Schema 1C2 Flashcards Preview

Farmacologie > Schema 1C2 > Flashcards

Flashcards in Schema 1C2 Deck (30)
Loading flashcards...
1
Q

Cori-cyclus

A

glucose wordt gebruikt door erytrocyten en omgezet naar lactaat, wat in de lever gebruikt wordt voor gluconeogense.

2
Q

Lactaat dehydrogenase

A

Lactaat <–> pyruvaat (voor glyconeogense wordt lactaat omgezet naar pyruvaat).

3
Q

HSL (hormoon sensitive lipase)

A

Wordt geremd door insuline, breekt TG in vet- en spierweefsel af tot glycerol en vetzuren.

4
Q

glycerolkinase

A

Zit alleen in de lever: glycerol –> glycerol-3P voor gluconeogenese of opslag van FFA en glycerol in vet- en spierweefsel

5
Q

glycerol-3P dehydrogenase

A

Zit in de lever: glycerol-3P –> dihydroxyacetonfosfaat wat in kan grijpen op gluconeogense.

6
Q

acyl-CoA synthetase

A

FFA –> acyl-CoA in vet- en spierweefsel

7
Q

CPT-1

A

Acyl-CoA transporteren naar matrix mitochondrium voor oxidatie m.b.v. carnitine. Wordt geremd door malonyl-CoA, dit wordt gevormd bij vetzuursynthese.

8
Q

pyruvaat dehydrogenase

A

pyruvaat –> acetyl-CoA (sleutelenzym: kan dus maar een kant op).

9
Q

Citraat synthase

A

Acetyl-CoA –> citraat voor CAC of lipogenese. Citraat kan over het dubbel membraan mitchondrium terug naar het cytosol.

10
Q

acetyl-CoA carboxylase

A

Nadat citraat in cytosol weer omgezet is naar acetyl-CoA: acetyl-CoA –> malonyl-CoA voor lipogenese in lever

11
Q

fatty acid synthase

A

malonyl-CoA –> Acyl-CoA in cytosol voor lipogense in lever

12
Q

Acyl transferase

A

acyl-CoA –> TG voor lipogenese in lever, hierna voegt apoB100 zich bij TG en wordt VLDL gevormd.

13
Q

Ketogense

A

uit 2 acetyl-CoA –> HMG-CoA –> acetoacetaat (ketonlichaam)

14
Q

B-hydroxybutyraat dehydrogenase

A

acetoacetaat –> B-hydroxybutyraat (ketonlichaam)

14
Q

B-hydroxybutyraat dehydrogenase

A

acetoacetaat –> B-hydroxybutyraat (ketonlichaam)

15
Q

pyruvaat carboxylase

A

pyruvaat –> oxaalacetaat omzetting in het cytosol voor de gluconeogense of in spier en vetweefsel voor productie van metabolieten CAC anaplerotische werking

16
Q

PEP carboxykinase

A

oxaalacetaat –> PEP voor gluconeogense in cytosol

17
Q

pyruvaat kinase

A

PEP –> pyruvaat in glycolyse

18
Q

PFK-1 (fosfofructokinase-1)

A

fructose-6P –> fructose-1,6-bisfosfaat; gereguleerd door hoeveelheid fructose-2,6-bisfosfaat wat zorgt voor stimulatie PFK-1. Belangrijkste sleutelenzym, heeft vanaf hier geen zijpaden meer tot pyruvaat vorming.

19
Q

fructose-1,6-bisfosfatase

A

fructose-1,6-bisfosfaat –> fructose-6P; wordt gereguleerd door hoeveelheid fructose-2,6-bisfosfaat wat zorgt voor remming van fructose-1,6-bisfosfatase.

20
Q

Glucagon

A

bindt aan receptor –> stijgen van cAMP waardoor PKA gefosforyleerd wordt.

21
Q

PKA (gluconeogense/glycolyse)

A
  • fosforyleren PKF-2 –> inactiveren en geen productie fructose-2,6-bisfosfaat en dus stimuleren gluconeogenese en remmen glycose.
  • activeren fructose-2,6-bisfosfatase: breekt fructose-2,6-bisfosfaat af.
  • fosforyleren fructose-1,6-bisfosfatase –> activeren enzym.
22
Q

PKA (glycogenese/glycolyse)

A
  • fosforyleren glycogeensynthase –> inactiveren enzym en remmen glycogenese
  • fosforyleren fosforylasekinase –> activeren enzym, dit kan fosforylase fosforyleren wat de glycogenolyse stimuleert.
23
Q

glucokinase

A

glucose –> glucose-6P voor glycogenese of glucolyse in het cytosol lever en eilandjes van langerhans

24
Q

glucose-6-fosfatase

A
  • glucose-6P –> glucose voor de gluconeogense in het cytosol
25
Q

fosfoglucomutase

A

glucose-6P <–> glucose-1P voor glycogenese of glycogenolyse

26
Q

glycogeen synthase

A

glucose-1P –> glycogeen o.i.v. insuline is dit enzym gedefosforyleerd.

27
Q

Insuline

A

zorgt voor de defosforylering van enzymen en daarmee de activering.

28
Q

glycogeen fosforylase (werkt samen met debranching enzym)

A

glycogeen –> glucose-1P voor glycogenolyse

29
Q

glucose-6P dehydrogenase

A

Zorgt voor de eerste omzetting in de pentose-fosfaat shunt waardoor NADPH gevormd kan worden voor de lipogenese.