Welk koolhydraat bevat melk?

Lactose. Dit wordt door het enzym lactase gesplitst in glucose en galactose. Lactase komt vooral in grote hoeveelheden in de dunne darm van een jong dier tot expressie.

35

Wat kan de darm van een pasgeboren dier opnemen?

Eiwitten, vooral antilichamen/immunoglobulines, kunnen intact worden opgenomen.

36

Hoe voorkomt het dier dat het zijn eigen digestietractus verteert?

In de eerste plaats bestaat de apicale membraan van darmcellen uit lipiden en eiwitten die relatief resistent zijn tegen proteases of fosfolipase. De meeste lipiden en eiwitten in de borstelzoom bevatten hiertoe suikergroepen aan die kant die in het darmlumen uitsteekt. Aan de buitenkant van de apicale membraan zit ook een beschermende slijmlaag: de glycocalyx, die uit relatief proteae-resistente mucopolysacchariden bestaat. Darmeiwitten en de verterings-enzymen worden uiteindelijk wel degelijk zelf verteerd (autodigestie). Een relatief snelle aanmaak van de verloren gegane darmeiwitten (uren) maar ook darmcellen (2-3 dagen) zorgt ervoor dat de darm intact blijft. Een groot deel van de aminozuren en peptiden die uiteindelijk worden opgenomen in de darm is dan ook afkomstig van lichaamseigen (endogene) eiwitten (afgestorven darmcellen en gesecreteerde eiwitten uit de pancreas en galblaas).

37

Hoe scheidt je enzymen uit?

Om te voorkomen dat de protease en het fosfolipase de cel en de opslaggranula van binnenuit verteren worden pepsine, trypsine, chymotrypsine, elastase, carboxypeptidase en fosfolipases A2 als inactieve pro-enzymen (zymogenen) gesynthetiseerd. Pas na secretie in de maag of in het darmlumen worden de enzymen geactiveerd door het proteolytisch verwijderen van een remmend gedeelte. In de maag activeert pepsinogeen zichzelf tot pepsine onder invloed van de lage pH. In de dunne darm wordt tryspinogeen in eerste instantie omgezet in actief trypsine door enterokinase, een enzym dat gebonden zit aan de apicale membraan van de darmcellen. Vervolgens verwijdert trypsine de remmende gedeeltes van de overige pancreasenzymen waardoor deze pas in de darm actief worden.

38

Verklaar dat een enterokinasedeficiëntie kan leiden tot algehele malabsorptie van vetten en eiwitten.

Als trypsinogeen niet meer geknipt wordt tot trypsine, worden de rest van de zymogenen ook niet actief gemaakt. Dit moet namelijk gebeuren door trypsine.

39

Welke verteringsenzymen worden in de pancreas gemaakt?

- Lipase
- Co-lipase
- Amylase
- Trypsine
- Chymotrypsine
- Elastase
- Carboxypeptidase

40

Welke verteringsenzymen worden in de dunne darm gemaakt?

- Dextrinase
- Glucoamylase
- Sucrase
- Aminopeptidase

41

Welke verteringsenzymen worden in de mond gemaakt?

Amylase en tonglipase

42

Welke verteringsenzymen worden in de maag gemaakt?

Pepsine en maaglipase

43

Welke stoffen kome ner uit de galblaas?

Galzure zougen en fosfolipiden

44

Wat vormt de belangrijkste energiebron van het jonge zoogdier? Hoe wordt het afgebroken in volwassen dieren? En hoe in jonge dieren?

Melkvet. Dit bestaat vrijwel alleen uit triacylglycerol. Dit wordt in de dunne darm door pancreas-lipase afgebroken tot 2-monoacylglycerol om vervolgens in de dunne darm opgenomen te worden. In de jonge hond is de vetdigestie in de darm onvoldoende ontwikkeld wat tot uitdrukking komt in weinig pancreasllipase. Vet wordt dan afgebroken door preduodenale lipases: tonglipase en maaglipase. Beide hydrolyceren triacylglycerolen in de maag. Tonglipase komt bij de hond niet voor.

45

Waarom kan melk in de maag klonteren? Waarom is dit handig?

Het enzym rennine (protease) wordt in de maag uitgescheiden en zorgt dat de vetdeeltjes van de melk extra lang in de maag blijven. Hierdoor kunnen tong- of maaglipasen hun werk beter doen. Rennine is een protease dat specifiek een gedeelte van het melkeiwit caseïne afsplitst, waardoor dit onoplosbaar wordt. Het caseïne zal samen met het melkvet neerslaan (stremmen) en daardoor langer in de maag blijven. De pH was eerst 5.1 en daarna 4.1. Dit komt omdat de secretie van zoutzuur omhoog is gegaan door vulling van de maag en chemische inhoud van de maag. Dit zet de pariëtale cel aan tot secretie.

