Examen 1 Flashcards

1
Q

Etymologie

A

Het deelgebied van de taalkunde dat de herkomst van woorden bestudeert. De etymologie van een woord is de historische verklaring voor de manier waarop de vorm van een woord tot stand is gekomen; daarom wordt het ook wel de woordherkomst genoemd ( étsmos + logos ) ( werkelijk + leer )

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Filosofie

A

Filo (> filia) + sofia: vriendschap/liefde + wijsheid; liefde/ vriendschap voor wijsheid
- Al dan niet bewuste affectieve verhouding tot wijsheid
- Geen wetenschap
- Geen wijsheid; maar het verlangen/ streven ernaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wijsbegeerte

A

Zegt niets over vriendschap; begeerte naar wijsheid: niet hetzelfde

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Liefde voor wijsbegeerte

A

Een kritiek op de heersende ideologie, de waarheid van het gezond verstand, alles wat voor iedereen vanzelfsprekend geworden is; op het systeem/waarheid van een samenleving
–> Filosofie is een disruptief discours over de realiteit

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Vriendschap

A

Vriend van de wijsbegeerte = Vijand van de dominante opinie, andere “vrienden” van wijsheid
–> Tegelijkertijd liefde voor/kritiek op iets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

De historiciteit van de filosofie

A

De tijdperken:
- Antieke Wijsbegeerte (7de tot 2de eeuw v. Chr.)
- Middeleeuwse Wijsbegeerte (2de eeuw v. Chr. tot 15de eeuw n. Chr.)
- Moderne Wijsbegeerte (15de eeuw tot 1831)
- Moderniteit (ca. 1831-1945)
- Postmoderniteit (ca. 1945 tot heden)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Thales (Milete)

A

Water

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Anaximander (Milete)

A

Het onbegrensde

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Anaximenes (Milete)

A

Lucht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Pythagoras (Samos)

A

Vuur, harmonie (ziel) en getal

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Heraclitus (Efese)

A

Logos (wet/verhouding)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Parmenides (Elea)

A

Het (absolute) ‘is’

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Empedocles (Akragras)

A

Liefde en haat en de vier elementen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Anaxagoras (Klazomenai/Athene)

A

Nous (geest) en kiemen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Democritus (Abdera)

A

Atomen (ondeelbare grondelementen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Metafysica

A

Het object van liefde bevindt zich nu achter of voorbij (μετά) de zichtbare natuurfenomenen (τὰ φυσικά). Als metafysica is filosofie ook ideologiekritiek.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Logos

A

Common sense = vertekend beeld van realiteit
Tegengestelde elementen in beweging

18
Q

Barbaar

A
  • Niet Grieks kunnen denken
  • Niet beseffen dat logos de structuur van taal is
19
Q

Heraclitus

A
  • Het principe is de logos, de wijsheid luidt: alles is een en een is alles
  • Alles verandert, maar het principe is de logica van de verandering
  • Deze logica is dialectisch: noch A noch –A is reëel, de realiteit is de verhouding tussen tegengestelde elementen
  • Maar de mensen kunnen of willen dat niet zien
  • Ze denken dat ze wakker zijn, maar ze zijn aan het slapen
  • Ze denken dat ze iets werkelijks voor ogen hebben, maar dat is een droom
  • De velen zijn idioten (geen massa)
  • Verschil tussen de taal van de idioten en de taal van de logos
20
Q

Parmenides

A
  • Mensen hebben inderdaad een vertekend beeld van de realiteit
  • Ze zien niet in dat wat is niet kan veranderen
  • Het niets kan je niet denken, dus: niets bestaat niet
  • De echte realiteit is onveranderlijk, ongeboren, in zichzelf rustend
  • We gebruiken het werkwoord zijn op een verkeerde manier, om naar dingen te verwijzen die niet zijn, maar alleen worden (veranderen in de tijd)
  • Onze realiteit is een product van de taal
21
Q

Parmenides en Heraclitus

A
  • De twee filosofen zijn tegen de mythe en de natuurfilosofen: de filosofie heeft niets te maken met mythologisch of wetenschappelijk uitgelegde kosmogonie
  • De twee filosofen zijn tegen het gezond verstand (= hegemonische ideologie)
  • Vooral tegen het binaire denken
  • filosofie is voorbij de dualiteit te gaan, non-binair denken
  • Maar hun filosofieën spreken ook elkaar tegen
    • Voor Parmenides kan ‘wat is’ (het zijnde) niet worden
    • Voor Heraclitus betekent “is” worden
22
Q

waarom zijn H. en P. tegen dualistisch denken?

