Farmacologie 1C.1 Flashcards Preview

Farmacologie > Farmacologie 1C.1 > Flashcards

Flashcards in Farmacologie 1C.1 Deck (15)
Loading flashcards...
1
Q

Mesalazine (5-ASA preparaten)

A

Anti-inflammatoire medicijnen gebruikt bij mild tot matige CU voor inductie- en onderhoudstherapie (niet bij CD). Ze kunnen worden toegediend via klysma’s (sigmoïd) of oraal (rechtszijdig). Combi-therapie (oraal en lokaal) is effectiever (linkszijdig). Elk half jaar bloed controle nodig. Bijwerkingen: hoofdpijn, misselijkheid, pancreatitis, interstitiële nefritis of bloedverlies door een paradoxale opvlamming van de ziekte.

2
Q

Steroïden (prednison) of steroïde sparende medicatie (budesonide)

A

Prednison wordt gebruikt als inductietherapie bij CD en CU. Het zorgt ervoor dat de ontsteking acuut vermindert. Veel bijwerkingen, max. 12 weken gebruiken. Prednison kan oraal en intraveneus worden toegediend of klysma’s. Budesonide werkt topicaal op de darm, bij het rechtszijdige colon en de ileocecaal regio. Het is minder toxisch en kan daarom langer gegeven worden. Budesonide wordt m.n. gegeven aan patiënten met milde CD in de ileocecaal regio. Bijwerkingen: emotionele instabiliteit, acne, oedeem, hypertensie, infecties, diabetes. gewichtstoename en osteoporose;

3
Q

Immunosuppressiva MTX (methotrexaat) of thiopurines (azathioprine, mercaptopurine en tioguanine)

A

Hebben een inwerktijd van 3 maanden en worden dus gebruikt als onderhoudstherapie. Thiopurines voor CU en CD en MTX alleen voor CD en via prik toegediend.
Bijwerkingen (thiopurines): veroorzaakt door de afvalstoffen en kan zogen voor pancreatitis, beenmergtoxiciteit, griepachtige verschijnselen, leverontsteking en een lymfoom. Bijwerkingen van MTX: leverontsteking. kaalheid, griepachtige verschijnselen en teratogeen. MTX mag niet worden gecombineerd met zwangerschap, maar heeft als grote voordeel dat het niet kankerverwekkend is. Vanwege het verhoogde risico op infecties moet zeer frequente bloedcontrole worden gedaan bij de start van de medicijnen.

4
Q

Enzym TPMT

A

Belangrijkste rol bij omzetting azathioprine naar actieve metaboliet, wordt van tevoren gecheckt. Bij afwijking kan dit zorgen voor heel veel bijwerkingen.

5
Q

Anti-TNF- α (infliximab/adalimumab)

A

Biologicals, TNF is een cytokine die bij CU en CD verhoogd aanwezig zijn en de ontsteking stimuleert. Anti-TNF-α zorgt bij 30% van de patiënten voor een remissie, bij 30% voor een respons (beter voelen, zonder sprake remissie) en bij de overige patiënten helpt het medicijn niet. Anti-TNF-α kan het slijmvlies ook helen. Infliximab en adalimumab geven veel kans op infecties. Daarom moet van tevoren en tijdens de therapie vaak gekeken worden of de patiënt (onderdrukte) infecties heeft. Ook mogen deze patiënten geen levende vaccins krijgen en worden dus beperkt in hun reismogelijkheden. Bijwerkingen: infusie-gerelateerde, infecties, allergieën, TBC reactivatie en huidmaligniteiten.

6
Q

Vedolizumab

A

wordt gegeven als anti-TNF medicatie niet werkt. Hierdoor kunnen cellen niet aan de bloedvatwand hechten, waardoor de ontsteking niet kan ontstaan;

7
Q

JAK-remmers (Tofacitinib)

A

effect na 3 dagen, alleen voor CU, JAK 1/3 remmers: remmen signaaltransductie van cytokine receptoren en groeifactoren, waardoor cel proliferatie en differentiatie geremd wordt. Effectief bij chronische inflammatoire aandoeningen.

8
Q

Chirurgie

A

Bij CU is het curatief (verwijderen colon), dit geeft wel stoma of lleorectale anastomose. Bij CD is het niet curatief, wel ileocolische segmentele resectie.

9
Q

Microcytaire anemie (verlaagd reti’s)

A

MCV < 80 fl, roti’s verlaagd dus aanmaak probleem door: ijzergebrek of chronische ziekte

10
Q

Microcytaire anemie (normaal of verhoogd reti’s)

A

MCV < 80 fl, roti’s normaal/verhoogd dus geen aanmaak probleem –> Hb-pathie (thalassemie): een kwantitatief tekort, wordt minder Hb aangemaakt en zullen de ery’s kleiner zijn. Hierbij zijn de reticulocyten normaal of verhoogd ter compensatie

11
Q

Normocytaire anemie (verlaagde reti’s)

A

MCV 80-100 fL, veroorzaakt door een nierziekte, anemie van de chronische ziekte, infiltratie van het beenmerg door een maligniteit, myelodysplastisch syndroom (MDS, defect stamcellen) en aplastische anemie is de aanmaak verlaagd, dus zijn de reticulocyten verlaagd;

12
Q

Normocytaire anemie (normale reti’s)

A

MCV 80-100 fL, veroorzaakt door acute bloeding en hemolyse zonder reticulocytose: een normale hoeveelheid reticulocyten;

13
Q

Normocytaire anemie (verhoogde reti’s)

A

MCV 80-100 fL, sikkelcelanemie: kwalitatief defect Hb-ketens, geeft verhoogde hoeveelheid reticulocyten.

14
Q

Macrocytaire anemie

A

MCV > 100 fL, veroorzaakt door een vit. B12 deficiëntie, een foliumzuur deficiëntie, alcohol, hypothyreoïdie, MDS en hemolyse. Een vit. B12 of foliumzuur deficiëntie leidt tot een probleem in de deling waardoor ery’s groter blijven. Al deze vormen geven een verlaagde hoeveelheid reticulocyten. Een uitzondering hierop vormt hemolyse die zorgt voor een verhoogde hoeveelheid reticulocyten.

15
Q

Hemolytische factoren

A

bilirubine (verhoogd), haptoglobine (verlaagd: bindt aan vrij bilirubine) en LDH (verhoogd, komt vrij bij afbraak cellen) –> altijd DAT (directe antiglobuline test) geeft aan of het auto-immuun is anders corpuscellulair.