46

Waaarom is de maag minder zuur bij pups als bij oudere honden na de maaltijd?

Een jonge hond heeft een pH > 4, de oude hond heeft een maag pH van 1-2. De zure maag is om bacteriën te doden. Hoe viezer het voedsel, hoe meer bacteriën. De melk (direct uit de uier) heeft weinig bacteriën en veel antilichamen en antibacteriële stoffen. Het is dus niet nodig om een hele lage pH te hebben bij een jonge pup. Het melkeiwit is heel makkelijk verteerbaar, dus een pup heeft geen voorvertering nodig in de maag. De oudere hond moet het vlees al ‘voorbereiden’. Daarbij heeft het jonge dier een nog niet zo goed ontwikkelde pancreas. De pancreas zorgt ervoor dat het maagzuur gebufferd wordt. Het jonge dier kan dat nog niet, dus het maagzuur kan niet zo zuur zijn.

47

In de eerste week na de partus zie je veel TAG, weinig MAG en DAG, weinig vetzuren en weinig hydrolyse. In de tweede week postpartum zie je minder TAG, meer DAG, meer MAG, meer vetzuren en meer hydrolyse. In de vierde week zie je minder TAG, minder DAG en MAG, minder vetzuren en minder hydrolyse. In de zesde week zie je heel veel TAG en praktisch geen DAG, MAG en vetzuren. De hydrolyse is afwezig. Verklaar deze waarnemingen.

Lipase verbreekt de verbinding van 1 vetzuur en de glycerol en zet er een water tussen. Je krijgt nu los vetzuur en DAG. Daarna maakt hij de andere los (dan krijg je MAG). TAG wordt dus minder en MAG en vrije VZ worden meer, want dat kan je opnemen. Rennine komt maar een korte tijd tot expressie en de expressie meot op gang komen. Na 1 week kan hij maar ongeveer 9% van het vet opnemen (wat meer 30 minuten in de maag heeft gezeten). Door de klontering zit het voedsel 2-3 uur in de maag. Nu is er veel meer van de TAG omgezet, dus zal zo ongeveer 45% van het vet opgenomen worden. 2 weken is de piek, daarna neemt hij weer af, omdat de pancreas de taak overneemt (deze is dan beter ontwikkeld). In het begin (1 week oud) zou je een beetje vet in de ontlasting kunnen zien. De maag kan nog niet alles omzetten en de pancreas is nog niet goed ontwikkeld. Maaglipase, lactase en rennine zijn in het begint van het leven erg hoog, maar zullen daarna afnemen.

48

Puppies maken nog weinig galzouten. Leg uit waarom zelfs maar een geringe activiteit van preduodenale lipases de noodzaak van galzouten bij de vetabsorptie sterk doet verminderen.

De pancreas lipase heeft een emulgator nodig om te werken. Pups hebben nog weinig galzouten. De afbraakproducten van vet zijn zelf een soort emulgator, doordat het vet hydrofoob is en het zuur erg polair is. Ook is de melk al een emulsie, dus heeft de pup niet echt een emulgator nodig in de maag.

49

Beredeneer of de activering van pepsinogeen afhankgt van de hoeveelheid die uitgescheiden wordt.

Spijsvertering is een best wel agressief proces. Er wordt pepsinogeen afgegeven aan de darmen en in de darmen wordt het omgezet in pepsine. Als pepsine gelijk wordt afgegeven, dan zla dit de intracellulaire structuren aanvallen. Bij een pH van 7 zit er een extra peptidebinding over de pepsine (heet dan pepsinogeen). Bij een pH van 1 – 2 zal er een conformatieverandering zijn en hij knipt zichzelf (autodigestie). Zo is de pepsine activering onafhankelijk van de concentratie.

50

Wat is de functie van het maagsap met daarin pepsine in de afbraak van eiwitten?

In het duodenum moeten alle proteolytische enzymen tegelijkertijd geactiveerd worden. Immers, de eiwitten in het voedsel moeten op verschillende plaatsen in hun aminozuurketens geknipt worden en de proteases hebben maar een beperkte levensduur in de darm. Het maagsap zorgt voor voorvertering. De lage pH zorgt voor denaturatie en het pepsine knipt de eiwitketens tot kleinere eiwitketens zodat zij niet meer terug kunnen vouwen

51

c. Beschrijf de activering van endo- en exopeptidases in het duodenum. Geef aan in welk opzicht de kinetiek van activering van trypsinogeen verschilt van die van pepsinogeen.