A

Heraclitus tegen dualistisch denken:
* Common sense: de velen (B2 o.a.)
* Wetenschappelijk denken: veelweterij (B40)
* Mythe: onwetendheid (B56, B57)
Parmenides tegen dualistisch denken:
* Common sense: zelf-contradictorisch, onkritische massa, geweld van gewoonte (B7 o.a.)
* Wetenschappelijk denken: fantasie, alleen namen (B19 o.a.)
* Mythe: de mythe (Godin) kondigt zijn dood aan (B7)

23
Q

Sofist (Volgens Socrates en Plato)

A
  • geen vriend van de waarheid/wijsheid
  • geen serieuze denker, maar een bedrieger en opportunist
  • vraagt geld voor zijn ‘service’
  • wil argumenten van anderen ondermijnen (om het even hoe) zonder iets positiefs bij te dragen
  • De negatieve betekenis van ‘sofist’ werd door Aristoteles overnomen en is vandaag vanzelfsprekend geworden
  • We praten over sofismen (drogredenen) en gebruiken het word
    ‘sofist’ volgens de definitie van Socrates & co.
  • De filosoof zegt: “De sofisten doen het voor het geld”
  • De filosoof zegt: “Wij doen het voor de waarheid”
  • Maar: is het niet verdacht dat iemand ons gratis wil helpen?
24
Q

Sofist (Volgens oude betekenis)

A
  • leraar, geleerde of deskundige
  • gebruikt als synoniem van ‘wijze’
  • (praktische) wijsheid
  • leraar in filosofie en retoriek
  • Let op! Die positieve definitie is de oorspronkelijke definitie van
    sofist. De sofist als bedrieger etc. is de visie van o.a. Socrates, Plato
    en Aristoteles
  • Die filosofen hebben de culturele oorlog om de betekenis van ‘sofist’ gewonnen
25
Q

Gorgias, Lofrede op Helena, § 8

A

“Het woord is een machtige heerser die met een zeer klein en volkomen onzichtbaar lichaam de meest goddelijke werken verwezenlijkt, want het kan angst stoppen en pijn verzachten, vreugde opleveren en barmhartigheid voeden.”

26
Q

Drie nihilistische stellingen (tegen Parmenides) van Gorgias

A

1.Er bestaat niets of wat (absoluut) is, kan niet zijn
2.Ook als het zijnde zou bestaan, zou het onkenbaar zijn
3.Ook als het zijnde zou kunnen worden gekend, zou het niet communiceerbaar zijn

27
Q

Erfenis Gorgias

A
  • Scheiding tussen zijn en denken
  • Scheiding tussen taal en zijn
  • Erkenning van de macht van het woord
28
Q

Relativisme

A
  • Het individu is de maat van alle dingen, de realiteit is afhankelijk van onze situatie –> Geen absolute waarheid
  • Denken heeft de macht om waarheid te produceren: zwakke argumenten kunnen versterkt worden en alles heeft voor- en tegenargumenten, je kan altijd het tegengestelde op dezelfde manier verdedigen
  • We kunnen niet weten of Goden bestaan
29
Q

Protagoras (ca. 481-411 v. Chr.)

A
  • De mens is de maat van alle dingen
  • We kunnen niet weten of goden bestaan
  • Voor alle stellingen is er ten minste een argument vóór en een argument tegen
  • Zwakke argumenten kunnen versterkt worden en omgekeerd
  • Geen absolute waarheid
  • Ontologisch, religieus en epistemologisch relativisme
  • Geen absolute (morele) wetten: overtuiging (politiek)
30
Q

