Farmacologie 1B.1 Flashcards Preview

Farmacologie > Farmacologie 1B.1 > Flashcards

Flashcards in Farmacologie 1B.1 Deck (35)
Loading flashcards...
1
Q

De alfa-1-adrogene receptor heeft … als doelorgaan

A

Bloedvaten

2
Q

De alfa-2-adrogene receptor heeft … als doelorgaan

A

Bloedvaten (ook pre-synoptisch)

3
Q

De bèta-1-adrogene receptor heeft … als doelorgaan

A

Het hart

4
Q

De bèta-2-adrogene receptor heeft … als doelorgaan

A

Bloedvaten en bronchiën

5
Q

De alfa-1-adrogene receptor heeft van hoog naar laag affiniteit voor:

A

Hoog: noradrenaline
Middel: adrenaline
Laag: isoprenaline

6
Q

De alfa-2-adrogene receptor heeft van hoog naar laag affiniteit voor:

A

Hoog: noradrenaline
Middel: adrenaline
Laag: isoprenaline

7
Q

De bèta-1-adrogene receptor heeft van hoog naar laag affiniteit voor:

A

Laag: noradrenaline
Middel: adrenaline
Hoog: isoprenaline

8
Q

De bèta-2-adrogene receptor heeft van hoog naar laag affiniteit voor:

A

geen: noradrenaline
Middel: adrenaline
Hoog: isoprenaline

9
Q

Phenylephrine

A

alfa 1 agonist

10
Q

Amfetamine (speed)

A

alfa 1 agonist en alfa 2 agonist

11
Q

Adrenaline

A

alfa 1 agonist en alfa 2 agonist

12
Q

Noradrenaline

A

alfa 1 agonist en alfa 2 agonist

13
Q

Chonidine

A

alfa 2 agonist

14
Q

Dobutamine

A

bèta 1 agonist

15
Q

Salbutamol

A

bèta 2 agonist

16
Q

Phentolamine

A

alfa 1 antagonist en alfa 2 antagonist

17
Q

Phenoxybenzamine

A

alfa 1 antagonist en alfa 2 antagonist

18
Q

Prazosine

A

alfa 1 antagonist

19
Q

Doxazosine

A

alfa 1 antagonist

20
Q

Yohimbine

A

alfa 2 antagonist

21
Q

Propranolol

A

bèta 1 antagonist en bèta 2 antagonist

22
Q

Pindolol

A

bèta 1 antagonist en bèta 2 antagonist

23
Q

Atenolol

A

bèta 1 antagonist

24
Q

Metoprolol

A

bèta 1 antagonist

25
Q

Butaxol

A

bèta 2 antagonist

26
Q

Farmacologische effecten alfa 1 adrenoceptor agonisten

A

Vasoconstrictie
Verhoging perifere weerstand
Bloeddruk verhoging
Urineblaas sphincter sluiten.

27
Q

Farmacologische effecten van alfa 2 adrenoceptor agonisten

A

Verminderde transmitter afgifte, omdat er sprake is van een negatieve terugkoppeling
Vasoconstrictie
Verminderde insuline afgifte en dit leidt bij sympathische activiteit tot een wat verhoogde glucosespiegel.

28
Q

Farmacologische effecten bèta 1 adrenoceptor agonisten

A

Stijging hartfrequentie
Stijging hartcontractiliteit
Stijging geleiding in het hart
Stijging renine afgifte

29
Q

Farmacologische effecten bèta 2 adrenoceptor agonisten

A

Vaatverwijdend effect op de weerstandsvaten waardoor er een vermindering van de perifere vaatweerstand ontstaat;
Verslapping bronchi (dilatatie);
Verslapping uterus;
Verhoging glycogenolyse in de spieren en lever;
Verhoging glucagonafgifte.

30
Q

Farmacologische effecten alfa 1 adrenoceptor antagonisten

A

Bloedvaten: vasodilatatie
Perifere vaatweerstand wordt verlaagd
Bloeddruk verlaging
Prostaat relaxatie
Urineblaas sphincter opent

31
Q

Farmacologische effecten alfa 2 adrenoceptor antagonisten

A

Transmitter afgifte verhoging
Vaatvernauwing, netto geen effect
Insuline afgifte verhoging

32
Q

Farmacologische effecten bèta 1 adrenoceptor antagonisten

A

Hartslag verlaging;
Hartcontractiliteit verlaging;
Hartvertraging vertraging;
Renine afgifte vermindering.

33
Q

Isoprenaline

A

verlaging perifere vaatweerstand door B2. Verhoging hartfrequentie door A1. Deze twee hebben samen een effect op de atriale bloeddruk.

34
Q

Noradrenaline

A

verhoging perifere vaatweerstand door vasoconstrictie door A1 en A2. De hartfrequentie daalt door activatie van de baroreceptoren wat zorgt voor een verlaging van de hartfrequentie. Dit resulteert in een verhoging van de atriale bloeddruk.

35
Q

Adrenaline

A

verlaging perifere vaatweerstand door B2. Verhoging van de hartfrequentie door B1 In de atriale bloeddruk heffen deze twee elkaar grotendeels op.