In de dunne darm werkt pepsine niet meer (te hoge pH). De pancreasenzymen werken goed bij een pH van 7. Trypsine, chymotrypsine, elastase en carbocypeptiden zijn voorbeelden van pancreasenzymen. Je moet weer pro-enzymen maken, maar je kan de pH truc niet meer toepassen. De pro-enzymen moeten nu door een ander enzym genkipt worden. De eiwitknipper zit op de apicale membranen van de darmcellen (enterokinase). Deze knipt trypsinogeen tot trypsine. Dit trypsine gaat vervolgens andere enzymen en andere trypsinogenen ook activeren. Zo krijg je een sneeuwbaleffect. Bij de pancreasenzymen is het dus wel belangrijk om een hoge concentratie te hebben (en bij pepsinogeen niet).

52

Wat is het verschil tussen een endo- en een exopeptidase en waarom zullen de exopeptidases meestal na de endopeptidasen werken?

Alles wat ‘in de keten’ knipt zijn endopeptidase. De exopeptidases knippen aan de uiteinden (dus maar 2 eindjes: de aminokant en de carboxylkant). Carboxypeptidase is een exopeptidase uit de pancreas en aminopeptidase is een exopeptidase die op de darmwand zit en niet uit de pancreas komt. Trypsine, chymotrypsine en elastase zijn endopeptidase.

53

a. Waarom zullen dieren die “lactose intolerant” zijn, vaak last hebben van winderigheid en een dunne ontlasting hebben na het drinken van melk?

Lactase is een glucose en een galactose aan elkaar. Dit moet geknipt worden. Als je dit niet kan, ben je lactose intolerant. Je krijgt dan diarree en winderigheid (gasvorming), lusteloosheid en verminderde groei. Dit komt doordat het niet verteerd kan worden en dus niet opgenomen kan worden. Bacteriën gaan het lactose wel omzetten (fermentatie) waardoor gas ontstaat en je krijgt diarree omdat er een osmotische gradiënt naar je darm is (osmotische diarree).

54

Hoe kun je bepalen of een dier een bepaald koolhydraat niet kan absorberen?

Om te bepalen of een dier een bepaald koolhydraat niet kan absorberen. Wordt een tolerantie test voor die (poly)saccharide uitgevoerd. Hiervoor krijgt het dier een oplossing van die koolhydraat (b.v. lactose of zetmeel) te drinken. Daarna wordt het glucose gehalte in het bloed gemeten.

55

Verklaar wat er in het geval van een intolerante hond zal gebeuren met het bloedglucosegehalte

Het bloedglucose gehalte stijgt niet, omdat er geen glucose wordt opgenomen.

56

Noem een moderne methode waarbij je kunt bepalen of een dier een bepaald koolhydraat kan absorberen.

Na het drinken van een koolhydraat-oplossing wordt het waterstof (H2) gehalte in de uitademingslucht gemeten (en de CH4) in ppm op verschillende tijdstippen na het toedienen.

57

Waarom zullen de concentraties H2 of CH4 omhoog gaan in de uitademingslucht van lactose intolerante kinderen bij het geven van een lactose-oplossing?

Als je lactose intolerant bent zullen de concentraties H2 en CH4 omhoog gaan omdat er gas wordt gemaakt en vrijkomt dankzij fermentatie.

58

Verklaar waarom je bij het bepalen van intolerantie voor een koolhydraat liever de H2 dan de CH4 in de uitademing bepaald.

Voor de diagnostiek si het gunstiger om een groot verschil te hebben. Waterstof geeft een groter verschil tussen ziek en gezond.

59

Waarom zullen jonge lactose intolerante dieren vaak meer last hebben van diarree na het drinken van melk dan oudere dieren?

?

60

f. Welk enzym is niet werkzaam bij lactose intolerante dieren?

Bij lactose intolerantie is er een defect in de lactase.

61

g. Welke enzymen/eiwitten kunnen theoretisch niet goed functioneren (defect zijn) in een dier dat intolerant is voor zetmeel?

Zetmeel wordt afgebroken door amylase, maltase en dextrinase. Bij intolerantie van zetmeel kan dus 1 van deze enzymen defect zijn. Ook kan de glucose transporter (natriumafhanklijke) defect zijn.