Werkcollege 7 - C Flashcards Preview

Digestie > Werkcollege 7 - C > Flashcards

Flashcards in Werkcollege 7 - C Deck (31):
1

Benoem de fracties van de Weende analyse

1. DS (droge stof)
2. RAS (ruwe as)
3. RE (ruw eiwit)
4. RVET (ruw vet)
5. RC (ruwe celstof)
6. OK (overige koolhydraten)

2

Hoe bereken je de OK?

Je trekt alle overige fracties van de ruwe stof af. Als er alleen een N staat, doe je die keer 6,25

3

Welke belangrijke verschillen zijn er in de resultaten van de Weende analyse tussen plantaardige en dierlijke producten?

In dierlijke producten zit geen ruwe celstof.

4

Hoe verklaar je een hoge RAS-fractie bij vismeel?

Vismeel is gemaakt van botjes, waarin veel calcium zit en dus is de hoeveelheid RAS hoog.

5

Wanneer bevat je meer vezels?

Als je percentage ruwe celstof (RC) hoger is. In gras zit meer % RC dan in haver

6

Bedenk de reden waarom analyseresultaten vaak per kg droge stof worden uitgedrukt.

Vaak zit er veel verschil in hoeveelheid water. Om de voedingsstoffen eerlijk te vergelijken kan je dan beter de droge stof gebruiken, dan heb je een reële vergelijking.

7

In welke fractie komt vitamine K?

Vetoplosbaar, komt in Rvet

8

In welke fractie komt kalium?

Eiwit, komt in Re

9

In welke fractie komt NH3?

RE dankzij N, maar ook in vocht bij verhitting (gas en verdwijnt)

10

In welke fractie komt zand?

RAS

11

In welke fractie komen wassen?

RVET

12

In welke fractie komt lignine?

Zit in celwand, komt in RC

13

In welke fractie komt pectine?

Lost op in zuur, komt in OK

14

In welke fractie komt vitamine X?

Wateroplosbaar, maar vervliegt niet bij drogen dus komt in OK, net als andere wateroplosbare vitaminen.

15

Wat zijn de wateroplosbare vitamine?

Vitamine B (allemaal) en vitamine C

16

Wat zijn de vetoplosbare vitaminen?

Vitamine A, D, E en K

17

Verklaar waarom sojaschilfers en sojaschroot beide een hoger RE-gehalte hebben dan sojabonen en waarom er verschil bestaat tussen schilfers en schroten.

Bij de mechanische bewerking hou je sojaschilfers over, daar zit veel vet in, omdat je niet alles eruit kan persen. Het sojaschoot hou je over als je chemisch bewerkt (minder vet). Beide hebben een hoger RE-gehalte dan sojabonen, want de fractie vet is eruit gehaald, daardoor krijg je procentueel meer ewit

18

Welk product zal het hoogste OK-gehalte hebben als je kijkt naar sojabonen, sojaolie, sojaschilvers en sojaschroot.

Sojaschroot. Doordat er in schroot minder vet zit, zullen alle fracties omhoog gaan en dus ook de OK

19

Waarvan is de voederwaarde van voedermiddelen afhankelijk? Wat moet je daarvoor vaststellen?

Behalve van de chemische samensetlling ook van de mate van vertering tijdens de passage door de verschillende delen van het maagdarmkanaal. Voor het vaststellen van de verteringscoëfficiënten wordt de verteringsproef uitgevoerd.

20

Geef een voorbeeld van een verteringsproef.

6 varkens met een lichamasgewicht van ongeveer 70 kg krijgen van het te onderzoeken voer 2 kg per dag. Na een voerperiode van 10 dagen, wordt de feces gedurende 7 dagen per dier gescheiden van de urine opgevangen. De in deze 7 dagen verzamelde feces wordt per dier samengevoegd, gewogen en goed gemengd en vervolgens bemonsterd. Zowel het voer als de fecesmonsters worden geanalyseerd (weende analyse).

21

Bij het vergelijken van de gehaltes in de droge stof in de feces ten opzichte van die in het voer blijken de gehaltes ras en rc toe te nemen. Kun je verklaren waarom?

Schijnbare absorptie = (opname voedingsstof - voedingsstof in ontlasting) / opname.

Gedurende het MDK verdwijnen er veel fracties uit de voeing. In de ontlasting zal er per fractie meer moeilijk verteerbare voedingsstoffen zijn, en dus meer ras en rc.

22

Waarom moeden de feces en urine bij verteringsproeven gescheiden worden opgevangen?

Door ureum in de urine zal de fractie RE omhoog gaan, daardoor moet je voor de meting van de urine de ontlasting gescheiden opvangen.

23

Hoe kun je de verteerbaarheid aan het einde van het ileum bepalen en waarom doe je dat?

Met behulp van gecanuleerde varkens is het mogelijk om de verteerbaarheid aan het einde van het ileum te bepalen. Dan spreek je van een schijnbare ileale verteerbaarheid. Als je dan ook corrigeerd voor de endogene fractie, kan de werkelijke ileale verteerbaarheid worden berekend.

24

Wat is de verklaring voor het feit dat sommige koolhydraten niet kunnen worden afgebroken met diereigen enzymen?

Aanwezigheid van bèta-glucoside bindingen (m.u.v. lactose) zorgt ervoor dat sommige koolhydraten niet kunnen worden afgebroken met diereigen enzymen.

25

Geef aan welke verteringsproducten er aan de maagdarmwand worden aangeboden na afbraak van cellulose en zetmeel.

Na afbraak van cellulose ontstaan er vluchtige vetzuren, die door de dikke darmwand opgenomen kunnen worden. Na afbraak van zetmeel ontstaat glucose, wat met een speciale transporter die natrium heeft gekoppeld door de membraan heen komt.

26

Wat zijn de oorzaken voor de verschillen in energetisch rendement tussen enzymatisch verteerde en fermentatief afgebroken koolhydraten?

Bij fermentatie heeft de bacterie zelf ook voedsel nodig, dus ongeveer 10% van de voedingsstoffen worden gebruikt door de bacterie.

27

Bedenk hoe men een schatting kan maken van de endogene eiwitverliezen aan het einde van de dunne darm.

Als je eiwitvrij voert, kan je kijken hoeveel eiwit er in de chymus zit, om te kijken hoeveel endogeen verlies er is.

28

Bedenk een reden waarom men de ileale verteerbaarheid van RE zou willen weten.

Er verdwijnt RE uit de dikke darm anders dan via de feces. Er is dus absorptie van bijvoorbeeld NH3 of animes of ureum. Voor snelgroeiende dieren, zoals varkens of kippen, wordt veel gebruik gemaakt van de ileale vertering. De ileale vertering geeft een nauwkeuriger beeld van de beschikbaarheid van nutriënten voor het dier.

29

Bedenk een methode om de totale hoeveelheid chymus (kg/dag) te bepalen die de canule passeert.

Je kan een re-entrent canule of merkstoffen gebruiken om de totale hoeveelheid chymus (kg/dag) te behpalen die de canule passeert.

30

Noem een veel gebruikte merkstof bij het doen van verteringsproeven.

Chroomoxide is een veel gebruikte merkstof bij het doen van verteringsproeven onder omstandigheden waarbij het niet mogelijk of te bewerkelijk is om feces kwantitatief te verzamelen.

31

Welke belangrijke aanname ligt er aan het gebruik van Cr2O3 tals indicator bij verteringsproeven ten grondslag?

Het mag neit verteerbaar zijn en het mag ook niet zelf gemaakt worden door het eigen lichaam. Daarnaast moet de kinetiek van het merkstofje hetzelfde zijn als de te meten stof.