Winkel Flashcards Preview

Parole > Winkel > Flashcards

Flashcards in Winkel Deck (156):
0

Distribuire
La consegna
Consegnare la pizza

Iets leveren
De uitlevering
Pizza bezorgen

1

Garantire

Garanderen

1

antique dealer

antiquair

2

Disponibile
Fornire

Voorradig
Beschikbaar
Bevoorraden

2

chemist's

apotheek

3

Disporre di

Beschikken over
Geschikt voor adatto per

3

baker's (shop)

bakker

4

Offirire
In abbondanza

Bieden
Volop

4

bank

bank

5

Decente, dignitoso

Behoorlijk, fatsoenlijk

5

confectioner's

banketbakkerij

6

Il risparmio

De besparing

6

barber

barbier, kapper

7

Il grande magazzino

Het warenhuis

7

butcher's (shop)

beenhouwerij

8

La condizione

De voorwaarde

8

library

bibliotheek

9

Pronta consegna

Direct leverbaar

9

sweetshop

bollenwinkel

10

L importo

Het bedrag

10

café

café

11

L affare

De handel

11

newsagent

dagbladhandelaar

12

Il commercio esteri

De buitenlandse handel

12

pet supply store

dierenspeciaalzaak

13

Il valore

De waarde

13

pet store

dierenwinkel

14

Spiccioli

Kleingeld

14

dry cleaner's

droogkuis

15

Cambiare monetao

Wisselen

15

fruiterer

fruithandel

16

Il profitto

De winst

16

greengrocer

groentenwinkel

17

Risparmiare

Sparen

17

watchmaker's

horlogemaker

18

Spendere

Besteden
Uitgeven

18

ironmonger's (shop)

ijzerwaren

19

hairdresser

kapper

20

Prelevare

Geld opnemen

20

clothes shop

kledingzaak, klerenwinkel

21

Assegno

De cheque

21

grocer's (shop)

kruidenier

22

L atm

De geldautomaat

22

optician

opticien, brillenwinkel

23

Contanti

Contant

23

stationer's

papierhandel

24

Prestare

Lenen

24

perfumery counter

parfumerie

25

Il prestito

De lening

25

post office

postkantoor

26

Sto solo dando una occhiata...

Ik kijk alleen even rond

26

pub

pub

27

travel agency

reisagentschap

28

restaurant

restaurant

29

cobbler

schoenmaker

30

tobacconist's

sigarenwinkel

31

Cassaforte

De kluis

31

savings bank

spaarbank

32

Respingere, rifiutare

Weigeren ( een paket)

32

supermarket

supermarkt

33

i vestiti
Sbottonare

De kleren
Ontknopen
Uittrekken

33

second hand shop

tweedehandswinkel

34

Caro
Economico
Ragionevole, abbordabile

Duur
Goedkoop
Betaalbaar

34

fishmonger

viswinkel

35

Accettare

Accepteren

35

launderette

wassalon

36

Lui indossa vestiti completamente grigi

Hij draagt geheel grijze kleren

36

laundry

wasserij

37

Cintura di cuoio

Leren riem

37

shopping centre

winkelcentrum

38

Colorato

Gekleurd

39

Il prezzo e' meta' euro

De preis is een halve euro

40

Jeans sbiaditi

Fletse spijkerbroek

41

Le maniche lunghe sono ADATTE voor koud weer

Lange mouwen zijn GESCHIKT voor koud weer
Beschikken over disporre

42

Il prodotto in mostra

De monster

43

Un paio discarpe da ginnastica

Een paar sneakers/ gympen

44

Il commesso da al cliente il resto e una borsa con merce (prodotti)

De winkel bediende geeft de klant wisselgeld en een tas met goederen

45

La merce

De goederen

46

Il resto
Lo scontrino

Het wisselgeld
De bon

47

Il nastrino

Het lintje

48

30 percento di sconto

30 procent korting

49

Questo vestito e' adatto a una festa

Deze jurk is geschikt voor een feest

50

Vestiti normali
Il vestito buono

Gewone kleren
Het nette pak

51

Commerciale

Commercie:el

52

Guadagnare
Spendere

Verdienen
Uitgeven

53

Comprare qualcosa al mercato o in negozio
A chi tocca?
Cosa desidera?
Altro? E' tutto?

Iets OP de markt of IN de winkel kopen
Wie is er aan de obeurt?
Wat mag het zijn?
Anders nog iets? Nee, anders niets.
Dat was het? Ja, dat was het.

54

Pagare
Arrotondare
Contrattare

Betalen
Afronden (naar beneden)
Onderhandelen over een aankoop

55

Sacchetto?

Tasje erbij?

56

Vado a comprare da mangiare

Ik ga eten kopen

57

Il valore
Apprezzare
Diminuire
Aumentare
Senza valore
Trascurare , trascurarsi

De waarde
Waarderen
In waarde Dalen
Toenemen
Waardeloos
Verwaarlozen

58

Fare la spesa al mercato/ supermercato/ dal panettiere

Bodschappen doen op de markt/ in de supermarkt/ bij de bakker

59

Cosa prende?