Socrates

A
  • Leraar van Plato
  • Volgens zijn medeburgers: een goddeloze sofist
  • Volgens zijn leerlingen: een erotische filosoof
  • Filosofie als apolitiek politiek activisme tegen de absurditeit van de democratie en de pseudo-wijsheden van de Atheners
  • Er is volgens hem geen relativisme mogelijk in de vragen naar de beste regeringsvorm, de beste manier om te leven en de echte wijsheid.
  • Zoals Protagoras vervolgd wegens goddeloosheid, maar ook wegens verderfenis van de jonge Atheners.
  • Socrates bekritiseert elke vorm van relativisme in de ethiek en de politiek, maar in andere gebieden is hij even destructief als de sofisten
  • Hij is tegen de democratie omdat deze regeringsvorm veronderstelt dat dé waarheid niet bestaat (alles moet onderhandeld worden, iedereen mag zijn waarheid uitspreken)
  • Volgens Socrates is iets objectiefs in de subjectiviteit, iedereen kan in zichzelf een ethische en politieke waarheid vinden die we allemaal delen
  • Daarom is Socrates voorstander voor een monarchie of een regering van experten
31
Q

Plato

A
  • Geboren in Athene in 427 v. Chr.
  • Aristocratische familie
  • Tragicus, politicus, filosoof
  • Zuid-Italië: Pythagorische school
  • Zijn school: de Academie
  • Politiek-filosofisch project: een mislukking
  • In 347 v. Chr. gestorven (teleurgesteld?)
  • De enige Griekse filosoof van wie (bijna)
    alle werken bewaard zijn gebleven
32
Q

Aristoteles

A
  • Stagira, 384 v. C. – 322 v. C.
  • Leerling van Plato
  • Wetenschappelijke mentaliteit
  • Leraar van Alexander de Grote
  • Stichter van het Lyceum
  • Geen echt politiek project
  • Een ‘systematicus’
  • Groot deel van zijn werk voor altijd verloren
  • Wat we van hem bewaren is voornamelijk dankzij
    de Arabische filosofen van de middeleeuwen!
33
Q

Plato is een synthese

A
  • van Heraclitus en Parmenides (de pluraliteit op niveau
    van het intellectuele)
  • van Pythagoras’ zielsleer en ethiek en het kritische
    denken en politieke visies van de sofisten
  • Van de verschillende stemmen over de spanning
    tussen taal en realiteit en over de spanning tussen zijn en
    niets
  • Metafysica: de perfecte vorm in de onvolmaakte
    schijn te zien (bv. liefde)
34
Q

Aristoteles is een synthese

A
  • Van Heraclitus en Parmenides (de pluraliteit op niveau
    van het begrip van de realiteit)
  • Van de natuurfilosofen (theorie van de vier oorzaken)
  • Van de niet-filosofische theoretische en praktische
    beschouwingen van de mens (politiek en ethiek)
  • Van Plato, Protagoras en de natuurfilosofie
  • Metafysica: de studie van het zijnde als zijnde
35
Q

Plato: kennistheorie en metafysica

A

Twee registers van de realiteit: het zichtbare (het in tijd en ruimte bestaande) en het intelligibele (vorm of ideeën)
* De vormen (Plato’s synthese van Heraclitus’ worden + Parmenides’ zijn) zijn wat een zin geeft aan de realiteit
* Men zegt: “door het schone zijn de schone dingen schoon”: MAAR wat betekent “door”?
* De vormen of ideeën zijn echter geen universele begrippen (ze helpen ons om het verschil tussen het volmaakte, de meest trouwe kopie en het simulacrum), maar archetypen (daarom allemaal verzameld onder de vorm of idee van het goede in de zin van het voltooide)
* Deze definitie kan niet gebruikt worden om de realiteit als dusdanig te kennen, maar wel om te zien wat er in de realiteit ontbreekt (metafysica =ideologiekritiek)
* Wat is, is zo en zo afhankelijk van zijn deelname aan de
respectievelijke vorm
* Wat is, is in principe gebrek (onvolmaakte afspiegeling van de vorm)
* Plato’s concept van participatie (μέθεξις) betekent echter niet dat de vormen of ideeën oorzaak van de realiteit zijn.
* Geen toepassing van het algemene op het bijzondere!
* De vorm is de zichtbaarheid van het zichtbare (metafoor van de zon)
* De beweging is bottom-up: het bestaande toont (of verwijst naar) het voorbeeld

