H3 Paragraaf 1 Flashcards

1
Q

Productie factoren in de economie

A

Agrarische samenleving=grond
Industriële samenleving= grondstoffen machines en arbeid
Nu, diensten verlening= menselijk brein en kennis

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Welke sector zit welke productie factor?

A

Landbouw =primaire sector
Industrie = secundaire sector
Diensten = tertiaire sector

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Kenniseconomie

A

Een economie waarin vooral nieuw technologie en nieuwe producten worden bedacht

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

2 soorten kennis

A

Technologische kennis( bedenken van nieuwe dingen zoals elektrische auto’s) en mensenkennis (gedrag van Mensen over vooral marketing en reclame)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

De zakelijke dienstverlening

A

Bedrijven die diensten verlenen aan andere bedrijven of aan de overheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Crisis in de stad, wat ging er fout?

A
  • Economie ging slecht
  • suburbanisatie, minder inkomsten in de stad
  • stad niet genoeg geld om stad te onderhouden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Vanaf 1990 beter met de stad door:

A
  • opkomst kenniseconomie
  • meer mensen met hoge inkomens in de stad die dus meer geld uitgeven
  • stad krijgt meer inkomsten om stad te onderhouden
  • stad wordt aantrekkelijker
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Een creatieve stad

A

Stad met veel mensen werkzaam in de creatieve zone

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Science parken

A

Bedrijfsterreinen in de buurt van een universiteit of Hogeschool. Bedrijven en scholen werken dan samen en er zijn vaak goede voorzieningen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Broedplaatsen

A

Beschikbaar stellen van goedkope bedrijfsruimten aan vernieuwde en artistieke bedrijven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Een duale arbeidsmarkt

A

Een grote kloof tussen banen en lonen voor hoog- en laagopgeleiden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Sociale ongelijkheid

A

Grote ongewenste verschillen in welvaart en kansen tussen groepen mensen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Agglomeratie voordelen= bedrijven bij elkaar in de buurt zitten

A
  • samen klanten trekken
  • samen dezelfde voorzieningen
  • veel bedrijven leveren aan elkaar
  • overleg met elkaar is gemakkelijk
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Voordelen voor bedrijven voor vestiging bij de stad

A
  • goede arbeidsmarkt
  • goede markt afzet
  • er zijn andere bedrijven aanwezig
  • de infrastructuur is daar goed
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Congestie

A

Het verstopt raken van het verkeer

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Uitschuiving

A

Bedrijven naar de rand van de stad getrokken

17
Q

Voordelen van uitschuiving

A
  • betere bereikbaarheid
  • de lagere grond- en huurprijzen
  • meer ruimte voor uitbereiding
  • gratis reclame