Wat mag (zal) het zijn?

60

Quanto fa? Quant'e'?

Hoeveel is het?

61

Sa dove e' l Hema?

Weet u waar de Hema is?

62

Pantaloni a tre quarti

Driekwart broek

63

Il completo da uomo
La camicia
Il gile
La giacca da uomo
La cravatta

Het pak
Het overhemd
Het vest
Het colbert
De stropdas

64

I vestiti primaverili

De voorjaarkleding

65

Una maglietta fica e disinvolta, gialla, con una figura rossa sopra.
La maglietta
La figura

Een stoer vlot geel t-shirt met een rood figuur erop
Het t shirt
Het figuur

66

Quanto possiamo spendere precisamente?

Abbiamo ancora 20 euro.

Hoeveel kunnen wij eigenlijk uitgeven?

We hebben 20 euro over

67

20 euro

E' abbastanza
E' troppo poco

Het is genoeg.
Het is te weinig.

68

Una cassetta di birra
Un cartone di latte
Una vaschetta di funghi

Een kraat bier
Een pak melk
Een bakje chamignons

69

Presta buona attenzione alle offerte!

Let goed op
aan de aanbiedingen!

70

Comprare
Al pezzo
Un pacco doppio di caffe
3 per 2

Kopen
Aan het stuk
Een duopak koffie
3 halen, 2 betalen

71

Cose di seconda mano

Tweedehands spullen

72

3per2: tu paghi il 33& meno.

: je betaalt 33& minder.

73

Costano 3 euro al pezzo

Ze kosten 3 euro per stuk

74

Il prezzo richiesto e'

De vraagprijs is...

75

Il prezzo e' ragionevole.

De prijs is redelijk.

76

Spendere
Pagare in contanti

Uitgeven
Contant betalen

77

La tessera bancomat

De pinpas

78

Il giornalino pubblicitario

Het advertentie.krantje

79

Il marchio del supermercato

(Van)Het huismerk

80

Abbiamo ancora del denaro.

We hebben geld over.

81

Negozio di seconda mano

De kringloop.winkel

82

In quasi tutti gli altri negozi

In bijna alle andere winkels.

83

Come faccio a prendere un numerino?

Hoe kom ik aan een nummer?

84

Le dispiace molto se io aiuto per primo questo signore?

Vind U het heel erg als ik eerst deze meneer help?

85

Prendere un numero dalla macchinetta.

Een nummer uit de automaat halen.
Een nummer trekken.

86

Vendere sottocosto

Dumpen

87

Il coperchio del barattolo

De schroef.dop

88

Il negozio esiste da 10 anni

De winkel bestaat al10 jaar.

89

Il negozio di seconda mano

Kring.loop.winkel

90

La scala mobile

De roltrap

91

Il rilevatore di fumo

De rookmelder

92

Fare provvista di

Inslaan
Imboccare una via
Frantumare una vetrina

93

Il bancone

De counter

94

Quanti francobolli vuoi?
Ne ho bisogno di tre

Heoveel postzegels wilt u?
Ik heb er drie nodig.

95

L acquirente

De afnemer
De afnemster

96

Il negozio fai da te

De doe - het - zelf zaak

97

Gli orari di apertura

De openings.tijden

98

Chiudere (il negozio)

Sluiten
Dichtdoen

99

Aprirsi

Opengaan

100

Sto cercando un ...

Ik ben op zoek naar...

101

Il venditore di gelati

De ijscoman

102

Il fornitore

De leverancier

104

Feste

Konings.dag
Bevrijdings.dag
Nationale Dodenherdenking : 4 maggio

105

Riuscire a trovare qq

Iets
Op de kop
Tikken

106

La pubblicita' cartacea spedita (di un negozio)

De folder

107

Con l eccezione di

Muv

Met uitzondering van

108

Valido fino ad esaurimento scorte

Geldig
Zolang
De voorraad
Strekt

109

Fino a esaurimento

Geldig
Zolang
De voorraad strekt

110

Buono sconto

Waarde.bon

111

Il volantino

De folder

112

Prendo 1 kg e mezzo di mele

Ik neem
Anderhalf kilo appels

113

Volentieri
200 g carne trota
E 1/2 kg di salciccia

Graag
200 g bereid gehakt
En een halve kilo worst.

114

Riportare in negozio

Naar de winkel
Terugbrengen.

115

Sto cercando ...una giacca invernale

Ik ben op zoek naar...
Een winter jack (iak)

116

Signorina (commessa)

Wintermejsje

117

Taglia
Modello

Maat
Model

118

Uscita

Uitgang
Nood.uitgang
Uitgangs.bord

119

Avere a disposizione (per la vendita)

Essere disponibile

In voorraad
Hebben

Vorradig zijn

120

Riempire gli scomparti

Vakken vullen

Vakkenvuller : addetto

121

La scala mobile

De rol.trap

122

Stai cercando degli occhiali?

Ben je opzoek naar een bril?

123

Fragile

Breekbaar

124

Onesto / disonesto

Eerlijk / oneerlijk