36
Q

Plato’s ideeënleer I

A
  • Ideeën zijn objecten van het denken (bereikbaar door en in het denken)
  • men ziet tegelijkertijd wat er is (het zichtbare) en wat er ontbreekt (de vorm daarvan)
  • Geen dualisme bij Plato, wel twee registers van hetzelfde die een ander ontologisch statuut hebben
  • Vormen zijn niet veranderlijk, ze zijn fundament/archetype van de realiteit, ze kunnen niet worden afgeleid van de werkelijke wereld
  • Ze zijn op zich, onafhankelijk van deze wereld
37
Q

Plato’s ideeënleer II

A
  • Het principe is de vorm van het goede (= van de volmaaktheid die alle vormen gemeen hebben) die zoals de zon in de natuur licht geeft.
  • Licht om te zien = voorwaarde voor kennis
  • “οἶδα οὐκ εἰδώς” (men zegt dat Socrates dit zei): οἶδα = ik weet = ik heb gezien (het werkwoord ‘weten’ is in het Grieks de voltooid tegenwoordige tijd van zien en drukt een voortdurend resultaat uit).
  • εἶδος/ἰδέα = het geziene en, voor Plato, het prototype en archetype van de realiteit
  • Kennen is zien van de ideeën en van de realiteit als afspiegeling daarvan (wat is een afspiegeling? Wat zie ik op de spiegel?).
  • In het licht (als we het idee van het goede kennen) verschijnt alles zoals het eigenlijk is.
  • Let op! Bij Heraclitus en Parmenides staat het luisteren boven het zien!
38
Q

Plato en het simulacrum

A
  • Plato’s methode dient niet om dé objectieve waarheid te vinden maar
    de echte vertegenwoordiger van de ideeën
  • Wat is de inhoud van een idee: een universeel begrip of een discriminerend ideaal?
  • Helpt Plato ons om de realiteit te begrijpen of eerder om de realiteit te transformeren? (filosofie als indirecte politiek)
39
Q

Plato: het simulacrum en de nood om zijn
drievoudige ontologie te herzien

A
  • Simulacrum is iets dat wil erkend worden als wat het niet is: bv. retoriek wil erkend worden als kunst en als politiek maar ze is volgens Socrates een
    simulacrum (εἴδωλον) van kunst en politiek.
  • Simulacrum impliceert ook vleierij (adulatio), het beste middel tegen emancipatie
  • Het simulacrum is een soort wezenloos iets dat niet kan worden uitgelegd vanuit de traditionele interpretatie van Plato’s ontologie
  • Nieuwe ontologie die het autonome bestaan van het bedrog kan verantwoorden: de
    realiteit kan een afspiegeling van ideeën of een simulacrum van een afspiegeling zijn.
  • Is het simulacrum afhankelijk van de ideeën?
40
Q

Aristoteles kennisleer en ontologie

A

Ontdekking van de complexiteit van het zijnde

41
Q

Plato en Aristoteles

A

Ethiek:
* Aristoteles wil de etische dimensie van de mens kennen, terwijl Plato een ideaal van mens ontwerpt (idem wat de politieke dimensie van de mens betreft)
Politiek:
* Conflict tussen het algemene goede, het algemene belang en de individuele vrijheid
* Het probleem voor Aristoteles is niet de regeringsvorm, maar het doel dat politici elk afzonderlijk nastreven.
* Voor Plato toont de regeringsvorm reeds het niveau van corruptie van de ziel.

42
Q

Chronologie van het werk van Plato

A
  • Eerste periode (393-389 v.Chr.): Apologie, Ion, Crito, Protagoras, Laches, Lysis, , Charmides, Euthyphro
  • Transitieperiode (388-385 v.Chr., reis naar Sicilië, stichting van de Academie): Gorgias, Meno, Euthydemos, Hippias minor, Hippias maior, Cratylus, Menexenus
  • Periode van intellectuele volwassenheid (385-370 v.Chr.): Symposium, Phaedo, De staat (Politeia)
  • Late periode (369-347 v.Chr., 2de en 3de reis naar Sicilië): Parmenides, Sofist, Staatsman, Philebus, Timaeus, Critias, De wetten